3 maanden geleden

Overdenking over 2 Thessalonika (5)

Aantekeningen bij de overdenking van de 2e brief aan de Thessalonikers

Vervolg hoofdstuk 1

Dillenburg 2012

De Thessalonikers werden na hun bekering sterk vervolgd en getreiterd door hun eigen landgenoten. Paulus was verder gegaan na zijn 4 weken durende bediening onder hen (Hand. 17:1-9). Gedurende deze tijd na zijn vertrek en vóór zijn twee brieven aan hen, waren sommigen van hen ontslapen, misschien zelfs een martelaarsdood gestorven. Nu waren de Thessalonikers onwetend over degenen die ontsliepen, er was bij hen een zekere leemte in het onderwijs, en daarom schrijft Paulus hun de brief aan de Thessalonikers, waarin de nadruk ligt op de opname van de gelovigen. Waarschijnlijk heeft hij in de korte tijd van zijn bezoek niet de volle ontvouwing van deze waarheid kunnen brengen en heeft hij er slechts op gewezen, dat de volgende gebeurtenis voor de gelovigen van de genadetijd de opname is. Daarom volgde deze toevoeging aan het onderwijs door de brief aan de Thessalonikers om de onrust onder de Thessalonikers weg te nemen.

In de tweede brief aan de Thessalonikers is het totaal anders, daar gaat het er niet meer om dat de Thessalonikers iets niet wisten. In hoofdstuk 2 vers 5 wijst de apostel hen erop, dat hij het hele onderwerp van de dag van de Heer met de daaraan voorafgaande verdrukking reeds mondeling aan hen had uitgelegd tijdens zijn bezoek. Dus ze wisten dit allemaal. Maar er waren valse mensen in hun midden doorgedrongen die hen een leer brachten die, uitgaande van de beproevingen van de Thessalonikers, de conclusie trok dat de opname al had plaatsgevonden en dat dit de beproevingen waren die aan de dag van de Heer voorafgaan. Anderzijds had Paulus de gelovigen ook nooit in het ongewisse gelaten over het feit, dat zij beproevingen, vervolgingen en lijden konden verwachten bij het volgen van de Heer (Hand. 14:22; 2 Tim. 3:12; 1 Thess. 3:3,4). Maar hij wist ook, dat verdrukking en vervolging ons kunnen uitputten, en daarom troost en versterkt hij altijd door onze ogen te richten op de Heer zelf en op het feit, dat het loont vast te houden aan de Persoon van de Verlosser.

Praktische opmerking: We moeten hieruit een belangrijke les voor onszelf trekken: Gelovigen die een leer precies kennen, kunnen door valse leringen zozeer in hun overtuiging worden geschokt, dat zij daarna helemaal nergens meer van overtuigd zijn. Als we een parallel trekken met onze huidige tijd, moeten we toegeven, dat dit ook een trieste realiteit van onze dagen is! Denk maar aan het onderwijs in het Woord van God over samenkomen als gemeente. Er treden zelfs broeders uit ons midden op die zeggen, dat het allemaal verkeerd is, dat we het allemaal heel anders moeten doen; en vele honderden worden op deze verkeerde open weg geleid. En we zien het tot op de dag van vandaag, dat deze vraag nog steeds besproken wordt – het is diep vernederend! Daarom is deze treurige brief zo buitengewoon belangrijk in zijn parallellisme met onze dagen. Het veronderstelde bezit van een waarheid geeft ons geen zekerheid als het ons niet werkelijk met Christus verbindt. Wie niet vasthoudt aan de Heer en Zijn Woord is nooit echt veilig! Vandaar de herhaalde vermaningen in Gods Woord om vast te houden aan wat we hebben (2 Tim 1:13; Openb. 3:11; 2 Thess. 2:15), en ons niet te laten ontmoedigen door deze schijnbaar zo overtuigend klinkende argumenten.

In de meeste kringen van het grote christendom – en vooral in de (beide) grote kerken – bestaat geen enkele duidelijkheid meer over de volgorde van de komende profetische gebeurtenissen. Ongeveer 200 jaar geleden werden de toekomstige waarheden van de komst van de Heer bij de opname, de daaropvolgende verdrukkingsperiode en de daaropvolgende vestiging van het 1000-jarig koninkrijk door het werk van de Heilige Geest herontdekt. Veel ware gelovigen, zelfs in de verschillende christelijke kringen, kenden deze waarheden. Helaas worden ze tegenwoordig in brede kringen van het christendom weer verlaten en niet meer officieel onderwezen. Maar we willen hier niet te hoog van opgeven. Weten we allemaal echt zeker, dat de opname plaatsvindt vóór de verdrukking?

Dat de opname de volgende gebeurtenis is waarop wij wachten en die op handen is, wordt door veel gelovigen niet meer aanvaard. Zo raakt de verwachting van de spoedige komst van de Heer steeds meer op de achtergrond. En als die verwachting er niet meer is, dan heeft men ook geen duidelijkheid meer over de toekomst. Daarom is deze ernstige oproep ook aan ons allen vandaag gericht, om vast te houden aan het feit dat de Heer elk moment kan komen. Als we niet meer op de Heer wachten en in ons hart denken dat Hij nog steeds afwezig is, dan noemt de Heer dat niet alleen kwaad, maar zo iemand is een boze in Zijn ogen (Matth. 24:48), het is niet alleen een boze houding, maar een boze toestand! De enige reden waarom de Heer nog niet is gekomen en wij hier nog zijn, is omdat Hij nog steeds mensen wil redden. Hij stelt de belofte niet uit, maar Hij is lankmoedig en wil niet dat iemand verloren gaat (2 Petr. 3:9).

Wij moeten beseffen, dat op basis van valse leer altijd valse praktijk volgt. Anderzijds mogen wij ons onderwijs niet baseren op uiterlijke feiten of omstandigheden. In veel gevallen kijken we naar actuele politieke ontwikkelingen en passen we ons onderwijs daarop aan. Dat is ook een groot gevaar. Onze broeders 200 jaar geleden herkenden en begrepen dingen uit het Woord van God toen er nog helemaal geen politieke ontwikkelingen waren (bijv. het herstel van Israël, de vorming van een Europese Unie), zij hadden uitsluitend het Woord als basis. Wij moeten het Woord niet koppelen aan omstandigheden en ontwikkelingen, maar eerst het Woord begrijpen en dan misschien enkele actuele gebeurtenissen daarin zien als een voorteken.

De verdrukkingen en vervolgingen voor de Thessalonikers waren dus niet opgehouden, en Paulus schrijft hen slechts een paar maanden later vanuit Korinthe deze tweede brief. Valse leraren maakten gebruik van de omstandigheden van hun verdrukkingen om hen te vertellen, dat dit het bewijs was dat de dag van de Heer was aangebroken, zelfs met massale onoprechtheid en bedrog, waarbij zij zelfs een brief vervalsten om te doen voorkomen dat deze van Paulus afkomstig was (hfdst. 2:2). Daarom behandelt Paulus dit in deze brief – vooral in hoofdstuk 2 vers 1-12 – en legt hij hun met een zeer uitvoerige bewijsvoering uit, dat het in geen geval zo kan zijn dat de dag van de Heer al gekomen zou zijn. In deze tweede brief wordt duidelijk, dat de Thessalonikers nogal onwetend waren over de nog levende gelovigen; en daarom legt de apostel hun in deze brief niet zozeer de opname uit, maar meer de komst van de Heer met de Zijnen. Dat is het onderwerp van deze brief aan de Thessalonikers.

Elk van de drie hoofdstukken van deze tweede brief zou een zeer indringende titel kunnen krijgen:

  • Hoofdstuk 1: Troost voor hen die lijden;
  • hoofdstuk 2: Onderricht voor hen die dwalen;
  • Hoofdstuk 3: vermaning voor hen die ongeregeld wandelen.

Reeds in de eerste verzen van 2 Thessalonika 1 geeft Paulus het bewijs dat de dag van de Heer nog niet kon zijn aangebroken. Hij maakt duidelijk, dat wanneer de dag van de Heer komt, het oordeel zal volgen over hen die nu de onderdrukkers waren. Zij die nu zo de Thessalonikers vervolgden, zouden dan de vervolgden zijn. En de nu verdrukte Thessalonicenzen zouden dan later op de dag van de Heer rust hebben (vs. 6,7). Dit is al een eerste bewijs dat de dag van de Heer nog niet gekomen kan zijn.

In vers 9 laat hij vervolgens zien wat deze ongelovige tegenstanders zal overkomen op de dag van de Heer, wanneer zij de Rechter zullen ontmoeten en later dan het eeuwige verderf zullen moeten ondergaan. Vers 10 beschrijft daarentegen het deel van de gelovigen, en in het bijzonder ook het deel van de Thessalonikers, dat dan zal bijdragen tot zijn verheerlijking op de dag van de Heer Jezus. En in vers 11 spreekt Paulus de wens uit, dat de gelovigen niet wachten op deze dag van de Heer om bij te dragen aan Zijn verheerlijking. Nee, het is nu al mogelijk, en daarom bidt hij in dit verband voor de Thessalonikers.

“Daarom bidden wij ook altijd voor u, dat onze God u de roeping waard acht en alle welbehagen van [Zijn] goedheid en [het] werk van [het] geloof in kracht vervult” (vs. 11).

Wij hebben altijd twee dingen nodig: in de eerste plaats gezond onderwijs, en in de tweede plaats gebed, wat ook duidelijk blijkt uit het kleine woord ‘daarom’. Daarom hervat de apostel na de eerste tien verzen van onderricht nu ook het gebed voor de Thessalonikers. Dit is eigenlijk wat hij steeds weer doet in zijn brieven, bijvoorbeeld in Efeze 1 en 3, en dit is ook een belangrijke les voor iedere dienaar vandaag. Het onderwijs alleen is niet voldoende, het is dringend nodig om er daarna ook nog te bidden. Voor een dienaar die het Woord predikt, is gebed een onlosmakelijk onderdeel van zijn bediening (verg. Jer. 27:18; 1 Sam. 12:23). Doen we dit ook? Gaan we na een dienst die we in een plaats hebben gedaan daarna in gebed, zodat dit onderwijs ook in de harten kan wortelen en het leven op de Heer Jezus wordt gericht? Maar hetzelfde geldt voor iedere ontvanger van een boodschap; het is goed een boodschap gehoord te hebben, maar als we er niet over bidden, dan zal wat ik gehoord heb niet mijn persoonlijk bezit worden.

Voorbede veronderstelt altijd gemeenschap met God ten aanzien van de onderwerpen van het gebed. Wij hebben dezelfde belangen als God met betrekking tot de voorwerpen waarvoor wij bidden. In karakter was het gebed van Paulus een voortdurend gebed. Hij had de Thessalonikers niet slechts af en toe, maar voortdurend in zijn hart gesloten. En de inhoud van zijn gebed was, dat de leer van de verzen 3 tot 10 een praktische werkelijkheid zou blijven bij de Thessalonikers, want stabiliteit aan het begin van een geloofsreis is geen garantie voor blijvende stabiliteit.

Paulus was in Korinthe toen hij deze brief schreef, en in deze stad was er een groot werk van God (Hand. 18:10). Zou men niet kunnen denken dat hij het zo druk had in Korinthe, dat hij geen tijd had om aan de Thessalonikers te denken? Maar ook al was zijn huidige arbeidsveld heel praktisch in Korinthe, hij bad altijd voor de Thessalonikers; en zeker niet alleen voor hen, maar de zorg voor alle gemeenten was dagelijks in zijn gedachten (2 Kor. 11:28). Als we de gebeden van de apostel in de afzonderlijke brieven bekijken, zien we dat hij zonder uitzondering bidt voor het geestelijk welzijn van de geloofsgenoten. En we zouden er goed aan doen deze accentuering eens te overdenken, ook met betrekking tot onze gebedsbijeenkomsten. In veel gevallen bidden we nauwelijks voor het geestelijk welzijn, maar bijna uitsluitend voor het lichamelijk welzijn.

Onze God moet hen zijn roeping waardig kunnen achten. In vers 5 zegt hij hun, dat zij het koninkrijk van God waardig zullen zijn; de beproeving die zij moesten doorstaan was het bewijs, dat zij dat koninkrijk waardig waren. In 1 Thessalonika 2 vers 12 had Paulus hun gezegd, dat zij de God die hen roept tot Zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid, waardig zouden wandelen. De waardigheid zit helemaal niet in ons, God heeft ons daartoe geacht.

Deze waardigheid van God komt op twee manieren in hun leven tot uiting:

  • In alles wat Hem behaagt; de innerlijke leiding van hun leven. Wij kennen Gods goedheid voor ons en reageren daarop door ons leven in te richten naar Zijn welbehagen. De Heer Jezus had altijd gedaan wat de Vader welbehaaglijk was (Joh. 8:29). Goedheid is een eigenschap van het nieuwe leven van de gelovige (Gal. 5:22; Rom. 15:14; Ef. 5:9), waaruit een leven wordt geleefd tot welbehagen van God;
  • door het werk van het geloof; de uiterlijke activiteit in hun leven, uit het geloof worden onze werken gedaan. Reeds in de eerste brief kon de apostel het werk van het geloof in de Thessalonikers prijzen (1 Thess. 1:3). Dan zullen wij, onafhankelijk van onze omstandigheden, ook kracht hebben om het werk van het geloof in kracht te verrichten – wat de Heer u of mij ook opdraagt.

 

Wordt DV vervolgd.

Achim Zöfelt; www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 08.10.2013.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW