Zegeningen en beloften (Gen. 18)
In Genesis 17 hebben we geleerd, hoe God Zich aan Abraham als de Almachtige geopenbaard heeft – Degene Die Zijn beloften van zegen kan en zal nakomen, ondanks alle moeilijkheden. In het licht van deze openbaring moest Abraham voor Gods aangezicht een volkomen leven leiden. Dit was alleen mogelijk als hij zijn vertrouwen niet op het vlees stelde.
In Genesis 18 zien we de zegeningen en voorrechten van iemand wiens leven in overeenstemming is met Gods openbaring als de Almachtige. Het hoofdstuk beschrijft vier grote voorrechten waarvan zo iemand kan genieten.
- Hij ervaart de persoonlijke openbaring van de Heer (vs. 1-8);
- hij ontvangt de zekerheid van toekomstige zegeningen door de beloofde nakomeling (vs. 9-15);
- hij wordt behandeld als een vriend aan wie God toevertrouwt wat Hij wil doen (vs. 16-21);
- vol vertrouwen en door zijn nabijheid tot God kan hij ten gunste van anderen voorbede doen (vs. 22-33).
Het Goddelijke bezoek (vs. 1-5)
Het eerste grote voorrecht, dat een gelovige kan genieten die zijn leven voor God leidt in het licht van Gods openbaring, die God van Zichzelf heeft gegeven, en die zijn vertrouwen niet op zijn eigen vlees stelt, is: de persoonlijke openbaring van de Heer.
Het hoofdstuk begint met Abraham die bij de ingang van zijn tent zit. Als vreemdeling – herkenbaar aan zijn tent – blijft hij buiten de strijd van deze wereld. Is er in onze tijd niet het gevaar, dat gelovigen overmatig opgewonden of angstig raken door de gebeurtenissen in deze wereld? Wat zou het goed zijn als we meer van de rust van de Geest zouden kennen! We ervaren die vrede wanneer we Gods roep volgen om onze plaats in deze wereld in te nemen, in vertrouwen op God en niet op het vlees. Met zo iemand – zoals in het geval van Abraham – komt God om op de meest intieme manier gemeenschap te hebben.
De manier waarop Hij komt is ook opvallend. Abraham slaat zijn ogen op en ziet dat “… er stonden drie mannen voor hem” (vs. 2). Naarmate het verhaal zich ontvouwt, leren we, dat twee van hen engelen zijn, die kort daarna ook bij de poort van Sodom zouden staan (Gen. 19:1). De derde is, zoals we weten, niemand minder dan de Heer Zelf. Hij verschijnt hier in menselijke gedaante. Dit is een voorafschaduwing van de tijd waarin de Zoon van God Mens zou worden en onder de mensen zou leven.
De Goddelijke dienst (vs. 6-8)
Het was duidelijk, dat er geen uiterlijk teken was waaraan Abraham of anderen de aanwezigheid van de Heer konden herkennen. De wereld zag slechts drie mannen verschijnen bij de ingang van Abrahams tent. Abraham bezat echter het geestelijk onderscheidingsvermogen van een man van geloof die in nauwe nabijheid van God leeft. Hij onderscheidt de Heer van de twee engelen. Eerbiedig buigt hij zich neer en spreekt Hem persoonlijk aan: “Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij!” (vs. 3). Hij vraagt toestemming om water te halen voor de wassing van hun voeten en nodigt hen uit om in de schaduw van een boom te rusten terwijl hij verfrissingen voor hen klaarmaakt. Abraham mag doen wat hij gevraagd heeft. Hij bereidt een maaltijd en serveert die aan hen. “… en terwijl hij bij hen onder de boom stond, aten zij” (vs. 8). Is het voor ons als gelovigen vandaag de dag, met onze diepere kennis van God, die wij kennen als Vader, niet mogelijk om te genieten van deze prachtige en intieme gemeenschap met Goddelijke personen? Natuurlijk niet op de specifieke manier waarop de Heer aan Abraham verscheen. Maar door de Geest Die van de Vader kwam, kunnen wij in deze gezegende gemeenschap worden opgenomen. Hoe weinig kennen wij daarvan! En toch zouden we er meer van kunnen genieten.
In deze laatste nacht in de bovenzaal geeft de Heer aan dat, wanneer Hij Zijn discipelen op aarde zou achterlaten, zij nog steeds de kracht van de Geest zouden kunnen ervaren, een vertrouwdheid die veel dieper is dan alles wat de discipelen hadden kunnen kennen toen de Heer bij hen was. Nadat Hij gesproken heeft over de Geest Die de Vader zou zenden, zegt Hij: “In die dag …” – de dag waarin wij leven – “… Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.” De Heer voegt er dan nog aan toe: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken” (zie Joh. 14:16-25).
Hier vinden we overigens de eerste vermelding van voetwassen in de Schrift. Net als in de andere passages is de gedachte van voetwassen het verfrissen van degene wiens voeten gewassen worden. Abraham had het grote voorrecht de voeten te wassen van Degene Die later Mens zou worden en – in de grootheid van Zijn liefde, die vreugde vond in het dienen van anderen – zou Hij in zijn nederige genade ook de voeten van Zijn arme discipelen wassen.
Goddelijke boodschap (vs. 9-15)
De Heer gebruikt deze gelegenheid van heilige vertrouwdheid om Abraham in zijn geloof te versterken door de beloofde geboorte van zijn zoon te bevestigen. Deze aankondiging betreft Sara. Daarom vraagt de Heer: “Waar is Sara, uw vrouw?” (vs. 9). De Heer vervolgt: “Ik zal over een jaar zeker bij u terugkomen; en zie, dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben!” (vs. 10). Voor iemand die geen Goddelijk Persoon is, zouden deze woorden niets anders dan hoogmoed zijn geweest. Wij zouden zo’n dag niet kunnen voorspellen. Maar God kan zeggen: “Ik zal over een jaar zeker bij u terugkomen.” Zo wordt Abrahams geloof versterkt door de verzekering, die de Heer Zelf geeft. En ook vandaag de dag verheugt de Heer zich erover om onze bevende harten te bemoedigen met het zekere Woord van Hem, Die kan zeggen ‘Ik zal’: “En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen. … Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u” (Joh. 14:3,18).
Abraham hoort deze prachtige belofte en is zich volledig bewust van de heerlijkheid van Degene Die spreekt. Daarom is hij niet verbaasd en ziet hij er geen probleem in. Hij twijfelt er niet aan. Daarentegen zijn het geloof en onderscheidingsvermogen van Sara niet van hetzelfde niveau als die van haar man. Ze hoort wat er gezegd wordt, maar is zich slechts vaag bewust van de heerlijkheid van de Spreker. Ze twijfelt aan wat er gezegd wordt, omdat ze naar zichzelf kijkt. Ze is oud en haar lichaam ‘veroudert’ (vs. 12). Daarom argumenteert ze, dat wat de Heer gezegd heeft, niet kan uitkomen. En zij lacht ongelovig in haarzelf, alleen al om de gedachte een zoon te krijgen.
Sara wordt terechtgewezen vanwege haar ongeloof. Abraham wordt eraan herinnerd dat, hoewel het nakomen van de belofte onmogelijk is vanuit menselijk oogpunt, niets te moeilijk is voor de Heer.
Wanneer Sara vanwege haar ongeloof wordt beschuldigd, schaamt ze zich om de waarheid toe te geven. Zoals zo vaak gebeurt, leidt angst voor de gevolgen tot leugens en bedrog. “Maar Sara ontkende het en zei: Ik heb niet gelachen!” (vs. 15). Het is misschien zelfs waar, dat ze niet hardop heeft gelachen. Maar ze lachte in zichzelf en moet leren, dat ze in de aanwezigheid is van Degene Die ook de gedachten van het hart kan lezen en achter gesloten deuren kan kijken.
Goddelijke profetie (vs. 16-20)
Op een gezegende wijze spreekt God later door de profeet Jesaja over Abraham als “die Mij liefhad” (Jes. 41:8) en wordt hij in het Nieuwe Testament “een vriend van God” genoemd (Jak. 2:23). En in deze passage in Genesis 18 zien we, dat God Abraham als een vriend behandelt. Het is waar, zoals vaak is gezegd: tegen een dienaar spreken we over dingen, die zijn werk betreffen. Tegen een vriend spreken we over wat we misschien zouden willen doen, ook als het onze vriend niet direct aangaat.
Hier wordt Abraham dus als een vriend behandeld, want God zegt: “Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?” (vs. 17). De redenen waarom God hem als een vriend behandelt, zijn zeer gezegend. Want de Heer zegt: “Want Ik heb hem uitgekozen1, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen …” (vs. 19). Iemand die door de Heer als een vriend wordt behandeld, is niet alleen iemand die in de Heer gelooft, maar ook iemand die zijn gezin opvoedt in de vreze des Heren2.
Deze woorden van de Heer zijn ook op ons van toepassing: “Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; Maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader heb gehoord, bekend gemaakt heb” (Joh. 15:15).
Terwijl Hij Abraham als een vriend behandelt, deelt de Heer hem mee welk oordeel Hij over de steden van de vlakte zal brengen. Maar laten we niet vergeten, dat deze mededelingen worden gegeven aan de man die we hebben zien leven afgezonderd van de wereld, die de privileges van deze wereld heeft afgezworen en daardoor de overwinning op haar heeft behaald. Zolang we niet aan de verdorvenheid van de wereld ontkomen, zullen we met de zuivere belijder zeggen: “Waar is de belofte van Zijn komst?” (2 Petr. 3:4). De apostel Petrus waarschuwt ons om niet onwetend te zijn van het ernstige feit, dat de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht en oordeel zal brengen over een goddeloze wereld.
We hadden al geleerd dat “de mannen van Sodom waren echter slecht en grote zondaars tegenover de HEERE” (Gen. 13:13). Nu leren we dat hun zonde een ‘roep’ tot de Heer is geworden, een smeekbede om oordeel. Want hun zonde is “heel zwaar” (Gen. 18:20). God wacht en verdraagt de goddeloosheid van de mensheid lange tijd. Maar Hij is niet onverschillig voor de zonde. Die schreeuwt tot Hem totdat ze uiteindelijk rijp is voor het oordeel. Maar God is ook traag met oordelen. Eerst lezen we over de twee engelen: “stonden vandaar op en keken in de richting van Sodom” (vs. 16). Toen “en gingen naar Sodom” (vs. 22). Ten slotte lezen we: “De twee engelen kwamen ’s avonds in Sodom aan” (Gen. 19:1).
Voorbede (vs. 22-33)
Twee engelen zijn vertrokken om Gods oordeel over deze gedoemde steden te voltrekken. Abraham blijft alleen achter voor de Heer. Onmiddellijk neemt hij de plaats van een voorbidder in. Hij spreekt deze voorbede uit, omdat het onmogelijk is de rechtvaardigen samen met de goddelozen weg te vagen. Daarom smeekt hij God de stad te sparen als er 50 rechtvaardigen in wonen. Vervolgens vraagt hij om te sparen als er 45 rechtvaardigen zijn. Daarna verlaagt hij het aantal tot 40, tot 30, tot 20, en ten slotte smeekt hij om redding als er slechts 10 rechtvaardigen zijn. Telkens weer verhoort God in Zijn genade zijn verzoek. Totdat het geloof van Abraham uiteindelijk faalt en hij niet meer op Gods genade vertrouwt, zodat – waar de zonde toenam – de genade nog veel overvloediger zou worden (Rom. 5:20).
Later kon God tegen Jeremia zeggen over de onrustige stad Jeruzalem: “Trek rond door de straten van Jeruzalem, kijk toch en let op, zoek op zijn pleinen, of u iemand vindt, of er een is die recht doet, een die betrouwbaarheid nastreeft, dan zal Ik Jeruzalem vergeven” (Jer. 5:1). We weten, dat deze man gevonden is. Het is Christus: “Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, [de] mens Christus Jezus, die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor3 allen” (1 Tim. 2:5-6). Door deze man worden wij geroepen om voor alle mensen te bidden (1 Tim. 2:1-6).
Hamilton Smith; © www.bibelpraxis.de
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW