Bijbelgedeelte: 1 Samuel 10 vers 1-16
Leestijd: 10 minuten
Het was een gedenkwaardige dag voor Saul toen Samuel hem tot koning zalfde over zijn uitverkoren volk, Israël, en God hem drie opmerkelijke tekenen op drie belangrijke plaatsen schonk om hem voor te bereiden op deze grote taak.
Wat Saul die dag meemaakte, biedt een diepgaande les voor iedereen die de Heer wil dienen en verantwoordelijkheden wil dragen onder Gods volk. Laten we daarom eens stilstaan bij wat Gods Woord ons in dit gedeelte leert (zie 1 Sam. 9:27).
Aan het graf van Rachel
Het eerste teken vinden we op een historische plek: het graf van Rachel. Rachel was de moeder van Sauls voorvader Benjamin. Ze stierf tijdens de bevalling van Benjamin, die ze in haar laatste levensmomenten Benoni (“zoon van mijn pijn”) noemde (Gen. 35:17-18). Benauwdheid en dood waren de voortekenen waaronder Benjamin geboren werd; maar Jakob keek al voorbij het lijden door zijn zoon Benjamin (“zoon van de rechterhand”) te noemen. En Benjamin werd een van de twaalf stamvaders van het volk Israël en bekleedde een bijzondere positie binnen zijn familie, ook al beschouwde Saul de stam als geringste (1 Sam. 9:21).
Daar, waar de mens zijn grenzen bereikt, brengt God nog steeds zegeningen voort. Dat is de les voor Saul. Hij moet in het reine komen met zichzelf en ruimte maken voor Gods werk in zijn leven. Trots en zelfvertrouwen zijn niet wat nodig is. Zijn voorname afkomst, zijn indrukwekkende uiterlijk, zijn ijver en zijn natuurlijke nederigheid (1 Sam. 9:1,2,4; 10:16) zijn niet genoeg om een belangrijke rol te vervullen volgens Gods plan.
We zijn allemaal geroepen om alleen op God te vertrouwen en onszelf er voortdurend aan te herinneren dat onze kracht bij God ligt (vgl. Ps. 62:9-12). “… als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus …” (1 Petr. 4:11).
Wat Saul bij Rachels graf te horen krijgt, ligt gedeeltelijk op hetzelfde niveau: hij ontmoet twee mannen die hem vertellen, dat zijn uitgebreide zoektocht tevergeefs was – anderen hadden de weggelopen ezels al gevonden. Deze uitleg is des te opmerkelijker omdat Saul dit al wist (1 Sam. 9:20). Blijkbaar moet hij diep nadenken over het feit, dat het niet zijn energie en inspanning zijn die ertoe doen!
Bovendien had de ontmoeting met de twee mannen Saul nog meer te zeggen: hij moest dankbaar zijn, dat de twee mannen zijn aandacht hadden gevestigd op de gevonden dieren, waardoor er een einde kwam aan de moeizame zoektocht naar de ezels. Saul leerde: als ik de weg bewandel, die God mij wijst, zal ik trouwe mannen aan mijn zijde vinden, die het beste met mij voor hebben. Bovendien herinnerden de twee mannen hem aan de genegenheid van zijn vader, voor wie het welzijn van zijn zoon duizendmaal belangrijker was dan zijn vee. Saul, die vatbaar was voor depressie, wist nu, dat hij geliefd werd. Zou hij zich in gedachten misschien nog hoger kunnen verheffen tot God, Die voor hem zorgde en hem liefdevol wilde zegenen?
Dit spreekt ons ook aan. Wanneer we Gods werk doen, zijn we zelden alleen. Er zijn mensen die ons goed raad geven en ons behoeden voor verkeerde wegen. Bovendien kunnen we weten, dat we geliefd zijn – vooral door God, voor wie we meer waard zijn dan vele mussen, en door onze goede Heer. Het kan zeker niet voldoende in ons hart gegrift zijn, dat we hulpeloos en machteloos zijn op eigen kracht, maar we weten ook, dat de Heer ons in goedheid aanziet. Het is belangrijk om beide feiten in gedachten te houden om voor hoogmoed en moedeloosheid bewaard te blijven.
Bij de eik van Tabor – Elon-Tabor1
Sauls volgende bestemming is een eik, die de naam Tabor draagt. Het contrast met de vorige locatie kan nauwelijks groter zijn. Het graf herinnert aan de dood en daarmee aan de menselijke zwakheid (vgl. 1 Kor. 15:43). De eik, een gedrongen boom met diepe wortels, staat symbool voor kracht. Gaan zwakte en kracht samen? Jazeker! Paulus zegt: “… want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2 Kor. 12:10). Het is eenvoudigweg zo, dat de kracht van de Heer overvloedig stroomt naar hen die hun zwakheid erkennen.
Voor de drie mannen die Saul daar ontmoet, is de terpentijnboom slechts een tussenstop op weg naar Bethel. Bethel herinnert aan Jakob en Rachel, want Rachel stierf nadat ze Bethel hadden verlaten (Gen. 35:16). En voordat ze in Bethel aankwamen, speelde een eik (terpentijnboom)2 een cruciale rol: Jakob begroef daar de vreemde goden zodat hij in Bethel een altaar voor God kon bouwen (Gen. 35:1-5). In Bethel zelf ervoer Jakob opnieuw hoe God zich aan hem openbaarde, de God die hem tijdens hun vlucht onvoorwaardelijke beloften had gegeven.
Zal Saul zijn plicht als koning nakomen? Dan moet niet alleen zijn ego naar de achtergrond verdwijnen, maar moet God ook het centrum van zijn leven worden. Hij moet gemeenschap hebben met een heilig God. Dit is echter alleen mogelijk als hij het kwaad uit zijn leven en zijn familie verwijdert, zoals Jakob had gedaan. Maar dat is niet alles. De drie mannen die hij ontmoet, hebben hem ook iets te bieden. Hij moet daarom niet alleen afwerpen wat God mishaagt, maar ook bezitten wat God behaagt. De wet van Mozes stelt immers al, dat men niet met lege handen voor God mag verschijnen (Deut. 16:16).
Wij christenen moeten onze heilige gemeenschap met God koesteren, die onze aanbidding waardig is. Dit is het uitgangspunt voor elke dienst die de Heer kan erkennen.
Net als bij het eerste teken ervaart Saul hier de goedheid van anderen. Twee broden worden in zijn lege handen gelegd, die hij zeker als proviand voor zijn reis kon gebruiken. Samuel had de nieuwe koning uitdrukkelijk opgedragen dit geschenk aan te nemen (vs. 4), wat blijkbaar niet helemaal overeenkwam met zijn verwachtingen.
Bij de heuvel van God
Het derde teken vond plaats bij de heuvel van God, waar profeten gewoonlijk samenkwamen. Maar ook de Filistijnen hadden voet aan de grond gekregen op deze heuvel. Wat moest Saul nu doen? Hij was tot koning gezalfd om tegen de Filistijnen te strijden (1 Sam. 9:16). Zou het daarom niet gepast zijn om een aantal mannen bijeen te brengen om de strijd aan te gaan tegen deze hardnekkige vijanden? Nee. Samuel had hem opgedragen om naar de stad te gaan en een groep profeten te ontmoeten. Profeten spreken het Woord van God. En aandacht schenken aan dit Woord en ernaar handelen was de voorwaarde om de strijd tegen de Filistijnen te winnen!
De profeten worden niet voorafgegaan door gewapende soldaten, maar door mensen die hun vreugde uiten met muziekinstrumenten en lofzangen zingen voor God. Zij kunnen zich al bij voorbaat verheugen over de overwinning, omdat zij de grote God kennen. Deze verbinding tussen de profeten en degenen die God prijzen, wordt prachtig geïllustreerd in de geschiedenis van Josafat, aan wie God een enorme overwinning op zijn vijanden schonk (2 Kron. 20:20-23).
Maar Saul krijgt niet alleen te zien hoe belangrijk de profetische dienst is voor zijn koninkrijk en de strijd tegen de Filistijnen, hij mag ook zelf de kracht ervaren die profeten in hun dienst drijft. Hij wordt door de Geest van God veranderd in een ander mens en begint te profeteren. Dit is het laatste wat Saul op deze gedenkwaardige dag door Gods hand ervaart, en het is tevens het belangrijkste.
Bij de drie tekenen zien we een toename in zowel het aantal mensen, dat Saul ontmoette als in wat Saul meemaakte. Bij het eerste teken ontmoette hij twee mannen en werd hem verteld, dat hij zijn moeizame zoektocht kon staken. Bij het tweede teken kruisten drie mannen zijn pad en ontving hij iets van hen. Bij het derde teken ontmoette hij een grote groep mannen en ervoer hij, dat hij onder de leiding van de Heilige Geest stond. God was nu met hem.
Pas nadat dit alles is gebeurd en Saul heeft geleerd over zichzelf, over God en over zijn vijanden, moet hij iets doen: “En het zal gebeuren als deze tekenen u overkomen, doe dan wat uw hand vindt, want God zal met u zijn” (1 Sam. 10:7).
Wat een belangrijke les voor elke dienaar vandaag! Een dienaar weet misschien, dat hij een specifieke taak heeft en herkent duidelijk de behoeften onder Gods volk, maar dat alleen is niet genoeg om onder Gods zegen vooruit te komen. Er moeten voorwaarden worden vervuld, voordat we God aan onze zijde hebben. Paulus schrijft aan de Filippenzen: “Wat u geleerd, ontvangen, gehoord en gezien hebt in mij, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn” (Fil. 4:9).
De test in Gilgal
Het lijkt erop, dat Sauls ontmoeting met Samuel in Gilgal direct volgt op de drie tekenen (vs. 8). Maar dat is niet het geval. Wat er in Gilgal gaat gebeuren, is geen nieuw teken voor Saul ter voorbereiding op het koningschap, maar een test of hij zijn lessen goed heeft geleerd. Saul zal in Gilgal in wezen drie vragen krijgen voorgelegd, en zijn antwoord zal onthullen of hij de lessen van de drie tekenen zich heeft eigen gemaakt: Is hij bereid te wachten en zelf niets te doen? Begrijpt hij, dat God geëerd wil worden door offers die Hem welgevallig zijn? Is hij bereid te luisteren naar de profeet Samuel?
Het is geen toeval, dat Gilgal voor deze test werd gekozen. In Gilgal werden de Israëlieten besneden na de oversteek van de Jordaan. Besnijdenis houdt in, dat de voorhuid, die mannen van nature bezitten, met een mes wordt verwijderd, een zinnebeeld van oordeel. Besnijdenis symboliseert dus dat God de mens moet oordelen zoals hij van nature is. Zal Saul dit alles begrijpen en zal hij ernaar handelen?
Na enige tijd breekt het uur van de beproeving aan (1 Sam. 13:8-15). Saul bevindt zich in Gilgal en bevindt zich in een hachelijke situatie. Een groot Filistijns leger staat klaar voor de strijd, terwijl slechts een handjevol bevende Israëlieten zich achter Saul verschuilt (1 Sam. 13:5,7). Het is duidelijk, dat hij nu in Gilgal op Samuel moet wachten. Aanvankelijk doet hij dat, maar zijn volharding “brengt geen volkomen resultaat voort.” Uiteindelijk brengt hij zelf een ongeoorloofd offer.
Daarmee bewijst hij, dat hij op zijn eigen wijsheid vertrouwt en dat de les bij Rachels graf niet in zijn hart is doorgedrongen. Hij heeft ook niet begrepen, hoe hij God op de juiste wijze moet eren, zoals hem bij de terebint van Tabor werd getoond. Voor hem is het offer weinig meer dan een magisch-religieuze handeling bedoeld om onheil af te wenden (1 Sam. 13:12), en hij onderschat het belang van gehoorzaamheid (vgl. 1 Sam. 15:22). Hij negeert ook de onderwijzing van de heuvel van God, want hij schenkt geen aandacht aan Samuel, de profeet van God.
Als Saul gehoorzaam was geweest, zou hij hebben bewezen dat hij zijn les had geleerd, en God zou zijn koningschap hebben bevestigd. Maar nu kondigt Samuel aan, dat Sauls koningschap niet lang zal duren en brengt hij zijn opvolger David in beeld (1 Sam. 13:13-14).
Het vervolg van het verhaal van Saul laat zien, dat hij zijn eigenzinnige koers niet opgaf. Integendeel, hij raakte steeds meer verstrikt in trots, eigenzinnigheid en ongehoorzaamheid, totdat hij uiteindelijk een vreselijk einde vond op de berg Gilboa: daar werd hij door de Filistijnse boogschutters de dood ingejaagd. Hij werd het slachtoffer van de vijanden die hij had moeten overwinnen, en over wie hij had kunnen zegevieren als hij de lessen van die gedenkwaardige dag had geleerd en ernaar had geleefd!
Saul en Saulus
Laten we nog eens kijken naar Sauls naamgenoot in het Nieuwe Testament, Saulus van Tarsus. Uiterlijk zijn er veel overeenkomsten tussen deze mannen. Beiden waren Benjaminieten, kwamen uit bevoorrechte milieus, bezaten goede natuurlijke eigenschappen en onderscheidden zich van de massa (Saul door zijn lengte en Saulus door zijn geleerdheid). Maar innerlijk waren de verschillen zo groot als maar mogelijk was.
Saul werd op die gedenkwaardige dag veranderd in een ander mens, tot grote verbazing van zijn tijdgenoten (1 Sam. 10:6,11). Maar deze verandering was slechts tijdelijk; Saul bleef wie hij was: een man zonder relatie met God. Zijn droevige leven eindigde uiteindelijk met zijn wanhopige daad, waarbij hij zich op zijn eigen zwaard wierp. Saulus van Tarsus werd ook veranderd in een ander mens, en de mensen waren eveneens verbaasd over hem (Hand. 9:21). Maar in Sauls geval was het een innerlijke en daarom blijvende verandering. Saulus werd Paulus, wat ‘de kleine’ betekent, terwijl Saul in zijn eigen ogen nooit klein werd. In tegenstelling tot Saul stierf Saulus als martelaar door het zwaard van een ander.
Saulus, ook bekend als Paulus, had begrepen en in praktijk gebracht wat Saul op die gedenkwaardige dag moest leren. Een blik op het derde hoofdstuk van Filippi – en het is precies in dit hoofdstuk, dat Paulus zijn natuurlijke sterke punten noemt – bevestigt dit. Hij vertrouwde niet op het vlees (vs. 2), zocht intensief de gemeenschap met zijn Heer (vs. 10) en diende God in de kracht van de Heilige Geest (vs. 3). Kan dit niet direct in verband worden gebracht met de drie stadia die Saul doormaakte? En het beeld is compleet wanneer we Sauls beproeving in Gilgal, de plaats van de besnijdenis, in ogenschouw nemen, en het feit dat Paulus zichzelf, in geestelijke zin, tot de “besnijdenis” rekent (vs. 3).
Op wie lijken wij, Saul of Saulus? Als we in de voetsporen van de apostel willen treden, moeten we de lessen van die gedenkwaardige dag uit het eerste boek van Samuel ter harte nemen en ze niet, zoals Saul, negeren.
© www.bibelstudium.de; Gerrid Setzer
Online in het Duits sinds 04.03.2021
[Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het maandblad “Ermunterung und Ermahnung” in 2006; het artikel is herzien, www.imglaubenleben.de]
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW