1 uur geleden

De profeet Daniël (28)

Bijbelgedeelte: Daniël 6 vers 19-25

Leestijd: 5 minuten

19. Toen vertrok de koning naar zijn paleis. De nacht bracht hij vastend door. Geen enkele vorm van vermaak liet hij bij zich brengen. Zijn slaap was ver van hem geweken.

20. Vroeg in de morgen, toen het licht werd, stond de koning op. Haastig vertrok hij naar de leeuwenkuil.
21. Toen hij in de nabijheid van de kuil gekomen was, riep hij naar Daniël, met droeve stem. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, Die u voortdurend vereert, u van de leeuwen kunnen verlossen?

Daniël had zeker geen prettige nacht in de leeuwenkuil, maar het was nog altijd beter dan de nacht die koning Darius in zijn slaapkamer had doorgebracht. Darius had alle afleidingen afgezworen en had zo’n genegenheid voor Daniël gekregen, dat hij niet kon slapen. En toen de morgen aanbrak, kwam de koning plotseling haastig aangesneld, maar in de goede zin. Al van een afstand riep hij Daniëls naam. Koning Darius’ genegenheid jegens Daniël nam toe. Hierin zien we een langzaam opkomende verandering in de houding van de volken. Maar hun bekering, een volledige omkeer van de volken tot God, is alleen het gevolg van de oordelen die God over hen zal brengen.

Voor het eerst noemt Darius Daniëls God de levende God, en later nogmaals in vers 27. Hij onderscheidt Daniël door hem een ​​dienaar van deze God te noemen. God had Daniël door al dit lijden laten gaan, maar dan is er toch deze aanspraak, dat deze martelaar een dienaar van de levende God is. En dan volgt het volgende onderscheid: Darius bevestigt aan Daniël, dat hij zijn God al die jaren onophoudelijk had gediend

22. Toen sprak Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid!
23. Mijn God heeft Zijn engel gezonden en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten. Ze hebben mij geen letsel toegebracht, omdat ik voor Hem onschuldig ben bevonden. Ook tegen u, o koning, heb ik geen misdaad begaan.
24. Toen werd de koning zeer verheugd daarover, en hij beval Daniël uit de kuil te trekken. Toen Daniël uit de kuil was getrokken, werd er geen enkel letsel bij hem aangetroffen, omdat hij op zijn God had vertrouwd.

Daniël spreekt de koning hier met alle respect toe; deze manier van aanspreken was passend. Hij erkent de positie van de koning en toont hem door middel van deze aanspreking de gepaste eerbied. Vervolgens kunnen we zeggen, dat Daniël spreekt over zijn tweeledige geweten. Als de Heer ons door beproevingen leidt en als we op Gods hulp daarin willen rekenen, dan moet ten eerste onze verhouding met Hem in orde zijn. Er mag niets op ons geweten rusten, dat niet in orde is. Dit is ook een essentieel punt voor de vrede van onze ziel. Maar ten tweede had Daniël ook een goed geweten tegenover de koning, omdat hij tegen hem ook geen misdaad had begaan. Hij had geen overtreding om zichzelf te verwijten, zoals David het uitdrukt in Psalm 26 vers 1-6 en Paulus in Handelingen 24 vers 16. Zijn geweten was daarom rein, zowel voor God als voor de mens.

Er werd geen enkele verwonding bij Daniël gevonden, zelfs geen schrammetje! Waarom? Omdat hij op God had vertrouwd. We maken allemaal moeilijke dagen en omstandigheden mee, persoonlijk en gezamenlijk. Maar als we op onze God vertrouwen, zullen noch de duivel noch de wereld ons kwaad kunnen doen. Als we uit deze reflectie meenemen, dat we in stilte op onze God moeten vertrouwen, dan zullen we Gods redding ervaren – op de een of andere manier. Hij zal waken over ons uitgaan en ons ingaan (Ps. 121:8), Hij zal ieder vertrouwen in Hem belonen! Dit is wat Daniëls drie vrienden ervoeren in de vurige oven; zelfs de geur van het vuur bereikte hen niet (Dan. 3:27). God wil Zichzelf ook verheerlijken in ons leven; Hij zal ons redden en daardoor Zichzelf verheerlijken – “Mijn eer zal Ik aan geen ander geven” (Jes. 42:8; 48:11).

In Hebreeën 11 vers 33-34 vinden we twee voorbeelden van geloofshelden uit het boek Daniël: ten eerste de drie vrienden van Daniël die door hun geloof de kracht van het vuur doofden, en ten tweede Daniël zelf, die door zijn geloof de muilen van de leeuwen sloot. Deze voorbeelden in Hebreeën 11 behoren tot de groep geloofshelden wiens geloof standhoudt en daardoor tegenspoed overwint. Tegelijkertijd grijpt God echter krachtig in en schort Hij de natuurwetten op, want anders zouden de leeuwen Daniël verscheurd hebben. Zo schrijft Daniël zijn redding toe aan de engel van God, en God schrijft zijn redding toe aan Daniëls geloof (Hebr. 11).

Daniël zelf kon niets doen tegen de leeuwen; hij kon alleen op zijn God vertrouwen. En God beloont zulk vertrouwen met redding (Ps. 22:5). God heeft Daniël bevrijd – een prachtig voorbeeld voor ons geloofsleven: onwankelbaar geloof kan de grootste obstakels overwinnen. De Heer weet hoe Hij de rechtvaardigen van de verzoeking kan redden (2 Petr. 2:9). En Hij doet dit – zoals Hij deed met de drie vrienden in de vurige oven – door hen bij te staan ​​in hun benauwdheid (Jes. 63:9). Profetisch gezien is dit een beeld van de Heer die deelneemt aan de beproevingen van het overblijfsel.

Had Darius werkelijk het recht om Daniël uit de leeuwenkuil te trekken? Overtrad hij daarmee de wet van de Meden en Perzen? Nee, het besluit bepaalde alleen, dat de persoon in de leeuwenkuil geworpen moest worden; er was niet bepaald, dat hij ook door de leeuwen verslonden moest worden. Dat was precies wat er gebeurd was: Daniël was in de leeuwenkuil geworpen, de wet was nageleefd, en Darius had nu het recht om Daniël eruit te halen. Hij had niets verkeerds gedaan.

25. Vervolgens beval de koning en men haalde die mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen.”

Darius reageert hier met buitenproportionele tirannie en laat zelfs de vrouwen en kinderen van zijn stadhouders in de leeuwenkuil werpen (vgl. Deut. 24:16). Maar vanuit het perspectief van de stadhouders zijn ze gevangen in het net dat ze zelf heimelijk hebben gespannen (Ps. 9:16-17; Spr. 11:8). God zal het zo regelen, dat deze vijanden van het Joodse overblijfsel zelf in de valkuil terechtkomen die ze voor het overblijfsel hebben gegraven.

Door wat er in dit hoofdstuk praktisch met Daniël gebeurt, verheerlijkt God Zich. En vanuit profetisch perspectief verheerlijkt God Zich ook door een overblijfsel te redden en door oordeel te vellen over de vijanden. Het oordeel over de vijanden en de vestiging van Gods koninkrijk zullen ertoe leiden, dat de volken die Hem tot nu toe gehaat hebben, zich rechtstreeks – niet zonder te veinzen (Ps. 18:45) – onderwerpen aan Gods heerschappij (Zef. 3:9; Zach. 8:23).

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 06.02.2016

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW