4 weken geleden

Het boek Jozua (02) – De oproep om te vertrekken en in bezit te nemen

Bijbelgedeelte: Jozua 1 vers 2-9:

2. Mijn dienaar Mozes is gestorven. Nu dan, sta op, steek deze Jordaan over, u en heel dit volk, naar het land dat Ik aan hen, de Israëlieten, ga geven.
3. Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven, overeenkomstig wat Ik tot Mozes gesproken heb.
4. Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, heel het land van de Hethieten, en tot de Grote Zee, waar de zon ondergaat, zal uw gebied zijn.
5. Niemand zal tegenover u standhouden al de dagen van uw leven. Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn. Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten.
6. Wees sterk en moedig, want ú zult dit volk het land dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, in erfbezit laten nemen.
7. Alleen, wees sterk en zeer moedig, door nauwlettend te handelen overeenkomstig heel de wet die Mozes, Mijn dienaar, u geboden heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links, opdat u verstandig zult handelen overal waar u gaat.
8. Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken, zodat u nauwlettend zult handelen overeenkomstig alles wat daarin geschreven staat. Dan immers zult u uw wegen voorspoedig maken en dan zult u verstandig handelen.
9. Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat.

God heeft Israël een leider gegeven om hen kennis te laten maken met het hun beloofde bezit, en ter voorbereiding op hun strijd heeft Hij hen in de aansporingen aan het begin van het boek duidelijke beginselen onderwezen die hun resultaat zeker zouden stellen.

Het bestuderen van de Goddelijke vermaningen aan christenen leert ons dat we in de kracht van dat, wat we bezitten, leven of wandelen moeten. God verlangt van zondaars die dood zijn in zonden niet om op Zijn wegen te wandelen. Maar bij ons, aan wie Hij het leven gaf in Christus, toen wij dood waren in zonden, dringt Hij erop aan te wandelen zoals Christus heeft gewandeld. God verwacht niet dat de zondaar in zijn geestelijke verlamming ook nog een rechtvaardig werk doet. Maar aan ons, aan wie Hij kracht gaf door Christus, toen wij in die toestand waren, dringt Hij erop aan: “bewerkt uw eigen behoudenis met vrees en beven; want het is God Die in u werkt, zowel het willen als het werken, om Zijn welbehagen” (Fil. 2:12-13). God stelt Zijn volk in staat om te werken en geeft hen ook het verlangen om dit te doen.

De aansporing aan het begin van het boek Jozua is gebaseerd op het feit, dat Israël het land bezat op grond van beloften van God. Op basis hiervan beval God hen om het in bezit te nemen. De schoonheid van de vlakte van Jericho, bekend om zijn ontelbare bloemen, de rijkdom van de korenvelden, olijfbomen en wijngaarden van Kanaän, en de bergen waaruit ze “erts houwen” zouden, breidde zich voor de ogen van Israël uit. De “waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte” (Deut. 8:7) lagen voor hen. Er was maar één ding nodig om ervan te genieten: ze moesten zich opmaken en het in bezit nemen. Maak je op, geliefd kind van God, en ga de zegeningen in waarmee God ons in Christus heeft gezegend. Alles behoort je toe, maak je op, kom binnen!

Het land aan de overkant van de rivier, dat zich voor de ogen van Israël uitbreidde, was een bewijs van Gods trouw aan Zijn beloften. Wat ze zagen spoorde hen aan. Voor hen lag hun vaderland, met hun rijkdom en genoegens, het geschenk van hun God die hen uit Egypte had geleid.

Wat zal de christen zeggen die een indruk krijgt, hoewel zwak, van zijn geestelijke zegeningen? Hij gaat zitten en denkt na over de woorden: “Gezegend … met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef. 1:3); en wanneer hij daarover nadenkt en zich realiseert dat de zegeningen hem toebehoren, ontwaakt een nieuwe ijver in zijn hart. Hij leest verder en spreekt een oprecht ‘amen’ op het geïnspireerde gebed, “opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem, verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet …” (Ef. 1:17-18).

God trekt het hart naar Hem toe door ons dat voor te stellen wat ons in Christus toebehoort. Maak je op!

Het was de oogsttijd, de tijd van de grootste rijkdommen van het jaar, toen Israël zijn plaats van zegen voor zich zag, maar de Jordaan (“de afdalende”) sloot haar van deze zegen af door zijn onstuimige stroming, want “de Jordaan was helemaal buiten zijn oevers getreden al de dagen van de oogst” (Joz.3:15). De rivier stroomde snel, was breed en diep. Wat moest er nu worden gedaan? Gehoorzamen aan het Woord van de levende God! Ga voorwaarts en laat de moeilijkheden aan God over. “Ik kan me niet echt aan Christus wijden voordat mijn oude familielid sterft”, vertelde een man ons een paar jaar geleden, “want als ik dat deed, zou het haar hart breken”. “Als ik vastbesloten was voor Christus”, zei ons een man onder tranen, “dan zouden mijn vrienden me geen rust geven”. Sta op, ga voorwaarts, vertrouw op God en laat de moeilijkheid aan Hem over.

“Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven”, is een uiterst praktisch woord, want kijken naar de velden was niet van hun vruchten eten, en de bergen bewonderen was niet hun rijkdom te bezitten. De enige voorwaarde voor het feitelijke bezit dat de Heer Zijn volk oplegde, was dat zij het land ook werkelijk binnengingen en hun voeten op het land zetten, dat Hij hun had gegeven.

Het vermogen om leringen of bedelingen te bestuderen en te weten wat deze brief leert en die profeet zegt, is op zichzelf nog geen praktisch geestelijk bezit. Het is niet wat onze ogen opnemen, maar waarop onze voeten staan, dat behoort ons werkelijk toe. Het oog richt de voet, en hoe verder de voet gaat, hoe meer het oog ziet. Het oog omvat een breed gebied, de voet bedekt slechts een kleine plek. En alleen het kleine deel, dat we moeizaam betreden hebben, behoort, wat de verwerkelijking betreft, ons toe.

In Christus behoort ons alles toe. Maar wat ons geestelijk verstand betreft, bezitten we alleen wat we door het onderwijs van de Geest hebben verworven. Echte bezittingen worden alleen ingenomen door degenen die stukje bij stukje terrein winnen door persoonlijke strijd. “Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven”. Zijn we bereid om te zeggen: “Hoe weinig heb ik met mijn voetzool betreden, hoe klein is het gebied dat ik werkelijk veroverd heb?” God is vóór ons. Wees sterk en moedig. Verkrijg de kracht die God geeft. Neem het rechtstreeks uit Zijn hand aan; vermijd die “tweedehands-kennis” die nutteloos is op de dag van nood en die geen kracht geeft op de dag van de strijd. Er zijn betrekkelijk weinig “voet”-veroveraars in de gemeente van God. Velen zijn geografen die de verschillende leerstellingen van de Bijbel kunnen vastleggen; er zijn slecht weinige reizigers die kunnen beschrijven hoe deze en gene zegening is, omdat zij zelf hun kostbaarheid hebben ervaren.

In de raadsbesluiten van God was het bezit van Israël zeer omvangrijk: “Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, heel het land van de Hethieten, en tot de Grote Zee, waar de zon ondergaat, zal uw gebied zijn”. Wel, tot op een zeer korte periode (Joz. 5:1) heeft Israël deze omvang nooit ingenomen; de dag van permanent bezit laat nog op zich wachten. Het deel van de christen in Christus is onmetelijk. Maar de dag van bezit is vandaag, want God, Die ons heeft gezegend met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus Jezus (Ef. 1:3), heeft ons mee doen zitten ​​in Christus in de hemelse gewesten (Ef. 2:6). Maar wat betekent dit “alle”? Zelfs de best onderwezen gelovige leert eenvoudig wat dat betekent, doordat hij dag na dag zich in de waarheid van God verdiept. Hoe meer hij zich realiseert wat de zegeningen zijn, hoe minder zijn begrip ervan hem lijkt, want de gaven van God zijn net zo oneindig als Hijzelf.

Om christelijke ijver te bevorderen is meer nodig dan alleen de kennis dat God ons in Christus elke geestelijke zegening in de hemelse gewesten gegeven heeft. Persoonlijke gemeenschap met Christus over de waarheid van deze hemelse zegeningen is nodig. De Heer zei tegen Jozua: “Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn. Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten”. En de Heer Jezus beloofde hetzelfde aan elke gelovige. Hij zal niet toelaten, dat onze harten zinken. Hij zal ons ondersteunen met Zijn hand. Hij belooft en verzekert ons daarmee van Zijn voortdurende aanwezigheid, Zijn onfeilbare genade en kracht, en geeft ons de verzekering dat Hij ons nooit zal verlaten.

In de voor ons liggende aansporing zijn drie oproepen tot sterkte en moed: de eerste, omdat de bezittingen het volk van God toebehoren; de tweede, omdat resultaat verzekerd is wanneer het Woord van God gehoorzaamd wordt; de derde, omdat de Heer Zelf met Zijn volk is.

Over het eerste punt: in Christus, Die uit de doden is opgestaan ​​en boven alle macht aan de rechterhand van God in de hemelse gewesten is gaan zitten, zijn alle zegeningen voor Zijn volk verzekerd. Niets brengt zoveel christelijke moed als deze zekerheid. De Heer had de vaderen gezworen om Israël het land te geven. De kennis en het geloof in Gods doel waren daarom de bron van de energie van Israël. En God is in Zijn doel en genade ook de bron van onze kracht en moed om voorwaarts te gaan. De heerlijkheid is zeker voor ons, want “Hij nu die ons hiertoe heeft bereid, is God … Daarom hebben wij altijd goede moed” (2 Kor. 5:5-6). De vijand zal verslagen worden, “Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?” (Rom. 8:31). Het ‘ik’ zwijgt, wanneer het geloof de gedachten van God ziet en daarin ligt kracht. Christus is opgestaan ​​uit de doden. Hij is in de hemel en in Hem zijn onze zegeningen. Laten we daarom in deze kracht voort gaan, beste medechristenen, om ook praktisch in ons bezit binnen te gaan. “Waakt, staat vast in het geloof, weest mannelijk, weest sterk” (1 Kor. 16:13).

Over de tweede oproep: We komen terug op de gedachten van God zoals uitgedrukt in Zijn Woord, om in gehoorzaamheid aan Hem te leven. Het geschreven Woord toont ons de bedoelingen van God; Daar vinden we de openbaring van Zijn genadige gedachten over Zijn volk, en daar beschrijft Hij wat ons door genade toebehoort. Dit woord gehoorzamen is een gebod van God. Als we geloven wat God zegt over hoe Hij ons gezegend heeft, nemen we onze zegeningen praktisch in bezit. De moed die een gevolg is van het geloof in Gods woord, maakt de christelijke strijder veerkrachtig en vastberaden. Hij volgt het pad van gehoorzaamheid omdat hij de Schriften gelooft.

Praktische zegeningen liggen in het gehoorzamen aan het Woord van God, en wel het gehele Woord. Dat is de voorwaarde voor zegen. Allereerst geloven we dat, waarvan God heeft gezegd, dat het ons toebehoort, ook werkelijk ons toebehoort, en dan nemen we die zegeningen in bezit op de wijze die God ons heeft voorgesteld. We boeken alleen vooruitgang in onze ziel voor zover we Zijn Woord kennen en gehoorzamen, en daarom moeten we niet alleen moedig, maar zeer moedig zijn, want Satan zelf zal tegen ons opmarcheren, zodra we de eerste stap in gehoorzaamheid ten opzichte van God zetten.

Kracht en moed om rekening te houden met het hele Woord van God en daaraan te gehoorzamen, zijn van bijzonder betekenis. De reuzen die Gods volk overwinnen, zijn niet degenen die je daarvoor houdt. Ze zijn als niets in Gods ogen. De zegevierende reuzen zijn ons eigen ongeloof en ongehoorzaamheid.

We worden opgeroepen om het Woord van God als geheel te gehoorzamen – “heel de wet” – niet slechts een van onze meest geliefde delen ervan. Als de gelovige alleen zijn favoriete waarheden volgt, is hij niet sterk en moedig in het volgen van het hele Woord van God. Sommige gelovigen hebben, wat hun gehoorzaamheid betreft, bepaalde delen gekozen waar ze de meeste sympathiek voor hebben, en hebben daardoor praktisch een herziene Bijbel gemaakt. “Heel de wet” is de Goddelijke oproep.

Een wijs pad zal ook een succesvol pad zijn en het succesvolle pad zal zich in de rechte lijn van gehoorzaamheid aan de duidelijke aanwijzingen van het Woord van God bewegen. Afwijking is niet legitiem – “Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links”.

Hoe krijg je nu een grondige kennis van de wil van onze God? Het Woord van de Schrift moet altijd in onze mond zijn (Joz. 1:8). Afwijking hiervan is falen. We hebben de Schrift overal nodig. “Er staat geschreven” moet alle vragen beslissen. Wanneer zich een probleem voordoet, moet het onze eerste plicht zijn om te luisteren naar de woorden: “Zo zegt de Heer”. Een verdorven christendom omzeilt de duidelijke waarheid van het Woord van God en vervangt het door de stem van menselijk autoriteit. Het wetboek is uit de mond geweken en het gevolg is demoralisatie, verwarring en wanorde bij de strijders in plaats van goede gevolgen.

Hoe moet de gelovige zijn mond vullen met de woorden van zijn God? Hoe kan hij weten wat God hem vertelt? Door diepe, inspannende, gebedsvolle studie. Zelfs de eigenlijke tekst van het Woord wordt niet in één keer vastgelegd. Het is noodzakelijk om voortdurend gevoed te worden door het Woord, de hele ziel moet daarmee bezig zijn – “U moet het dag en nacht overdenken”. Door onze genegenheid aan te wakkeren met de woorden van deze heilige geschriften, door liefdevol bezig zijn met het boek van onze God, door de leiding van de Heilige Geest te zoeken, door te vragen om verlichte ogen van ons hart en de geest van openbaring in de kennis van God, worden onze harten zo met Zijn woorden vervuld, dat we in staat zijn om alles wat erin geschreven staat in acht te nemen en te doen. Dat is de bron van geestelijke groei en goede gevolgen. Het grote doel van het kind en de dienaar van God moet vertrouwdheid met en gehoorzaamheid aan de gedachten van God zijn.

“u moet het dag en nacht overdenken …”, is een duidelijke oproep die ons hart beproeven moet. Door onszelf te voeden vanuit het Woord, verkrijgen we de gewenste kennis van het hart. Er is geen nuttiger tijd besteed dan die alleen doorgebracht met God over Zijn Woord, waarin we nederig in de tegenwoordigheid van God nadenken over Gods gedachten. Een louter in boeken studerende christen is duidelijk te onderscheiden van een geestelijk ingestelde christen. Er kan een kennis van de waarheid zijn, die door lezen of onderwijzing is verkregen, maar waar het “u moet het overdenken” slechts weinig aandacht heeft gekregen. Er kan een intellectueel begrip zijn van leringen en principes van de Schrift, waarin “kennis opblaast” (1 Kor. 8:1)! De christen die heeft geleerd om in het verborgene de tegenwoordigheid van God binnen te gaan om kennis te verkrijgen, is noodzakelijkerwijs bescheiden en nederig gezind. We zeggen als noodzakelijk gevolg, omdat Gods tegenwoordigheid altijd nederig maakt.

Werkelijk gelukzalig is “de man die … zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE en Zijn wet dag en nacht overdenkt! Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, waarvan het blad niet afvalt; al wat hij doet, zal goed gelukken” (Ps. 1:1-3). Dit prachtig beeld is waarschijnlijk van de sinaasappelboom, die tegelijkertijd bloeit en vrucht draagt ​​en altijd groen is. De welriekende geur van Christus verspreidt zich van de gelovige; de zoetheid van Christus wacht erop om verzameld te worden door de gelovige; altijd dezelfde geest als van Christus; altijd fris, altijd verzorgd door de levende stroom van de verborgen waterbeken! Hoe aantrekkelijk zijn zulke sinaasappelbomen! Laten we ernaar streven dat de ‘levens-onderhoudende’ verzorging door het water van het Woord, doordringt in ons geestelijk bestaan ​​en zelfs bereikt wat geen oog kan zien, onze wortels, want dan zal er een bruikbaar getuigenis voor God zijn. Droogte en vruchteloosheid komen voort uit het gebrek aan voeding door de Geest.

Nadat we over het woord hebben nagedacht, moeten we er acht op geven om alles te doen, wat erin staat, want van  zulk handelen hangen voorspoed en verstandig handelen af.

De derde oproep om moedig te zijn, is omdat de Heer met ons is (Joz. 1:9).

Het bevel van God is onze autoriteit. Zijn tegenwoordigheid is onze kracht. God Die het bevel geeft is met de strijder die Zijn bevel gehoorzaamt. De kracht die hier wordt geëist, is die van de hand om te grijpen en vast te houden, en die van de knieën om niet ten val te worden gebracht. In de brief aan de Efeziërs worden we opgeroepen om sterk te zijn in de Heer en in de kracht van Zijn sterkte. “Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse gewesten” (Ef. 6:10,12), die voor de christenen dat zijn, wat voor Israël de legers van Kanaän waren. Ook mag er geen rust zijn in deze strijd, omdat ons wordt gevraagd om weerstand te bieden nadat we alles volbracht [1] hebben (Ef. 6:13).

Net als bewakers op hun posten staan, moeten zij “stand houden” om te behouden wat ze gewonnen hebben. Zelfs in de dingen van dit leven, is het gemakkelijker om iets te verkrijgen dan om het te behouden, hoeveel te meer in de dingen van God. Standvastigheid in de kracht van God en moed wordt vereist. Menige christen, die zichzelf opgeofferd heeft om zich de kennis van de waarheden van God eigen te maken, leunde, na het bereiken van wat hij zocht, achterover in onverschilligheid en geestelijke traagheid. De apostel Petrus waarschuwt ervoor, dat als we niet toevoegen aan wat we hebben bereikt, we zullen verliezen wat we hebben (2 Petr. 1:5-10).

Ten slotte komen de woorden: “… schrik niet en wees niet ontsteld”. Angst is een slecht kenmerk voor een christen. Angst wijst op ongeloof ten opzichte van God of op niet- geoordeelde boosheid in onszelf. Natuurlijk wordt niet die liefdevolle vrees voor God bedoeld, die eerbied die vreest God niet volledig te gehoorzamen, of Zijn wil niet duidelijk te begrijpen, maar de angst die moedeloos wordt door de vijand en de christelijke strijd hindert. Vast geloof in God verdrijft de angst voor de vijanden.

De principes in deze ontroerende oproep aan Israël zijn van het grootste belang voor ons in onze tijd. Moge daarom toch ieder van ons de genade en kracht van deze oproep erkennen.

NOTEN:
1. Of ‘overwonnen’.


H. Forbes Witherby; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 02.06.2013.
Uit een overdenking van “Das Buch Josua” (het boek Jozua) (02).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW