Bijbeltekst uitgelicht
Titus 2 vers 11-14 (3)
De glorieuze verschijning “Want de genade van God, heilbrengend voor alle mensen, is verschenen en onderwijst ons, dat wij met verzaking van de goddeloosheid en de wereldse begeerten ingetogen, rechtvaardig en godvruchtig zouden leven in deze tegenwoordige eeuw, in de verwachting van de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus, die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken” (Titus 2:11-14). Als we deze passage wat dieper bekijken, zien we hoe de genade van God ons leven verandert en onze aandacht op de toekomst richt. Genade leert ons om uit te zien naar de gezegende hoop en de glorieuze verschijning van onze grote God en Heiland Jezus Christus. Gisteren hebben we een glimp van die gezegende hoop gezien. Vandaag willen we ons richten op wat Paulus “de gelukkige hoop en verschijning” noemt. De gelukkige hoop is verbonden met de gemeente van hen die geloven in de Heer Jezus. Zijn glorieuze verschijning verwijst echter naar het moment, waarop Hij met Zijn heiligen terugkeert. Dit wordt ons voorgehouden in Openbaring 19 vers 11-16: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid. En zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven naam, die niemand kent dan Hijzelf. En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn naam wordt genoemd: het Woord van God. En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen. En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige. En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.” Dit is het moment waarop Hij die was: “in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Joh. 1:10-11) openlijk erkend zal worden en Zijn rechtmatige plaats zal ontvangen. Aan het einde van Paulus' leven kon hij zeggen: “Want ik word al als drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben liefgehad” (2 Tim. 4:6–8). Anker voor vandaag Verlangen we dat Hij Zijn rechtmatige plaats in deze wereld krijgt? © Anchors For Life
