48 minuten geleden

Abraham (8)

De almachtige God en het eeuwige verbond (Gen. 17)

Abraham luistert naar Gods openbaring (vs. 1-2)

In de brief aan de Hebreeën lezen we van Abraham: “En zó, door geduld te hebben, verkreeg hij de belofte” (Hebr. 6:12-15). Het verhaal van Hagar en Ismaël laat zien, dat Abraham, onder druk, zijn geduld verloor. Dit bericht eindigt met de verklaring: “Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël bij Abram baarde” (Gen. 16:16). Nu lezen we: “Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram” (Gen. 17:1). Dertien jaar lang hield Abraham vol. Gedurende deze jaren lezen we, dat er geen openbaring aan Abraham werd gegeven. God wachtte tot alle hoop om de zegen door eigen kracht te verkrijgen was vervlogen.

Abraham moest de nutteloosheid van zijn eigen pogingen om de beloofde erfgenaam te verkrijgen zelf ervaren. Hij moest ook wachten tot hij 99 jaar oud was. Zo besefte hij zijn volkomen machteloosheid. Pas toen verscheen de Heer opnieuw aan Abraham en openbaarde Zichzelf als “God de Almachtige” (vs. 1). Schrijvers hebben erop gewezen, dat deze openbaring aanzienlijk verder ging dan vroegere mededelingen. In Genesis 15 vers 1 lezen we, dat God Zichzelf aan Abraham openbaarde als “een schild, uw loon zeer groot.” Daar was het een openbaring van wat God voor Abraham was. Hier is het een openbaring van wat God in Zichzelf is.

De Heer verbindt deze openbaring met de woorden, die Hij tot Abraham spreekt: “Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht” (vs. 1). Hoewel Abraham een ​​man van waar geloof en volharding was, had hij gefaald in zijn geloof toen hij naar Egypte ging. En in de zaak met Hagar had hij gefaald in zijn volharding. Nadat hij zijn zwakheid had leren kennen, mocht hij erkennen, dat God Almachtig is. Als God inderdaad Almachtig is, dan zullen Gods voornemens en beloften ongetwijfeld vervuld worden, hoe onmogelijk de vervulling ervan ook mag lijken voor de menselijke natuur, onze ogen en het vlees. Abraham hoeft zich alleen maar te herinneren, dat God Almachtig is. Dan verdwijnt elke moeilijkheid onmiddellijk. Elke hindernis wordt overwonnen. En in stil geloof en volharding is Abraham in staat te wachten op God, Die op Zijn eigen tijd zal handelen. Abraham verwacht niets meer van zichzelf. Alles hangt af van God – van begin tot eind. Zo kan God zeggen: “Ik zal Mijn verbond sluiten tussen Mij en u, en u uitermate talrijk maken” (vs. 2). Wij kunnen zeggen: “Als God het wil.” Wie, behalve de almachtige God, kan werkelijk zeggen: “Ik wil!”?

Op het aangezicht neervallen voor God (vs. 3)

Het effect van deze nieuwe openbaring op Abraham is opvallend. Toen het Woord van de Heer tot Abraham kwam in een visioen, waarin Hij aan Abraham openbaarde wie Hij was, dacht Abraham onmiddellijk aan zichzelf. En in vreugdevol vertrouwen sprak hij met God, waarbij hij zijn behoeften en moeilijkheden deelde. Nu, toen God persoonlijk aan Abraham verscheen en openbaarde wie Hij werkelijk is, viel Abraham als een luisteraar op zijn aangezicht. En God sprak tot hem. Abraham besefte zijn eigen onwaardigheid in de aanwezigheid van Gods grootheid. En onmiddellijk nam hij de nederige plaats op zijn gezicht in. De eerdere mededelingen hadden Abraham ertoe gebracht aan zichzelf en zijn behoeften te denken. Deze openbaring bracht hem er echter toe aan God te denken. Tegelijkertijd werd Abraham gevormd op een wijze die overeenkwam met Degene Die wist hoe in zijn behoeften te voorzien: hij leefde een leven voor God en was volkomen.

Wat zijn dit toch prachtige, praktische voorbeelden van gezegende gemeenschap tussen God en de gelovige! God brengt Abraham eerst tot de overtuiging dat God voor hem is, zodat Abraham met God kan spreken. Vervolgens wordt Abraham op de nederige plaats voor God gebracht, zodat God met hem spreken kan.

In onze tijd hebben we deze verschillende openbaringen van God nodig en ontvangen we ze ook. We moeten weten wat God voor ons betekent in Zijn genade en liefde. En zulke kennis leidt tot een prachtige intimiteit en gemeenschap met God, waardoor we onze behoeften aan Hem kunnen voorleggen, in relatie tot al onze moeilijkheden en beproevingen.

Maar we hebben ook de openbaring van wat God in Zichzelf is als Vader. Deze openbaring leidt ons tot het ware besef van onze nietigheid voor Hem. Tegelijkertijd verheugt ons hart zich in Hem die het aanschouwt. En we worden steeds meer gelijk aan Hem naar wie we kijken. We worden “worden naar hetzelfde beeld veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid” (2 Kor. 3:18).

Of het nu in Abrahams tijd is of in onze tijd, een juiste waardering van de openbaring van alles wat de Heer is, leidt ons ertoe meer op Hem te gaan lijken. In die zin zouden we ons leven voor de Heer moeten leiden en naar volmaaktheid moeten streven.

Boodschappen van God ontvangen (vs. 4-8)

Dan zullen we de zegen van deze boodschappen van God mogen horen. Want God spreekt tot Abraham.

  1. Aan Abraham wordt verteld, dat Gods genade zich ook tot de volken zou uitstrekken. Als God almachtig is, kan Hij elk obstakel overwinnen en de mensen uit de volken zegenen.
  2. In verband met de openbaring van God als de Almachtige, wordt Abrams naam veranderd: hij wordt niet langer Abram (“verheven vader”) genoemd, maar Abraham, wat “vader van een menigte” betekent. Zo eert God zijn dienaar.
  3. Aan Abraham wordt verteld, dat hij zeer, zeer vruchtbaar zou zijn. Niet alleen zouden de volkeren door Abraham gezegend worden, maar door hem zou er ook vrucht voor God op aarde ontspruiten.
  4. Terwijl de volken gezegend zouden worden, zouden Abraham en zijn nakomelingen in de nauwste gemeenschap met God leven. “Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u,” (vs. 7a) zegt God. En dit verbond zal een eeuwig verbond zijn, waardoor God Zichzelf verbindt om de God van Abraham en zijn nakomelingen na hem te zijn.
  5. God sluit niet alleen een eeuwig verbond, maar verzekert Abraham en zijn nakomelingen ook van “een eeuwig bezit.”

Verantwoordelijkheid jegens God (vs. 9-17)

Dit zijn dus enkele van de zegeningen van het eeuwig verbond, dat God met Abraham sluit. Het verbond onthult Gods vaste voornemen om te zegenen, want zeven keer in de loop van deze uitspraken zegt God: “Ik zal … .” Abraham leert nu ook nog, dat God een antwoord zoekt op Zijn genadebewijs in het leven van de gelovige. Abraham moet voor het aangezicht van God wandelen en volmaakt zijn.

Van ons christenen wordt niet verwacht, zoals het Abraham ook niet gezegd werd, een goede levenswandel te leiden om Gods zegen te ontvangen. Maar we moeten ons leven wel zo leiden, dat het God welgevallig is, omdat we gezegend zijn. Om zo te leven en volmaakt te zijn voor God, is afhankelijkheid van God en Zijn almachtige kracht nodig. Maar dit betekent, dat we het vlees volledig moeten verwerpen. Daarom werd de besnijdenis ingesteld als een teken, dat de daden van het vlees moeten worden gedood als we een volmaakt leven voor God willen leiden. In Genesis 15 wordt de dood geïntroduceerd als basis voor de rechtvaardiging. Hier vinden we de verwerping van het vlees door wat spreekt over de dood van het vlees, zodat we een heilig leven kunnen leiden.

Als God zich ertoe verbindt te zegenen door Zijn almachtige kracht, dan mogen wij aan de andere kant geen vertrouwen stellen in het vlees, noch de activiteiten ervan accepteren. Voor de gelovige van vandaag is de besnijdenis er een van “[het] hart, naar [de] geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God” (Rom. 2:29). Het verwerpen van het vlees betekent niet een uiterlijke verwaarlozing van het lichaam, wat ongelovigen ook zouden kunnen doen, maar veeleer het verwerpen van het vlees in al zijn innerlijke activiteiten in het hart – zijn zelfvertrouwen, zijn zelfingenomenheid, zijn ijdelheid en zijn begeerten – als datgene wat aan het kruis veroordeeld werd (Kol. 2:11).

In deze context (Gen. 17:14) worden we er op ernstige wijze aan herinnerd, dat een gelovige die zijn vlees veroorlooft te werken, tijdelijke tuchtiging zal ondergaan in Gods regeringshandelen, en zelfs dat hij, wat deze aarde betreft, van Gods volk zal worden uitgesloten.

Sara wordt samen met Abraham gezegend en haar naam wordt bovendien adelijk veranderd. Abrahams hart wordt hierdoor vervuld van vreugde. Want het gelach in dit gedeelte spreekt ongetwijfeld van vreugde, niet van ongeloof.

Bidden tot God (vs. 18-21)

Abraham bidt vervolgens voor Ismaël, en God verhoort dit gebed. Niettemin herinnert God Abraham er tweemaal aan, dat Hij een verbond sluit met Abrahams beloofde nakomeling, die Izak zal heten (vs. 19,21).

Uit Romeinen 9 vers 6-9 kunnen we afleiden, dat Ismaël ons het beeld schetst van het grote ongelovige deel van het volk Israël. Daar lezen we: “Want niet allen zijn Israël die uit Israël zijn; evenmin, omdat zij Abraham’s nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen; maar ‘in Izaäk zal uw nageslacht worden genoemd’.” De ongelovige massa van het volk zijn kinderen van Abraham naar het vlees. En alleen het gelovige overblijfsel zijn de ware afstammelingen volgens de belofte. Niettemin zouden zelfs de kinderen naar het vlees zeer talrijk zijn op aarde.

Het nakomen van Gods verbond (vs. 22-27)

Nadat deze belangrijke boodschap was overgebracht, verliet God Abraham en steeg op naar de hemel. Abraham zorgde ervoor, dat hij diezelfde dag nog het verbond nakwam en de besnijdenis uitvoerde. Hij bracht het Woord, dat hij had gehoord in praktijk en handelde in overeenstemming met de openbaring die God hem over Hem had gegeven.

 

Hamilton Smith; © www.bibelpraxis.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW