Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 44-47
“Hoe kunt u geloven, u die eer van elkaar aanneemt en niet de eer zoekt die van de enige God [komt]?” (vs. 44).
In 1 Samuel 2 vers 30 vertelde God Eli al dat Hij hen zou eren die Hem eren. Veel gelovige mannen en vrouwen hebben dit ervaren. Een bijzonder mooi en bemoedigend voorbeeld is Maria van Bethanië, die de Heer eert door Zijn voeten te zalven met echte, zeer kostbare nardus – en de Heer eert haar, ondanks de tegenzin van de discipelen, door haar daad een goed werk voor Hem te noemen (Joh. 12:1-8; Matth. 26:6-13).
In wezen zegt de Heer hier tegen de Joden, dat ze van hetzelfde soort zijn als de Antichrist waarover Hij in het vorige vers sprak. Ze hebben elkaar eer ontnomen, en dat is precies wat de Antichrist zal doen. Ze zullen hem aannemen, omdat hij bij hen past, bij hun aard. Voor iemand in deze toestand, met dit karakter, is er geen hoop; daarom zegt de Heer, dat ze niet kunnen geloven, dat ze op weg zijn verloren te gaan.
“Meent niet dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; hij die u aanklaagt is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt” (vs. 45).
Maar het zou niet de Heer Zelf zijn, die als voornaamste getuige tegen hen zou optreden voor de Vader, maar hun eigen geschriften. Ze beriepen zich specifiek op Mozes (vgl. Joh. 9:28-29). En het was juist dit geïnspireerde woord van Mozes, dat ze zo hoog in acht namen, dat hen veroordeelde, omdat in dit woord de Heer Jezus op vele manieren werd aangekondigd. De geschriften van Mozes waren in feite een aanklacht tegen de Joden in twee opzichten:
- Zijn geschriften spreken over Christus, en de Joden verwierpen dit;
- in specifieke passages van de Schrift wordt een getuigenis afgelegd tegen het volk (bijv. Deut. 31:19,26).
Er zijn ook nog twee andere aanklagers, die samen met dit geslacht voor het oordeel zullen verschijnen: de mannen van Ninevé en de koningin van het Zuiden (Matth. 12:41-42). De mannen van Ninevé bekeerden zich in rouwgewaad en as; ze hadden elk gevoel voor hun eigen eer verloren. En de koningin van Sjeba was van verre gekomen om de wijsheid van Salomo te horen – beide zaken stonden ver af van de religieuze leiders van het Joodse volk.
De ongelovige Joden stelden in hun houding Mozes tegenover Christus. Zij vestigden hun hoop op Mozes en het Oude Testament – en sloten en verwierpen daarmee Christus. In hun ogen was Hij niet de centrale inhoud van het Oude Testament, niet de Messias. Maar zonder Zijn Persoon zal geen van de beloften van het Oude Testament vervuld worden; zonder Hem is er geen hoop en geen verlossing voor hen.
De Vader heeft het volledige oordeel in de handen van de Heer Jezus gelegd (vs. 22 en 27), en toch onderwerpt Hij zich hier, in volkomen nederigheid, aan de Schriften van het Oude Testament. De Heer Jezus zal oordelen, maar Hij is niet de aanklager. Mozes zal ook niet persoonlijk voor hen verschijnen op een toekomstige rechtszitting en hen aanklagen; de aanklacht van Mozes komt veeleer voort uit Zijn geschriften.
In deze toespraak tot de Joden noemt de Heer Zijn Vader voor de laatste keer. Hij had Hem voor het eerst genoemd in vers 17, en dit had het verlangen van de Joden om Hem te doden alleen maar versterkt, omdat Hij God tot Zijn Vader had gemaakt. Hoezeer benadrukte de Heer Zijn eenheid met de Vader in de toespraak tussen deze verzen, en hoezeer moet dit de haat van de Joden nog verder hebben aangewakkerd! Maar Hij zou hen niet voor de Vader aanklagen; Hij was de openbaring van Gods genade en had integendeel zelfs voor hen gebeden aan het kruis: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Luk. 23:34).
“Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven, want hij heeft over mij geschreven” (vs. 46).
Hierbij moet men zeker specifiek denken aan Deuteronomium 18 vers 15-18. Deze passage wordt tweemaal in het Nieuwe Testament aangehaald met betrekking tot de Heer Jezus: door Petrus in Handelingen 3 vers 22 en door Stefanus in Handelingen 7 vers 37. En juist deze passage roept de Joden op om niet alleen aandacht te schenken aan wat deze komende Profeet zou doen, maar ook om naar Hem te luisteren. Maar dat deden ze helemaal niet.
Natuurlijk vinden we in de vijf boeken van Mozes ook veel andere verwijzingen en toespelingen op de Persoon van de Heer Jezus. De vroegste verwijzing naar de komende Verlosser vond waarschijnlijk plaats na de zondeval in Genesis 3 vers 15, waar wordt gesproken over het ‘Nageslacht’ van de vrouw die de kop van de slang zal vermorzelen. Ook al spreekt Jakob in zijn zegen over Juda over de komende Silo (de hersteller, de vredestichter), toch hebben we een verwijzing naar de Heer Jezus die uit de stam Juda zou komen (Gen. 49:10). We hebben al veel andere verwijzingen naar de Heer Jezus gezien als we naar vers 39 kijken. We hebben in het Oude Testament zelf een heel concrete aanwijzing, dat een voorbeeld uit het Oude Testament zijn feitelijke vervulling zou vinden in de Persoon van de Heer Jezus in de vermelding van het schuldoffer in Jesaja 53 vers 10.
David besefte, dat de offers zelf geen waarde hadden. Wanneer hij in Psalm 51 vers 18 zegt: “Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen,” dan bewijst hij daarmee, dat hij door te overdenken en te buigen voor het Woord van God meer had begrepen dan God officieel had geopenbaard. Ook Abraham had nog nooit van de opstanding gehoord, maar hij oordeelde, dat God mensen uit de dood kan opwekken (Hebr. 11:19). Wij verbazen ons over het licht, dat zij van God hebben ontvangen vanwege hun eerbied en nederigheid.
“Maar als u zijn geschriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?” (vs. 47).
Wat een eer geeft de Heer Jezus hier aan de geschriften van Mozes, in volledige nederigheid plaatst Hij Zijn Woord onder het woord van Mozes! Wat een Heer! Hij die deze wet gaf als God, komt als Mens naar de aarde, wordt onder deze wet geboren (Gal. 4:4) en acht de wet hoger dan Zijn woorden.
Op dezelfde manier spreekt de Heer in Zijn gelijkenis van de rijke man en Lazarus over het woord van Mozes (Luk. 16:29, 31). Luisteren naar de Schriften die Mozes had nagelaten, was de weg naar verlossing – en dat zou voor de Joden hier ook zo zijn geweest.
De Heer zegt niet, dat ze de geschriften van Mozes moeten gehoorzamen; het gaat niet om het wettige en gezaghebbende karakter van de uitspraken van Mozes, waaraan de mens zich in gehoorzaamheid te onderwerpen heeft. Het gaat om het geloven in zijn geschriften, en geloof gaat veel verder dan louter formele gehoorzaamheid. Volgens hun eigen overtuiging gehoorzaamden ze inderdaad de geboden van Mozes, maar ze geloofden niet, dat Hij die voor hen stond, deze profeet uit Deuteronomium 18 vers 15 was. Er is dus een groot verschil tussen van iets slechts nota nemen en het werkelijk geloven.
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 27.06.2019
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW