2 weken geleden

De eerste decennia van het christendom (7)

Handelingen 2 vers 37-47

Vers 37 en 38

Bij het luisteren naar de prediking van Petrus, vervulde het hart van een groot aantal mensen onder het publiek zich met een gevoel van berouw. Ze zagen de ernst van hun schuld in, die ze zichzelf hadden opgelegd door de afwijzing van Hem,  die God nu tot Heer en Christus heeft gemaakt. Hun geweten werd geraakt met het oog op deze feiten, die hen ten laste gelegd werden en die onherstelbaar waren. Wat zij hadden gedaan, moest de oordelen van God over hen brengen, en nu zeiden zij tegen Petrus en de andere apostelen: “Wat moeten wij doen, mannen broeders?” Het tegenovergestelde van wat zij eerder hadden gedaan! Om de Heer aan te nemen, om Zijn autoriteit te erkennen, om in Zijn dood dat te zien wat zij zelf verdiend hebben. “Bekeert u”, zei Petrus, “en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen”.

Berouw is een verandering van gedachten waarin men zichzelf en zijn daden onder het oordeel van God plaatst in het diepe verdriet Hem te hebben beledigd. Door de doop maakten ze zich één met de dood van Christus als het enige middel om te ontkomen aan het oordeel dat ze verdienden. Als gevolg daarvan scheidden ze zich ook af van het verkeerde geslacht, dat de Heer verworpen heeft en waarop de oordelen moesten neerkomen. Door deze dood konden hun zonden worden vergeven en de Heilige Geest gegeven worden. De christelijke doop verbindt de gelovige met een gestorven Christus; de doop van Johannes, daarentegen, legde relaties met een op aarde levende Christus. De doop is een beeld van de dood van Christus die de mens van de wereld bevrijdt. Het komt overeen met de doorgang door de Rode Zee, die Israël bevrijdde van Egypte en de macht van zijn koning en het volk naar God leidde in de woestijn, waar Hij onder hen kon wonen.

In de prediking van Petrus en de resultaten die het voortgebracht heeft, ziet men het verschil dat bestaat tussen de werking van de Heilige Geest in een ziel en Zijn inwoning in een gelovige, die het leven heeft. Door de werkzaamheid van de Heilige Geest door het Woord werden de toehoorders vervuld met berouw en tot redding gevoerd. Toen ontvingen zij de Heilige Geest, het zegel van God op de gelovige. Door de Heilige Geest ontvangt de gelovige het besef van zijn relatie met God als zijn Vader (Gal. 4:6). De Heilige Geest is de kracht van de nieuwe natuur, Hij geeft begrip van de gedachten van God, Hij brengt vrede, gemeenschap van de heiligen onder elkaar en alles wat het christendom kenmerkt, doordat Hij meedeelt, wat van Christus is.

Vers 39

“Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn, zovelen [de] Heer onze God ertoe zal roepen”.

Met deze “belofte” wordt de gave van de Heilige Geest bedoeld. Hij wordt “de Heilige Geest van de belofte” genoemd (Ef 1:13). Hij was een van de “kostbare en zeer grote beloften”, waarvan in 2 Petrus 1 vers 4 sprake is. Deze belofte werd aan de Israëlieten en hun kinderen gegeven. Zij zal op een dag voor hen in vervulling gaan als ze Hem aanschouwen die ze doorstoken hebben (Zach. 12:10; Openb. 1:7). Maar men ziet een open deur voor de volken in de zinspeling van Jesaja 57:19: “… zegt de HEERE: Vrede, vrede voor wie ver weg is en voor wie dichtbij is, en Ik zal hem genezen”.

Het werk dat zich in hen voltrok, die hier het Woord aangenomen hebben, is een patroon van wat voltrokken zal worden in het overblijfsel van het einde, wanneer het zijn zonde van het verwerpen van de Heer heeft erkend, en vervuld zal zijn met diep berouw. Die gelovigen zullen eerst klagen, zoals we in Zacharia 13 zien, voordat ze van de vergeving van hun zonden bij de verschijning van de Heer kunnen genieten. In Handelingen komt dit overblijfsel de gemeente binnen; aan het einde van de tijden zal het met het oog op de duizendjarige zegeningen het herstelde volk vormen.

Uit dit 39e vers zien we ook, dat de roeping van God is. Degenen die Hij roept, komen tot Hem. Men moet het evangelie aan iedereen prediken, zodat allen die de Heer roept, het horen. Hij roept tot Zichzelf, wat een genade! Niemand zou zonder deze oproep komen. En door de dood van Christus wordt de mens tot God gebracht (1 Petr. 3:18).

Vers 40 en 41

“En met vele andere woorden betuigde en vermaande hij hen en zei: Laat u behouden van dit verkeerde geslacht. Zij dan die zijn woord aannamen1, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd”. 

Petrus riep en waarschuwde zijn luisteraars ‘met vele andere woorden’ om gered te worden door dit verkeerde geslacht, waarover binnenkort de oordelen zouden losbreken. Het 47e vers stelt dat “de Heer voegde dagelijks bijeen die behouden werden”; gered van de oordelen die het weerspannige volk treffen zou. Zo zullen ook vandaag de mensen, die het evangelie aannemen, van de toorn die over het afvallige christendom zal komen, gered worden.

Degenen die het Woord aannamen, werden gedoopt en ongeveer drieduizend zielen werden aan de apostelen en aan de overige gelovigen, die de gemeente vormden sinds de komst van de Heilige Geest, toegevoegd. Dat was het resultaat van deze eerste verkondiging. Het is een model van de manier waarop het evangelie moet worden gepresenteerd, zodat het werk van God in een ziel gedaan kan worden. Het evangelie heeft de Zoon van God als onderwerp. Het is het “evangelie van God aangaande Zijn Zoon” (zie Rom. 1:2). Aan de zondaar moet de schuld van de mens, berouwvolle bekering en Christus als Heiland voorgesteld worden. Het geweten kan alleen door de waarheid bereikt worden. Met het inwerken op het gevoel wordt het geweten niet geraakt.

Vers 42

Nu ze in deze nieuwe toestand van dingen in het christendom ingevoerd werden, bleven deze gelovigen “volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden”.

De “leer van de apostelen” is het geheel van de waarheden die zij verkondigden. Op basis van deze leer, op deze basis, is de gemeente gegrondvest. Dat was waarin ze volhardden, en waarin ook wij vandaag moeten volharden, temidden van het verval van het belijdende christendom. Deze leer van het begin is ook de leer van het einde. Er wordt altijd in het enkelvoud van haar gesproken. Het omvat elke onderwijzing in het christendom. Het is “de leer van Christus” (2 Joh. :9). Maar wanneer van leringen geschreven werd, die vreemd zijn aan deze leer, worden ze altijd in het meervoud genoemd: “allerlei en vreemde leringen” (Hebr. 13:9). In de brieven aan Timotheüs en Titus, die met het oog op het einde geschreven werden, wordt er veel gesproken over de “leer van de apostelen”. Door het volharden in de leer, worden we in de waarheid bewaard. De apostel Johannes zegt: “… wie God kent, hoort ons; wie niet uit God is, hoort ons niet. Hieraan kennen wij de geest van de waarheid en de geest van de dwaling” (1 Joh. 4:6).

Door het luisteren naar de apostelen en het volharden in hun leer wordt het mogelijk om van de gemeenschap te genieten. We hebben een gemeenschappelijk deel met alle gelovigen in de dingen die de apostelen geopenbaard hebben. “wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt” (1 Joh. 1:3).

Levend in het genot van zulke heerlijke dingen, voelt het hart de behoefte om bij het breken van het brood te denken aan de dood van de Heer, waardoor Hij ons zulke rijke zegeningen verworven heeft. We zien dat de eerste christenen het altijd in hun huizen gedaan hebben. De persoon van de Heer en Zijn dood hadden voor hen, in de frisheid van dit nieuwe leven, alle waarde die ook wij daaraan zouden moeten hechten.

En in het besef van hun zwakheid, maar ook van al die genade en alle hulpbronnen die van boven naar hen toe vloeiden, volhardden ze ook in de gebeden.

Het is bemoedigend om vast te kunnen stellen, dat alle hulpbronnen en alles, wat die gelovigen in het wonderbare begin van het christendom gelukkig heeft gemaakt, vandaag net zo volledig tot onze beschikking staat als toen. Wat van God komt, verandert niet.

Vers 43

In de aanwezigheid van zo’n prachtige openbaring van deze nieuwe dingen, waarin de kracht van de Heilige Geest zich ongehinderd kon ontplooien, en waar alles dat het natuurlijke hart kenmerkt, was uitgesloten, “er vrees kwam over elke ziel”. De aanwezigheid van God was daar door Zijn Geest en in de gelovigen. Wat er in Hebreeën 2 vers 4 werd gezegd, werd vervuld: “… terwijl God bovendien mee getuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van [de] Heilige Geest naar Zijn wil”. “Vele wonderen en tekenen gebeurden door de apostelen”, wordt er hier gezegd. Ze dienden niet om de gelovigen op te bouwen, maar om het Woord te bevestigen, als een openbaring van de macht tegenover hen die buiten waren. Ze dienden ter bevordering van deze nieuwe zaak, die God tot stand bracht in een wereld, die Zijn Zoon verworpen heeft. Het christendom is vandaag in verval en de Heilige Geest Die door minachting van de leer van de apostelen bedroefd is, kan bepaalde uitwerkingen van de kracht niet meer manifesteren.

Vers 44 en 45

In de Goddelijke natuur, onder invloed van de Heilige Geest, is er behoefte aan eenheid. Alle gelovigen waren op één plaats vergaderd. En omdat ze zich in zo’n grote mate verheugden over hun hemelse goederen, verwerkelijkten ze ook de gemeenschap in hun aardse goederen. Deze werden voor wederzijdse behoeften ten dienste van de liefde gesteld. Als liefde werkzaam is, kan deze ook vandaag nog steeds in dezelfde geest worden gedaan, zij het misschien ook in een andere vorm.

Vers 46 en 47

“En met volharding waren zij dagelijks eendrachtig in de tempel en braken brood aan huis en namen samen voedsel met vreugdegejuich en eenvoud van hart, terwijl zij God prezen en gunst hadden bij het hele volk. En de Heer voegde dagelijks bijeen2 die behouden werden”.

De apostelen voerden hun werk uit op twee verschillende terreinen: op de oude orde en de nieuwe orde der dingen. Ze volhardden dagelijks eendrachtig in de tempel. Ze getuigden van de oude bedeling, die zolang bestond als God geduld met zijn volk oefende. Ze namen deel aan de dienst van de HEER in Zijn tempel. Voordat Paulus de leer van de positie van de gemeente verkondigde, werd de gemeente nog niet scherp van het Jodendom onderscheiden. De discipelen vergaderden zich ook in de huizen om vreugdevol het brood te breken in broederlijke gemeenschap. Ze namen samen voedsel met vreugdegejuich en eenvoud van hart”, als uit de hand van God, als bewijs van Zijn zorg. De lofprijzing van God stroomde uit hun harten. Ze hadden gunst bij het hele volk, die getuige waren van de pure openbaringen van het leven van God in al zijn frisheid. De Heer voegde dagelijks aan de gemeente toe, die voor de komende oordelen gered moesten worden. Voor deze bediening gebruikte Hij de apostelen; maar het was Zijn werk. De dienaars kunnen de resultaten van hun werk niet op hun naam schrijven. Alles is het werk van de Heer. We zien dat overal in dit boek. Vanuit de heerlijkheid zet de Heer het werk, dat Hij hier op aarde is begonnen, voort (Hand. 1:1). Hij is het die de gemeente bouwt (Matth. 16:18). Hij doet dit werk vandaag nog steeds. Wanneer een ziel zich bekeert, voegt de Heer die toe aan de gemeente; zij is een lid van het lichaam van Christus en kan haar plaats aan de tafel van de Heer innemen. Maar, gezien het verval in het christendom, vereist de orde, dat zij de wens hun plaats in te nemen, bekend maakt. Wanneer de Heer zelf de gelovigen aan de gemeente toevoegt, dan is het belangrijk om een ​​nieuwe bekeerling daarover te onderwijzen, dat hij nu een lid van het lichaam van Christus is, een levende steen in het huis van God, en niet alleen een ziel die bevrijd is van het oordeel en zich nu vergaderen kan waar en hoe het hem goed dunkt.

In dit laatste vers wordt voor het eerst de “gemeente” genoemd. De 3000 (vs. 41) waren aan haar toegevoegd, zonder dat ze daar apart genoemd werden.

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT:
1. D.i. volledig en met blijdschap als waar aannemen; zie Luk. 8:40, waarbij we de volgende noot vinden: In de zin van ‘verwelkomde Hem hartelijk’, ‘ontving Hem blij’; zo ook ‘ontvangen’ in Luk. 9:11; Hand. 18:27; 21:17; 28:30; ‘aannemen’ in Hand. 2:41 en ‘erkennen’ in Hand. 24:3.
2. D.i. ‘toe aan de gemeenschap’; verg. noot vs. 1, waar we vinden: Zo ook in 1:15; 2:47; of ‘op één plaats’, zoals in 1 Kor. 11:20; 14:23.

 

Jaargang: 1958 – Pagina: 213
Auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie
© www.haltefest.ch

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW