14 minuten geleden

Het Johannes-evangelie (17d)

Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 38-39

“… en Zijn Woord hebt u niet blijvend1 in u, omdat u Hem niet gelooft die Hij heeft gezonden” (vs. 38).

Met deze laatste beschuldiging aan het adres van de Joden, dat zij het Woord van God niet blijvend in zich hadden, gaat de Heer verder met het vierde getuigenis: de Schriften van het Oude Testament. Maar we willen hier de nederigheid van onze Heer benadrukken, die met deze woorden Zijn eigen Woord ondergeschikt maakt aan de Schriften van het Oude Testament! We zien hierin een vernedering van de Heer die we niet kunnen bevatten. Hij die het Woord gaf, die één is met de Vader, die als dienaar naar de aarde kwam – Hij neemt als Mens in alle opzichten een ondergeschikte positie in en plaatst het Woord zelfs boven Zichzelf!

Met deze onthulling van de ware toestand van de Joden bedoelt de Heer niet alle Joden zonder uitzondering, maar juist de vijanden binnen Zijn eigen volk. In wezen geeft Hij hiermee te kennen, dat zij zich niet meer zouden bekeren. Wij mogen nooit zulke dingen over mensen zeggen, maar God kan individuen of zelfs hele volkeren verharden. Hier confronteert de vleesgeworden Zoon van God Zijn eigen volk met al het bewijs, dat Hij de Zoon van God is, en Hij voelt duidelijk aan, dat zij deze vier getuigenissen niet zouden aannemen en in hun starre standpunt zouden blijven.

Het is daarom niet slechts een vaststelling, dat ze niet in Hem geloofden, maar een verwijtbare beschuldiging. Ze wilden niet, en de Heer berispt hen daar duidelijk voor. Deze toelichting onderstreept ook heel duidelijk, waarom ze dit getuigenis hadden moeten aannemen. Door geloof in Hem zouden ze deze hele openbaring van de Vader ontvangen; ze hadden noch gezien noch gehoord, omdat ze niet geloofden. Als ze hadden geloofd, zou de deur wijd open hebben gestaan ​​voor de volledige kennis van de Vader (vgl. Joh. 8:18-19). Als ze Hem, de Zoon, hadden aangenomen, zouden ze de Vader hebben gekend. Wie de Heer Jezus niet aanneemt, kan niet ingevoerd worden in de openbaring van de Vader (2 Joh. 9).

Dit vers helpt ons te begrijpen wat de Heer Jezus later tegen Thomas zei: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh. 14:6). De Joden wilden de Zoon niet aannemen, geloofden niet in Hem en konden daarom het Woord niet in zich hebben, noch Degene die Hem gezonden had. Alleen door de Zoon komen we tot de ware God als Vader. Wie de Zoon verwerpt, verwerpt de Vader, want de Vader heeft de Zoon gezonden. Toen God Zijn Zoon zond en Zichzelf in Hem als Vader openbaarde, kwam er een einde aan de tijd van de ene God van Abraham. God is nog steeds Eén, maar sinds de komst van de Zoon naar de aarde kennen we God ook in Zijn Drie-eenheid: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest.

Het is goed om dit te benadrukken, omdat de Joodse gedachte in onze tijd steeds meer op de voorgrond treedt. We moeten duidelijk vasthouden, dat met de komst van de Zoon op aarde het Jodendom als religie volledig ten einde is gekomen. Als gelovigen van de genadetijd hebben we absoluut niets te maken met de oude Joodse gebruiken en verordeningen. Ze hebben als voorbeelden van nieuwtestamentische waarheden veel te zeggen, maar ze hebben vandaag de dag geen actuele betekenis meer – ook niet voor een Jood die in dit tijdperk van genade tot geloof is gekomen! Hoewel hij Joods is van nationale afkomst, behoort hij vanaf het moment van zijn bekering tot de gemeente, is hij een lid van het lichaam van Christus. Bijna 2000 jaar geleden zei een Jood tegen Joden: “Want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden” (Hand. 4:12). Niettemin is het Oude Testament een fundamenteel onderdeel van het Woord van God; het zou volkomen verkeerd zijn als we de geschriften van het Oude Testament als onbelangrijk zouden beschouwen, want ze getuigen van Christus, zoals we duidelijk kunnen zien in de volgende verzen.

Wat een innerlijk lijden moet de Heer Jezus hebben doorstaan toen Hij hier Zijn eigen volk moest berispen, omdat ze niet in Hem geloofden als de door de Vader gezondene (Joh. 1:11)! Vanaf dit vers 38 lezen we over zevenvoudige ontkenningen van wat deze Joden niet hadden en niet wilden:

  • “… Zijn woord hebt u niet blijvend in u” (vs. 38);
  • “… u Hem niet gelooft die Hij heeft gezonden” (vs. 38);
  • “… [toch] wilt u tot Mij niet komen …” (vs. 40);
  • “… dat u de liefde van God niet in uzelf hebt” (vs. 42);
  • “… u neemt Mij niet aan” (vs. 43);
  • “… en niet de eer zoekt die van de enige God [komt]” (vs. 44);
  • “Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven … Maar als u zijn geschriften niet gelooft” (vs. 46-47).

Een angstaanjagende lijst van ongeloof tegenover deze overweldigende getuigenissen! Ze waren volledig in de greep van satanische macht, de moordenaar van de mensheid vanaf het begin (Joh. 8:44).

“U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen” (vs. 39).

Petrus schrijft, dat we wedergeboren zijn “door Gods levend en blijvend Woord” (1 Petr. 1:23), maar dat we dit eeuwige leven niet ontvangen zonder de Persoon van de Heer Jezus, en dat is wat de Joden zochten. In dit opzicht was de aanwezigheid van de Zoon van God, de door de Vader gezonden, voor hen de toetssteen om te zien of ze de Schriften wel of niet aannamen. De Schriften getuigen van Hem, en nu leefde Hij onder hen, en dat was voor hen de toetssteen om te zien of ze de Schriften werkelijk wilden volgen, of ze Hem wilden aannemen. Maar ze hebben niet geloofd. Ze bestudeerden de Schriften niet om Christus daarin te vinden. Ze waren goed thuis in het Oude Testament en beroemden zich erop, dat ze de wet kenden (vgl. Joh. 7:49). Maar ze herkenden de Persoon niet die de inhoud en het wezen van deze Schriften is. Ze waren er totaal niet in geïnteresseerd, in tegenstelling tot de discipelen op de weg naar Emmaüs, die wel mochten herkennen wat Hem betrof in deze Oudtestamentische geschriften (Luk. 24:27). Wie het Oude Testament in dit opzicht verwerpt, verwerpt uiteindelijk ook de Zoon van God.

Overigens slaan Joden Jesaja 53 nog steeds over tijdens hun openbare lezingen, één van de duidelijkste profetieën over Christus, waarmee ze hun trotse orthodoxie demonstreren. De heidense kamerling daarentegen las dit hoofdstuk wel, maar met een vragend en onderzoekend hart. Vervolgens stelde hij Filippus de vraag: “… van wie zegt de profeet dit: van zichzelf of van iemand anders?” (Hand. 8:32-34). Filippus stelt hem dan de Persoon voor, van wie deze passage spreekt.

Het hangt dus af van de mindset waarmee je dit woord leest en onderzoekt. Je kunt het leven niet bereiken door alleen te lezen. Filippus had ook de Schriften gelezen (Johannes 1:45), maar niet zoals deze Joden, maar hij had zich door God laten wijzen op de centrale inhoud van het Oude Testament. Dit deed hem beseffen dat deze geschriften van de Heer getuigden. Ook al hadden de Joden in die tijd niet het Nieuwe Testament of de Heilige Geest, de beschuldiging van de Heer is absoluut waar, omdat zij niet de juiste gezindheid hadden. Ze hadden deze getuigenis moeten aanvaarden.

Het hangt er dus van af, met welke gezindheid men dit woord leest en onderzoekt. Door het lezen alleen kan men geen leven ontvangen. Filippus had ook de Schriften gelezen (Joh. 1:45), maar niet zoals deze Joden, maar hij had zich door God laten wijzen op de centrale inhoud van het Oude Testament. Dit deed hem beseffen, dat deze geschriften van de Heer getuigden. Ook al hadden de Joden in die tijd niet het Nieuwe Testament of de Heilige Geest, de beschuldiging van de Heer is absoluut waar, omdat zij niet de juiste gezindheid hadden. Ze hadden dit getuigenis moeten aannemen.

We kunnen ook de geschriften van het Oude Testament bestuderen en ontdekken hoeveel ze getuigen over de Heer Jezus. Vanuit dit perspectief gelezen, bevatten deze geschriften een kostbare en onuitputtelijke schat voor ons hart. Ze getuigen concreet van bijvoorbeeld Zijn geboorte (Jes. 7:14), Zijn geboorteplaats Bethlehem (Micha 5:1), de zalving met de Heilige Geest na Zijn doop (Ps. 89:20-21), Zijn lijden in vele details (bijv. Ps. 22,42,69,88,102), Zijn dood (Jes. 53:8-12) en Zijn daaropvolgende verheerlijking (Jes. 52:13). Petrus bevestigde in Handelingen 3 vers 18 ook, dat God door de mond van alle profeten tevoren had aangekondigd, dat de Christus zou lijden. Ook Paulus kon later op deze manier argumenteren, gebaseerd op de Schriften van het Oude Testament (Hand. 9:22; 17:2-3).

Naast deze concrete getuigenissen van de Persoon van de Heer Jezus zijn er ook een zeer groot aantal voorbeelden in het Oude Testament; Dit kunnen bijvoorbeeld mensen zijn zoals Izaäk als de geofferde zoon, of Jozef als degene die door zijn broers werd afgewezen; het kunnen ook voorwerpen zijn, zoals de ark van het verbond, of processen zoals de offer- en priesterdiensten (Hebr. 10) – en al deze voorbeelden worden duidelijk uitgelegd in het Nieuwe Testament. Ze zijn een schaduw van de toekomstige dingen, maar het lichaam is dat van Christus (Kol. 2:17), dat wil zeggen, niet dat ze allemaal rechtstreeks over Hem spreken, maar dat ze Hem toebehoren. In Galaten 4 maakt Paulus duidelijk, dat wat er met Abraham, Sara en Hagar en met Ismaël en Izaäk gebeurde een figuurlijke betekenis heeft.

Het is jammer, dat geen van deze aanwijzingen te vinden is in de theologische uitleggingen van de boeken van het Oude Testament binnen het christendom. Daar wordt de vervulling van zoveel oudtestamentische profetieën afgedaan als louter toeval. Ze worden ontmanteld, waardoor de Bijbel wordt gereduceerd tot het niveau van een gewoon boek. Hoe dankbaar zouden we moeten zijn dat we, onder leiding van de Heilige Geest en in het licht van het voltooide Nieuwe Testament, inzicht hebben in deze wonderbaarlijke beelden van het Oude Testament en dat het ons is toegestaan ​​te doen waar de Heer hier over spreekt: deze Schriften bestuderen om de Heer Jezus daarin te vinden!

 

NOOT:
1. Het woord ‘blijven’ heeft – zoals ook vaker in 1 Johannes, de betekenis van ‘verblijven, wonen.’

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 27.06.2019

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW