Lukas 12 vers 16-17: “Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op; en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.”
Is het dan een zonde als iemand met succes zijn akkerbouw of een bedrijf runt? Als God iemands arbeid zegent, zou die persoon zich dan niet moeten verheugen? Zeker; maar beschouw hier de morele ontwikkeling van een hebzuchtig hart: “Hij overlegde bij zichzelf.” Hij dacht niet in de tegenwoordigheid van God; noch stonden zijn gedachten onder de krachtige invloed van de eeuwigheid. Nee, “Hij overlegde bij zichzelf.” – in de nauwe grenzen van zijn egoïstische hart; en daarom moeten we ons niet verwonderen over zijn praktische beslissing: “Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.” Wat? Kon hij zijn overvloed niet productief gebruiken met het oog op Gods glorieuze toekomst? Helaas! De mens heeft misschien wel een toekomst, of liever gezegd, hij denkt dat hij die heeft; en hij rekent daarop, en daarvoor werkt en verzamelt hij; maar het eigen Ik is het enige onderwerp, dat daarin een rol speelt – het Ik, of het nu in mijn eigen persoon is of in mijn vrouw of mijn kind, is in wezen hetzelfde. Maar het grote doel van Gods toekomst is Christus; en de ware wijsheid zal ons ertoe leiden onze ogen op Hem gericht te houden en Hem tot ons enige middelpunt te maken, voor tijd en eeuwigheid, voor nu en de toekomst. Maar dit is, volgens het oordeel van een wereldse mens pure onzin; hemelse wijsheid is, volgens het oordeel van aardse wijsheid, niets dan dwaasheid. Onze gelijkenis laat ons zien wat aardse wijsheid is, de wijsheid van hen die leven onder invloed van aardse principes en gewoonten.
Lukas 12 vers 18: “En hij zei: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen.”
Nu weten we dus wat hij “dacht,” wat hij “zei” en wat hij “deed”; en er is een treurige verbinding tussen zijn gedachten, zijn woorden en zijn daden. “Daar,” in mijn zelfgebouwde voorraadschuur ”zal ik alles verzamelen.” Een armzalige voorraadschuur om de hele schat van een onsterfelijke ziel in te bewaren! God speelde geen enkele rol in dit plan; Hij was noch zijn schatkamer, noch zijn kostbaarste bezit. Dat is duidelijk, en zo is het altijd met de mensen van deze wereld.
Lukas 12:19: “en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.”
Hier zien we, dat de rijkdom van een wereldse mens slechts voor “vele jaren” is; en in het beste geval reikt die niet verder dan deze beperkte tijdsspanne. Deze schat kan, zelfs in zijn eigen gedachten, die oneindige eeuwigheid niet bereiken die deze korte tijdsspanne overstijgt; en toch is dit de schat die hij zijn onsterfelijke ziel aanbiedt, opdat zij “rust en vreugde” moge hebben. Een treurige verbintenis! Dwaze schijnvertoning! Hoe volkomen anders is de toespraak die een gelovige tot zijn ziel kan richten. Hij kan tot haar zeggen: “Ziel! Rust, eet, drink, wees vrolijk! Eet van de overvloed van Gods voorraadkamers; drink van de rivier van Zijn vreugde en de wijn van Zijn koninkrijk, en verheug u in het volbrachte werk van Zijn verlossing; u hebt vele goederen, ja, onuitputtelijke rijkdommen, onuitsprekelijk heerlijke schatten, die niet alleen voor ‘vele jaren,’ maar voor de eeuwigheid bewaard zijn. Het voltooide werk van Christus is het fundament van uw eeuwige vrede, en Zijn toekomstige heerlijkheid het zekere en onwrikbare doel van uw hoop.” Dit is een totaal andere manier van spreken, beste lezer. Dit laat zo duidelijk het verschil zien tussen nu en dan. En het is een zeer betreurenswaardige misrekening als we Christus, de gekruisigde, Christus, de verrezen, Christus, de verheerlijkte, de Alfa en de Omega, het begin en het einde, niet centraal stellen in al onze berekeningen. Een toekomst voorstellen zonder Christus op de voorgrond te plaatsen is de meest dwaze roekeloosheid en verblindheid; want zodra God ingrijpt, is het hele schilderij hopeloos verwoest.
Lukas 12 vers 20-21: “God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn? Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.”
En laten we nu de les van dit alles eens bekijken: “Zo is hij” – zowel de gelovige als de zondaar – “voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.” Wie schatten verzamelt, maakt deze schatten min of meer tot zijn god. Zijn hart is gerustgesteld over de toekomst wanneer hij aan zijn rijkdom denkt; maar zonder die rijkdom zou hij rusteloos zijn. Het is ondraaglijk voor de natuurlijke mens om niets in deze wereld te bezitten en alleen van God afhankelijk te zijn; maar geef hem een paar oude papieren met aanzienlijke vorderingen, waarmee hij uiteindelijk door allerlei listen kan worden bedrogen, en hij zal erop vertrouwen; ja, hij zal in vrede sterven, als hij die aan zijn familie kan nalaten. Sluit een levensverzekering voor hem af, geef hem een pensioen of lijfrente, en hij zal daarop vertrouwen; ja, hij zal op deze dingen vertrouwen, maar niet op God. Alles is werkelijkheid voor het natuurlijke hart, behalve de ene ware werkelijkheid. Dit bewijst wat de ware aard van de menselijke natuur, of het vlees, is. Het kan God niet vertrouwen; wel kan het over Hem spreken, maar het kan niet op Hem vertrouwen. Het voornaamste kenmerk van de gevallen, zondige natuur is wantrouwen jegens God; en een van de schoonste vruchten van vernieuwing is het vermogen om in alles op God te vertrouwen. “Wie uw naam kennen, zullen op U vertrouwen” (Ps. 9:11). Niemand anders kan dat.
Mijn voornaamste bedoeling hier is echter om het christelijk geweten aan te spreken. Daarom vraag ik de christelijke lezer heel eenvoudig en ondubbelzinnig: Is het in overeenstemming met de leer van Christus, zoals die ons in de evangeliën is voorgelegd, dat Zijn discipelen schatten hier op aarde zouden verzamelen? Zou een dergelijke bewering niet lijnrecht in tegenspraak zijn met Lukas 12 en soortgelijke passages uit de Schrift? Mattheüs 6 vers 19-20: “Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter1 ze bederft en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in [de] hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen.” Dit is eenvoudig en duidelijk genoeg en zal zeker indruk maken op een oprecht geweten. Het is in directe tegenspraak met de principes van het Koninkrijk van God en volkomen onverenigbaar met waar discipelschap om “schatten op aarde te verzamelen,” in welke vorm of op welke manier dan ook. Zowel hierin als in het “naar het oordeel gaan,” hoeven we, om te weten wat we moeten doen, alleen maar te bedenken, dat we ons in het Koninkrijk van God bevinden. De principes van dit Koninkrijk zijn eeuwig.
© www.soundwords.de; Charles Henry Mackintosh
Online in het Duits sinds: 15.10.2022; geactualiseerd: 23.07.2025.
Originele titel: “Jetzt und dann, oder: Zeit und Ewigkeit” in Botschafter des Heils in Christo, jaargang 6, 1858, bladzijde 48–68.
Engelse originele titel: “Now and Then; or, Time and Eternity, The Substance of a Lecture on Luke 12” in Miscellaneous Writings, Buch.
Engelse bron: www.stempublishing.com
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW