2 maanden geleden

De eerste decennia van het christendom (37)

Handelingen 17 vers 32-34; 18 vers 1-11

Hoofdstuk 17 vers 32-34

Vers 32-34

Paulus besloot zijn toespraak in Athene met de verkondiging van drie grote feiten:

  1. God beveelt nu alle mensen, waar ook ter wereld, zich te bekeren;
  2. God zal op een bepaalde dag de wereld in gerechtigheid oordelen;
  3. God heeft een Man tot rechter aangesteld, en Hem uit de doden opgewekt als zeker bewijs van dit feit.

“Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen; en anderen zeiden: Wij zullen u daarover nog wel eens horen.” Deze laatste groep leek op de landvoogd Felix die tot Paulus zei: “Gaat nu maar weg, als ik echter weer gelegenheid heb, zal ik u bij mij roepen“ (Hand. 24:25). Sommigen kwamen tot geloof, onder wie Dionysius de Areopagiet, en een vrouw genaamd Dámaris. Maar het was slechts een klein aantal; het evangelie vond geen gunstige bodem onder de intellectuelen van Athene.

De prediking van het evangelie openbaart zowel degenen die gered moesten worden als de overigen die de genade in ongeloof verwierpen. In 2 Korinthe 2, vers 15 en 16, zegt de apostel: “Want wij zijn voor God een welriekende reuk van Christus in hen die behouden worden en in hen die verloren gaan; voor de laatsten wel een reuk uit [de] dood, maar voor de eersten een reuk uit [het] leven tot [het] leven”.

Ieder mens is verantwoordelijk om te geloven; God beveelt alle mensen zich te bekeren. Hij “wil1 dat alle mensen behouden worden en tot kennis2 van [de] waarheid komen” (1 Tim. 2:4). God heeft niemand bestemd om verloren te gaan. In Romeinen 2 vers 5 lezen we dat de onboetvaardige mens toorn voor zichzelf ophoopt. God verdraagt met veel lankmoedigheid de vaten van de toorn, die door de zonde tot verderf toebereid zijn (Rom. 9:22), terwijl in het volgende vers uitdrukkelijk staat dat God de vaten van de barmhartigheid tevoren tot heerlijkheid heeft bereid. Wanneer iemand gelovig wordt, weet hij dat hij zijn redding te danken heeft aan de genade van God en aan het feit dat God boven alles staat. De geredde kan zeggen: Ik ben uitverkoren. Maar niemand mag beweren dat hij dat niet is. Zolang een mens leeft, is hij verantwoordelijk om te geloven om gered te worden.

Hoofdstuk 18

Verse 1-4

Van Athene ging Paulus naar Korinthe, een stad die gekenmerkt werd door filosofie, rijkdom en verderf. De boodschapper van de Heer ging deze stad van de wereldrijken en wijzen binnen, niet overeenkomstig haar glans, maar met de kenmerken die de Heer die hem gezonden had hier op aarde had geopenbaard.

De verordening van Claudius, volgens welke alle Joden zich uit Rome moesten verwijderen, had ertoe geleid dat Paulus een verblijfplaats had gevonden bij Aquila en Priscilla. – Jaren tevoren had een verordening van keizer Augustus Jozef en Maria naar de plaats geleid waar Jezus geboren zou worden. God heeft alle middelen tot Zijn beschikking om Zijn raadsbesluiten te vervullen. – Paulus verbleef nu bij deze gelovigen, die hij later zijn “medearbeiders in Christus Jezus” noemde; zij namen dus actief deel aan het werk onder de heiligen. Bij een bepaalde gelegenheid, misschien bij het oproer te Efeze (hfdst. 19), hadden zij zelfs hun eigen leven gewaagd voor de apostel (Rom. 16:3,4). Van Korinthe reisden zij met Paulus naar Efeze. De gemeente was in hun huis (1 Kor. 16:19). Daarna ontmoetten zij elkaar te Rome (Rom. 16:3); van Rome keerden zij terug naar Asia en ontvingen daar een groet van de apostel door Timotheüs (2 Tim. 4:19). Zij waren tentenmakers; en Paulus oefende met hen hetzelfde beroep uit als een eenvoudige arbeider. Bij de Joden was het gebruikelijk dat jongeren een vak leerden, ongeacht het soort onderwijs dat zij hadden genoten.

“En hij sprak op elke sabbat in de synagoge en overtuigde zowel Joden als Grieken.” De gedachten die ons worden aangereikt door het eenvoudige relaas van de paar openingsverzen van dit hoofdstuk, worden uitvoerig uitgewerkt in de Brief aan de Korinthiërs. De grote apostel, die onmiddellijk zijn goddelijke Meester opvolgde, stelde zich te Korinthe voor in dezelfde nederigheid en armoede die ook Hem kenmerkte Wiens navolger hij was. God wilde de sterken door het zwakke te schande maken. Maar dit zwakke ding noemt de Schrift “het zwakke van God” (1 Kor. 1:25) en verklaart het voor sterker dan de mensen. Paulus zei later: “Want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God3, tot afbreking van bolwerken; daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangen nemen tot de gehoorzaamheid van Christus” (2 Kor 10:4,5). Alle macht is aan Gods zijde; daarom heeft Hij geen werktuigen nodig die zich veel verbeelden; de enige voorwaarde is dat zij zich aan Zijn hand onderwerpen. De mens is zwak; hij heeft grote middelen nodig om kleine dingen te doen. Gods kracht daarentegen werkt met zwakke middelen om grote dingen te doen.

Vers 5-11

Nu keerden Silas en Timotheüs naar de apostel terug; hij had Timotheüs naar Thessalonika gezonden om de heiligen te versterken en te bemoedigen. Hun terugkeer stelde de apostel gerust over de Thessalonikers die hem zorgen baarden. Die gelovigen waren jong in het geloof en toen hij hen had verlaten, waren zij aan grote vervolging blootgesteld. Hij vreesde dat hun geloof aan het wankelen zou zijn gebracht door de beproevingen die zij hadden ondergaan. Timotheüs bracht echter goed nieuws over hun geloof en liefde. Daarom kon Paulus hun schrijven: “Daarom, broeders, zijn wij in al onze nood en verdrukking over u getroost door uw geloof; want nu leven wij, als u vaststaat in [de] Heer” (1 Thess. 3:7,8). Hieruit kan men opmaken hoezeer de apostel de liefde van Christus voor Zijn gemeente verwerkelijkte. Hun toestand, hun opvoeding, hun goede praktische toestand, hun gevaren – dit alles was het voorwerp van zijn zorg. Hij zegt in 2 Korinthe 11 vers 28 en 29: “… behalve wat van buiten komt, overvalt mij dagelijks de bezorgdheid over al de gemeenten. Wie is zwak, en ik ben niet zwak? Wie vindt aanleiding tot aanvallen, en ik brand niet?”

Wij leven nu hier op aarde in de laatste dagen van die gemeente, die Paulus met zoveel liefde en opoffering heeft opgebouwd. Hoe moeten wij door zijn voorbeeld worden aangespoord tot een grotere belangstelling voor deze gemeente te midden van het verval, zonder het werk van de evangelisatie te verwaarlozen. De resultaten van dit laatste werk zijn opvallender dan de resultaten van opbouw en het vasthouden aan de waarheid in de gemeente.

Toen Silas en Timotheüs uit Macedonië kwamen, werd Paulus omtrent het Woord onder druk gezet. Het Woord is het wapen van God in de strijd; het moet inderdaad het hart van Gods dienaren aansporen. Het zou dit effect ook op iedere gelovige moeten hebben.

Onder deze drang getuigde de apostel aan de Joden, dat Jezus de Christus was. Daar zij Hem verworpen hadden, was dit de waarheid die zij moesten aanvaarden om gered te worden. Aan de heidenen in Athene had Paulus de hun onbekende God verkondigd.

Maar de Joden verzetten zich en lasterden. De apostel, die hen eerst in zijn prediking in alle plaatsen had aangesproken, liet hen nu over aan hun weerstand tegen Christus. Bij de kruisiging riepen zij uit: “Zijn bloed over ons en over onze kinderen!” (Matth. 27:25). Maar hier riep de apostel hen toe: “Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; van nu af zal ik naar de volken gaan.” De apostel was voortaan ontheven van zijn verantwoordelijkheid jegens de Joden (verg. Ezech. 3:16-21). Door het getuigenis van Petrus te verwerpen, hadden de Joden de oprichting van het koninkrijk verspeeld; want als zij berouw hadden gehad, zou Christus zijn teruggekomen. Door het evangelie dat Paulus hun verkondigde te verwerpen, verloren zij ook de voorrechten van het christendom. De rivier van genade keerde zich van hen af en stroomde naar de volken.

Paulus kwam nu “in [het] huis van iemand genaamd <Titius> Justus.” Dit kenmerkte de positie die Paulus voortaan innam ten opzichte van de Joden. “Crispus nu, de overste van de synagoge, geloofde [in] de Heer met heel zijn huis”; en ook velen van de Korinthiërs, toen zij dit hoorden “geloofden en werden gedoopt.” Dit resultaat zou de apostel hebben kunnen doen vermoeden, dat zijn werk in die stad voltooid was; het zou hem ertoe hebben kunnen brengen elders heen te gaan om daar het evangelie te verkondigen. We hebben eerder gezien dat de Heer verschillende middelen gebruikt om zijn dienaren te leiden. In Korinthe, waar het werk nog lang niet voltooid was, zei de Heer in een nachtgezicht tot Paulus: “Wees niet bang, maar spreek en zwijg niet, want Ik ben met je, en niemand [de hand] aan je slaan om je kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad.” De apostel kreeg te maken met vervolgingen zoals hij die in andere steden had ondergaan. Maar als de Heer, totdat Zijn werk gedaan was, de haat van de mensen in toom hield, was niemand in staat Zijn dienaren aan te raken.

Nog voordat een Justus en een Crispus tot geloof waren gekomen, had de Heer al de grote gemeente voor Zich gezien, die zich later in deze stad zou vormen. Dit doet denken aan Psalm 139 vers 16, waar gezegd wordt: Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien, en zij alle werden in Uw boek beschreven, de dagen dat zij gevormd werden, toen er nog niet één van hen bestond.” De apostel bleef een jaar en zes maanden in Korinthe, lang genoeg om alle mensen, die leden van het lichaam van Christus zouden worden, door de boodschap van het evangelie tot leven te verwekken.

Behalve de vervolging had Paulus nog een andere reden om te vrezen; hij voelde zijn zwakheid tegenover de menselijke wijsheid, die tegenover de wijsheid van God stond. Hij zegt in 1 Korinthe 2 vers 3-5: “En ik was bij u in zwakheid, in vrees en in veel beven; en mijn woord en mijn prediking [bestond] niet in overredende woorden van wijsheid, maar in betoon van [de] Geest en van kracht, opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van mensen, maar in [de] kracht van God.” In die omgeving, waar de wijsheid van de mens zozeer werd geëerd, had hij zich voorgenomen niets anders te weten dan Jezus Christus, en Hem als gekruisigd. Onderhandelen met de “mens” aan wie God aan het kruis een einde maakte, leidt nergens toe. Het kruis is het fundament waarop het hele werk van God rust ten gunste van een verdorven en schuldige wereld. Daarom moet men beginnen met de verkondiging van het kruis, als God Zijn werk wil volbrengen. Want alleen door het werk aan het kruis, dat Hem verheerlijkte, werd het voor Hem mogelijk de zondaar te vergeven en hem in te voeren in de zegeningen van het christendom. Door de waarheid van God te verkondigen, plaatste de apostel zich dus niet op de lage bodem die de menselijke wijsheid, die haar einde vond aan het kruis, hem wilde opleggen. Integendeel, hij deed wat de Heer tot hem zei: “Spreek en zwijg niet, want Ik ben met je.” Toen de apostel, die geen afgoden verkondigde maar de ware God Die alle dingen gemaakt heeft, er niet voor terugdeinsde de mensen te vertellen, dat deze God Zich in het vlees had geopenbaard om Zich in genade bekend te maken aan Zijn gevallen schepselen, dat Hij onder de mensen was gekomen in de Persoon van Zijn Zoon, en dat de Zoon vervolgens was gekruisigd en zo voor hen tot verlossing was geworden. Voor de Grieken was dit dwaasheid, maar “voor de geroepenen zelf” was Christus “de kracht van God en [de] wijsheid van God” (1 Kor. 1:24).

 

NOTEN:
1. ‘Willen’ in vers 4 (thélo) drukt meer een verlangen óf voornemen uit; in vers 8 is het een sterker woord (bolomai) dat meer een beslist wilsbesluit uitdrukt.
2. Dit is volle kennis: de waarheid erkennen en tot zijn geestelijk eigendom maken; zo ook ‘kennen’
in 4 vers 3.
3. Dit is ‘buitengewoon krachtig.’

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1961 – Bladzijde 7; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW