3 weken geleden

Paulus (3): Zijn hart

Filippi 1 vers 8

“Want God is mijn getuige hoezeer ik naar u allen verlang met [het] hart van Christus Jezus” (Fil. 1:8).

Hier zien we iets van innige gevoelens van Paulus voor de gelovigen in Filippi en hij roept God aan als getuige. Wie is een grotere getuige dan Hem, Die als enige de harten kent en die ook onze diepste gevoelens kent? Dit toont ons hoe diep en hoe echt de gevoelens van Paulus voor de gelovigen in Filippi waren. En deze gevoelens waren niet louter vriendelijkheid of sympathie, maar dit verlangen met het diepste van zijn hart betekent, dat hij deze wederzijdse genegenheid en gemeenschap krachtig nastreefde. Het Woord geeft ons dus een blik in het hart van de apostel, wiens verlangen naar de Filippenzen was versterkt door het gebed, dat hij met vreugde voor hen allen deed. Enerzijds is hij dus een zeer groot voorbeeld voor ons van wat wij voor elkaar moeten voelen, omdat de Heer ons als de Zijnen op de gemeenschappelijke weg van het geloof heeft geplaatst. Hij heeft ons gekocht door Zijn bloed voor dezelfde kostbare prijs, wij hebben dezelfde God en Vader en de Geest van God woont in ons. Wij hebben hetzelfde leven en behoren daarom samen tot de familie van God.

Maar het laat ons ook zien, dat Paulus hetzelfde voelde als de Heer Zelf. Daarin was hij een navolger van de Heer Jezus. Want wij lezen in de evangeliën telkens weer, dat de Heer vol innerlijke ontferming was, ja, dat Hij innerlijk bewogen was, in het bijzonder toen Hij de nood van het volk zag. En dit vers toont ons nog een ander niveau, dat zeer hartverwarmend is. Want wanneer Paulus zegt: “hoezeer ik naar u allen verlang met [het] hart van Christus Jezus,” dan hebben we hier een concrete aanwijzing, dat de Heer Jezus naar ons verlangt, dat Hij ernaar verlangt ons bij Zich te hebben. Natuurlijk hebben we dit ook indirect uit andere passages wanneer hij spreekt over Zijn wederkomst om ons tot Zich te nemen. Hij zegt tot zijn God en Vader: “Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen” (Joh. 17:24). Maar hier lezen we heel specifiek, dat de Heer Jezus naar ons, de Zijnen, verlangt. Hij wil degenen die Hij kocht voor de prijs van Zijn leven, bij Zich hebben. Hij verlangt naar ons, Hij wacht met vurig verlangen om ons bij Zich te hebben. Het is Gods genade en lankmoedigheid die nog steeds wil, dat mensen gered worden, daarom duurt de tijd van genade nog steeds voort. Maar zodra de laatste gelovige is verzameld, zal de Heer Jezus wederkomen en allen die Hij voor de prijs van Zijn leven heeft gekocht, tot Zich nemen in Zijn heerlijkheid. Wij mogen daarnaar uitzien, maar hier zien wij hoe Híj ernaar verlangt, en dat Hij niet echt zal rusten voordat Hij degenen voor wie Hij geleden heeft en gestorven is, bij Zich heeft op de plaats waar Hij van eeuwigheid af is. Hij verlangt naar ons allen, naar ieder van de Zijnen. Niemand van ons is uitgesloten, niemand van ons hoeft zich te gering te voelen.

Wij moeten ook geen onderscheid maken in onze betrekking met elkaar als gelovigen. Zoals Paulus ook zegt: “… hoezeer ik naar u allen verlang,” niet alleen naar degenen met wie hij zich bijzonder verbonden voelde, of zelfs naar degenen die hem bijzonder sympathiek gezind waren. Maar we zien hier, dat het een echte levensverbinding was, waarin hij leefde en genoot van de gemeenschap met de Filippenzen. Dit mag ons ook kenmerken. De Heer Jezus heeft ons lief en dus moeten wij elkaar liefhebben. “Hieraan zullen allen weten dat u Mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt” (Joh. 13:35). Wij willen ons laten aanmoedigen en uitdagen om ook meer van deze liefde, deze innige genegenheid en dit samenhorigheidsgevoel voor elkaar te ervaren en dit als kinderen van God in de praktijk uit te leven.

 

Wordt DV vervolgd met: “Paulus (4): De omstandigheden werken mee aan de bevordering van het evangelie.”

 

Dirk Mütze

Online in het Duits sinds 29.08.2022.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW