3 maanden geleden

Eenheid met Christus (3)

Vervolg op ‘Verbondenheid met Christus.’

Dit is het derde en laatste deel van een serie over onze verbinding met Christus in Zijn dood, en onze vereniging met Hem in het opstandingsleven. In het eerste artikel hebben we gekeken naar het gekruisigd zijn met Christus en het ter dood brengen van onze leden, en we zagen dat de kruisiging van de Heer Jezus verband houdt met het einde van de wereld van de mens en Zijn dood met het einde van die mens in zijn geheel. In het tweede artikel hebben we gekeken naar het verbonden zijn met Christus in Zijn begrafenis door de doop.

We gaan nu verder met de opstanding. Ik heb met opzet het woord veranderd van “vereniging” in “eenheid.” Vereniging is een uiterlijke zaak (denk bijvoorbeeld aan de doop, die een uiterlijke zaak is); eenheid is een innerlijke zaak. Het volgende onderwerp dat we zullen beschouwen is “levendmaking.”  Dit is niet hetzelfde als nieuwe geboorte. Bevrijding veronderstelt uiteraard dat de dood, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, heeft plaatsgevonden. Het is de kracht van Christus in opstanding die in de ziel komt om daar iets levend te maken; om de gelovige te leiden naar het genot van één te zijn met Christus. “… toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus” (Ef. 2:5). Dit betekent dat wij op grond van de opstanding met Christus zijn. 

Om dit beginsel te illustreren, zou ik willen verwijzen naar een voorval dat zich afspeelt aan het einde van het Johannes-evangelie. Toen de Heer Jezus aan Zijn discipelen verscheen in die bovenzaal, lezen we dat Hij in hen blies (Joh. 20:22). Hoewel Hij zei: “Ontvangt [de] Heilige Geest,” is dit niet hetzelfde als wat er gebeurde op de dag van Pinksteren, toen de gemeente werd gevormd, en de Heilige Geest werd uitgestort.

Ik denk, dat toen de Heer Jezus in Zijn discipelen ademde, Hij hun Zijn leven in opstanding meedeelde. Laat mij uitleggen wat dat betekent. Toen God de mens schiep, staat er over Hem en Hem alleen (dat geldt niet voor de dierlijke schepping) God “blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 2:7). Nu heeft dat duidelijk meer betekenis dan het gewone leven dat ook de dieren ontvingen. Er staat over Adam, als gevolg van de adem die God in hem blies, dat hij “een levend wezen” werd. Dit betekent, dat hij op dat moment levend gemaakt werd in relatie tot God.  Daardoor was God in staat met hem te communiceren – met hem alleen (en niet met de dieren). God sprak tot hem; er was een nauwe relatie tussen Adam en God. Dat was het resultaat van het feit, dat God in hem ademde en hij een levend wezen werd.

Welnu, dit geldt evenzeer voor de Heer Jezus Christus in de opstanding, en dat is de betekenis van levendmaking. Wij zijn samen met Christus levend gemaakt! Hij heeft ons Zijn leven in de opstanding gegeven en als gevolg daarvan kunnen wij nu de verbinding met Hem genieten waar Hij is! Wij delen Zijn leven, wij hebben Zijn natuur, en daardoor kunnen wij komen tot al de zegeningen als zijnde Zijn broeders.

Toen Hij in opstanding uit het graf was gekomen, zei Hij tegen Maria: “Ga heen naar Mijn broeders” (Joh. 20:17). De Heer Jezus had nooit eerder over de discipelen gesproken als “Mijn broeders,” omdat het niet waar was, want vóór dat moment was er geen eenheid met Hem in leven of in natuur. In de sfeer van de opstanding heeft God op soevereine wijze een eenheid tot stand gebracht tussen Christus en de gelovige. Het resultaat daarvan is levendmaking, en het resultaat van levendmaking is, dat wij in het volle besef kunnen komen deel te hebben aan Christus als Zijn broeders.

Hebt u zich dat gerealiseerd? Hebt u zich gerealiseerd, mijn beste medegelovige, dat u en ik hetzelfde leven hebben als Christus, dat wij dezelfde natuur hebben als Christus, dat wij kunnen binnentreden in dezelfde vreugden en zegeningen en gemeenschap die Christus als Mens is binnengetreden?

Dat leidt ons natuurlijk naar het volgende. Hij verenigt zijn broeders met Zichzelf in de levendmaking. Maar we lezen verder in de brief aan Efeze, dat we met Christus mee opgewekt zijn (Ef. 2:6). Nu, dat verwijst niet naar de opstanding; ik geloof dat het verwijst naar het mee opgewekt zijn tot heerlijkheid, met andere woorden, hemelvaart. Hij is in de ogen van God in heerlijkheid opgegaan, en dat geldt ook voor de gelovige! Dat lezen we in hoofdstuk 1. Christus is als Mens in de heerlijkheid gegaan en God heeft ons daar in Christus geplaatst! Wat waar is van Christus in heerlijkheid, in de ogen van God, is ook waar van de gelovige! Hebt u dat begrepen? Is het niet wonderbaarlijk te beseffen, dat wat vandaag waar is van Christus in de heerlijkheid, in de ogen van God, waar is voor iedere gelovige? Hetzelfde leven, dezelfde natuur, met het oog op het delen van dezelfde positie; wij zijn met Christus mee opgewekt.

“Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met1 alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus” (Ef. 1:3)

En daar houdt het niet op. We lezen verder: “en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus” (Ef. 2:6). Het is hier niet samen met Christus, maar in Christus. Wanneer de Schrift spreekt over gezeten zijn, betekent dit dat alle zwoegen is beëindigd (verg. Hebr. 10:11-12). Ik geloof, dat wanneer er gezegd wordt, dat we met Christus ‘mee gezeten’ zijn, we dit huidige leven, deze huidige wereld, dit huidige tafereel helemaal voorbij zijn. Er is een einde aan gekomen; het is allemaal voorbij, en we hebben datgene bereikt wat eeuwig is. Het feit dat we ‘mee gezeten’ zijn, betekent dat we daar tot rust komen, en dat we daar vrede hebben. Hoe wordt dit tot stand gebracht?

Ik zou u willen verwijzen naar hoofdstuk 1, waar gezegd wordt “opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde” (Ef. 1:4). Deze drie dingen tonen ons, dat de gelovige volkomen geschikt is voor God. God rust daar in het gezelschap van de gelovige. Wij zijn voor Hem heilig (naar Zijn natuur), onberispelijk en in de sfeer van heilige en goddelijke liefde. Er staat een prachtige hymne in het Engelse gezangboek die dit beter beschrijft dan ik kan zeggen: “Tot rust gebracht binnen de kring, waar de schatten van de liefde worden vertoond.”

Daar is het, u en ik, samen met Christus gezeten in de hemelse gewesten. Wij hebben deel aan die kring van goddelijke liefde en gemeenschap die Christus reeds als Mens is binnengegaan. Over die positie wordt nog iets gezegd: wij zijn “begenadigd2 in de Geliefde” (Ef. 1:6). Een andere hymne zegt: “Zo dicht, zo heel dicht bij God (So nigh, so very nigh to God)” en “Zo dierbaar, zo zeer dierbaar voor God (So dear, so very dear to God).”

Deze positie waarin Christus als Mens is gegaan in de tegenwoordigheid van Zijn Vader, is de positie waarin God ons heeft geplaatst, zodat wij die met Hem kunnen delen! Dit wordt aangeroerd in Johannes 17: “de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven” (vs. 22). Hij deelt met de gelovige de heerlijkheid die God Hem gegeven heeft; de heerlijkheid van de verlossing. Hij is als Mens teruggegaan in die sfeer van heerlijkheid, en iedere gelovige in Hem heeft ook een plaats in die sfeer.

Het laatste vers dat ik zou willen overdenken is Romeinen 8 vers 17: “… als wij inderdaad met [Hem] lijden, opdat wij ook met [Hem] verheerlijkt worden.” Dit vers brengt werkelijk de twee kanten samen die ik u wilde voorhouden. Lijden met Hem houdt in, het besef van de kruisiging, het besef van Zijn dood, en het praktische antwoord daarop in de doop; dat is wat er bij komt kijken om met Christus verbonden te zijn met betrekking tot het lijden met Hem. Maar Paulus benadrukt vervolgens dat wij samen met Hem verheerlijkt moeten worden. Daar is het antwoord – dit is heerlijk, beste lezer! Er komt een moment waarop elke vereniging met Hem in Zijn dood zal eindigen voor zover het dit toneel, deze wereld, betreft. Hij zal komen! En de gemeente, Zijn lichaam, zal de plaats innemen waarvoor zij bestemd was in het doel van God. En God zal de gemeente met Christus in heerlijkheid uitrusten en wij lezen over dat moment in Efeze 2, wanneer God de heerlijkheid van Zijn genade aan het heelal zal tonen (vs. 7). Hoe zal God de heerlijkheid van Zijn genade in alle eeuwigheid tonen? Het zal te zien zijn wanneer de gemeente in al haar heerlijkheid op die plaats is met en gelijk Christus en Zijn positie deelt. Het schitteren van Zijn heerlijkheid zal het hele toneel vullen tot lof en eeuwige heerlijkheid van God in de komende eeuwen.

Laten wij ervoor zorgen, dat wij begrijpen wat in de Schriften wordt bedoeld met onze vereniging met Christus in Zijn dood, opdat wij beter kunnen begrijpen en genieten – tot eer van God – van de werkelijkheid van de vereniging met Hem in Zijn leven, in het toneel waarin Hij als Mens is binnengetreden.

 

NOOT:
1. Letterlijk ‘in’, doelend op de kracht, waarde en aard van ons gezegend zijn.
2. Of ‘aangenaam gemaakt’.

 

Jeffrey Brett; Jeffrey Brett; © Christian magazine for edification and encouragement.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW