2 uur geleden

Zo nu en dan, ofwel: Tijd en eeuwigheid (4)

Lukas 12 vers 22-23: “Hij nu zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: weest niet bezorgd voor uw leven, wat u zult eten, ook niet voor uw lichaam, waarmee u zich zult kleden. Want het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding.”

Let hierop: “Weest niet bezorgd.” Verdere verklaring of uitleg is niet nodig. Sommigen zouden kunnen zeggen, dat dit verwijst naar “angstige zorgen”; het woord “angstig” komt er echter niet eens in voor. Er staat simpelweg: “Wees niet bezorgd”; en dit wordt gezegd met betrekking tot alles wat een mens werkelijk nodig heeft: “voedsel en kleding.” De raven en de lelies worden hier als voorbeeld aangehaald (vs. 24,27); de eerste worden gevoed, de laatsten bekleed, en toch maken ze zich geen zorgen. Als de Heer Jezus “angstige zorgen” had bedoeld, zou Hij dat gezegd hebben. Dit geldt niet alleen voor de kinderen van het koninkrijk, maar evenzeer voor de leden van de kerk of gemeente. “Weest in niets bezorgd!” zegt de Heilige Geest door de apostel. En waarom niet? Omdat God voor ons zorgt. Wat zou het voor nut hebben als twee mensen over hetzelfde nadenken als de een alles kan en de ander niets? “… maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus” (Fil. 4:6-7). Dit is het stevige fundament voor de innerlijke vrede die zo weinigen werkelijk ervaren. Velen hebben gemoedsrust door het geloof in de toereikendheid van Christus’ werk, maar zij genieten geen innerlijke vrede door het geloof in de toereikendheid van Gods zorg. Vaak brengen we onze moeilijkheden en beproevingen in gebed voor God en staan ​​we net zo bezorgd en rusteloos op als voorheen. We erkennen gemakkelijk, dat we onze zorgen in Gods handen kunnen leggen, maar we laten ze daar niet echt achter; en daardoor ervaren we geen innerlijke vrede.

Hetzelfde gold voor Jakob in Genesis 32. Hij smeekte God om hem te bevrijden uit de handen van Ezau, maar nauwelijks was hij van zijn knieën opgestaan ​​of hij bedacht al hoe hij zichzelf kon helpen: “Ik zal hem gunstig stemmen met dit geschenk” (Gen. 32:20-21). Het is duidelijk, dat hij veel meer vertrouwen stelde in zijn “geschenk” dan in God. Dit is een veelvoorkomende fout onder Gods kinderen. We beweren onze blik gericht te houden op de eeuwige bronnen, terwijl de blik van onze ziel zich afwendt naar een schepsel. Op deze wijze wordt God praktisch buitengesloten; onze zielen worden niet bevrijd en daarom genieten we geen innerlijke rust. De apostel vervolgt in Filippi 4:8-9 met een opsomming van dingen om te onthouden, zonder onszelf of onze eigen zaken te noemen: “Al wat waar is, al wat eerzaam, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, als er enige deugd en als er enige lof is, bedenkt dat … en de God van de vrede zal met u zijn.” Dus, als ik weet en geloof dat God aan mij denkt, heb ik ‘de vrede van God’; en als ik aan Hem denk en aan wat van Hem is, heb ik ‘de God van de vrede.’ Dit is ook volledig in overeenstemming met Christus’ leer in Lukas 12. Nadat Hij de harten van Zijn discipelen gerustgesteld had met betrekking tot de huidige behoeften en de toekomstige schatten, zegt Hij: 

Lukas 12 vers 31: “Zoekt evenwel Zijn koninkrijk, en deze dingen zullen u erbij gegeven worden.”

Dit moet niet zo worden opgevat, dat het streven naar het Koninkrijk van God een middel is om de aardse dingen te verwerven. Als ik zulke gedachten in mijn hart zou koesteren, zou ik geen ware discipel zijn. Een ware discipel denkt alleen aan zijn Heer en Zijn Koninkrijk. En de Heer zal zeker aan hem en zijn behoeften denken. Dit, mijn geliefde lezer, is de relatie tussen een trouwe dienaar en een almachtige en algoede Heer; en zo’n dienaar is zeker vrij – volkomen vrij van alle zorgen.

Maar er is nog een andere reden waarom we worden aangespoord om ons geen zorgen te maken: omdat namelijk onze zorgen volkomen nutteloos zijn.

Lukas 12 vers 25-26: “Wie van u echter kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte [1] toevoegen? Als u dan zelfs het geringste niet kunt, wat bent u voor het overige bezorgd?”

We winnen er niets mee door ons zorgen te maken. En als we er te veel bij stilstaan, worden we onbekwaam om het Koninkrijk van God te zoeken, en door ons ongeloof plaatsen we zelfs een hindernis in de weg van Zijn werk voor ons. De volgende uitspraak blijft altijd waar met betrekking tot ons: “En Hij deed daar niet veel krachten vanwege hun ongeloof” (Matth. 13:58). Ongeloof is de grote hindernis, dat we opwerpen tegen het machtige werk van God voor ons. Als we de zaken in eigen handen nemen, is het duidelijk dat we God niet nodig hebben. We blijven onder de drukkende invloed van onze eigen rusteloze gedachten en zoeken uiteindelijk onze toevlucht tot menselijke middelen. Het is belangrijk te begrijpen, dat we óf op God óf op omstandigheden vertrouwen; op beide tegelijk vertrouwen is onmogelijk. Het moet God alleen zijn, of helemaal niets. Wat baat het ons om over geloof te spreken als ons hart – in welke gestalte of vorm dan ook – in werkelijkheid op het schepsel vertrouwt? We zouden onze wegen in dit opzicht zorgvuldig moeten beproeven en onderzoeken, want onvoorwaardelijk vertrouwen op God is immers een van de kenmerkende eigenschappen van het Goddelijke leven en een van de voornaamste beginselen van het Koninkrijk. Daarom moeten we dit zeer serieus nemen, opdat we geen hindernis opwerpen voor onze vooruitgang in deze hemelse deugden. Voor mensen van vlees en bloed is het immers een grote beproeving om niets zichtbaars te hebben, dat ons steunt. Het hart zal beven wanneer we aan de oever van de omstandigheden staan ​​en neerkijken in de onbekende oceaan – onbekend voor iedereen behalve voor het geloof, voor hen die standvastig hun blik omhoog richten. We zouden wel eens in de verleiding kunnen komen om met Lot uit te roepen: “… (zij is immers klein!), zodat mijn ziel in leven zal blijven” (Gen. 19:20). Het hart zoekt naar elke schaduw van menselijke hulp, klampt zich vast aan elk strohalm, opdat het niet wordt meegesleurd door de stroom van de omstandigheden; het verlangt immers naar alles behalve totale afhankelijkheid van God. Mogen we God beter leren kennen, zodat we Hem volledig kunnen vertrouwen; mogen we Hem toch volledig vertrouwen, zodat we Hem beter leren kennen! Het arme hart verlangt altijd naar iets zichtbaars, iets voelbaars. Als het om levensonderhoud gaat, verlangt men naar een bepaald inkomen, een bepaald bedrag op de bank, voldoende grondbezit of een jaarlijks salaris – hoe bescheiden ook, maar wel vast; zelfs de bediening van het evangelie gaat meestal gepaard met dit sentiment. Als iemand eropuit trekt om te prediken of te onderwijzen, wil hij ergens op kunnen steunen; als het geen geschreven preek is, heeft hij op zijn minst aantekeningen of een vorm van voorbereiding nodig – alles behalve directe afhankelijkheid van God. Dit is ook de reden waarom wereldse bezigheden onder christenen zo’n verschrikkelijke omvang hebben aangenomen.

Alleen het geloof kan de wereld overwinnen en het hart reinigen. Het leidt de ziel, onder invloed van de vergankelijkheid, naar het licht van de eeuwigheid; het houdt haar niet bezig met het ‘nu’ maar met het dan’, niet met het ‘hier’ maar met het ‘daar’, niet met de ‘aarde’ maar met de ‘hemel’; en zo overwint het de wereld en zuivert het het hart. Hij hoort en gelooft het Woord van Christus:

Lukas 12 vers 32: “Wees niet bang, kleine kudde, want het is het welbehagen van uw Vader u het koninkrijk te geven.”

Als de hoop op het Koninkrijk van God mijn ziel vervult, is er geen ruimte meer voor iets anders, en kan ik de huidige schaduw gemakkelijk loslaten en de toekomstige werkelijkheid tegemoet treden. Daarom voegt de Heer daar direct aan toe:

Lukas 12 vers 33-34: “Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen. Maakt u beurzen die niet verouderen, een onuitputtelijke schat in de hemelen, waar geen dief bij komt en geen mot ze bederft; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.”

Als mijn schat op aarde is – waaruit die ook bestaan mag – dan zal mijn hart daar ook zijn, en zal ik inderdaad een wereldsgezind mens zijn. Maar hoe kan ik mijn hart ontdoen van de wereld en alles wat daarin is? Door vervuld te worden met Christus. Hij is de ware Schat, die alle schatkamers en voorraadkamers van de wereld niet kunnen bevatten. De wereld heeft haar schatkamers en opslagplaatsen waarin zij haar rijkdommen bewaart; maar de schatkamers zullen vergaan en de opslagplaatsen zullen verouderen, en wat zal er dan van de schat terechtkomen? Waarlijk, ze bouwen te laag; want ze bouwen onder de wolken. De gedachten en verlangens van velen zijn gericht op het bezitten van eigendom of rijkdom, het verstandig beleggen van geld, enzovoorts; en als ze het niet voor zichzelf doen, dan is het voor hun kinderen, hun tweede ‘ik.’ Maar als ik voor mijn kinderen verzamel, doe ik het voor mezelf. En helaas is dit in talloze gevallen geen zegen maar een vloek geworden, en een vloek voor het kind, omdat ijdelheid en hoogmoed hun hart vulden en het gevoel van afhankelijkheid van God volledig verloren ging. Laten we daarom de woorden van de apostel ter harte nemen: “… maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken” – niet om een ​​schat voor zichzelf of zijn oude ‘ik’ te verwerven, maar – “opdat hij kan meedelen aan hem “die gebrek heeft (Ef. 4:28). Dit is het fundament, dat God voor iedereen heeft vastgelegd; en daarom, als ik schatten verzamel voor mijn kinderen, verlaat ik zelf dit fundament en trek ik mijn kind er ook van weg, en dit kan zeker alleen maar tot ‘onzegen’ tot gevolg hebben. Of zou ik kunnen genieten van het onbeschrijflijke genot van gehoorzaamheid aan en afhankelijkheid van God en mijn kind daarvan willen beroven? Zou ik zo’n verlies kunnen compenseren door een aantal obligaties of verzekeringspolissen op te geven? En zou ik me op die wijze werkelijk als een vader tegenover mijn kind gedragen? Zeker niet. Dat zou niets anders zijn dan het ‘dan’ opofferen voor het ‘nu’; het zou zijn zoals de handelwijze van de wereldse en vleselijke Ezau, die zijn eerstgeboorterecht verkocht voor linzensoep; het zou betekenen, dat we Gods glorieuze toekomst zouden inruilen voor het ellendige heden van de mens. En waarom zou het nodig zijn om schatten te vergaren voor mijn kinderen? Als ik God voor mezelf kan vertrouwen, waarom dan ook niet wat hun betreft? Kan Hij die mij voedde en kleedde, hen dan niet ook voeden en kleden? Moet ik hen dan tot nietsnutten maken of hen geld geven in plaats van God? Ach, beste lezer, laten we dit eens goed overwegen: als we God niet kunnen vertrouwen voor onze kinderen, dan kunnen we Hem ook niet voor onszelf vertrouwen. Op het moment, dat ik eraan denk om ook maar één cent opzij te zetten voor de toekomst, heb ik het geloof fundamenteel verlaten. Ook als mijn sparen volkomen gerechtvaardigd is volgens de heersende opvattingen, ook als wereldse zaken en ongeloof het met de mooiste namen beschrijven – dit blijft een onweerlegbare waarheid: mijn schat is mijn god:

Lukas 12 vers 34: “… waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.”

Laten we deze plechtige waarheid niet verkeerd begrijpen of uitleggen. Door de verplichting van Gods Woord en door Zijn voorbeeld ben ik verplicht om voor mijn gezin te zorgen; want “… als iemand voor de zijnen en vooral voor zijn huisgenoten niet zorgt, heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige” (1 Tim. 5:8). Dit is duidelijk genoeg. Bovendien ben ik verplicht om mijn kinderen – voor zover Gods principes dat toelaten en mijn invloed reikt – met een roeping te verzorgen, waartoe God Zelf hen in Zijn goedheid, zou roepen. Nergens in Gods Woord wordt mij echter geleerd om mijn kinderen een schat te geven in plaats van een eerzaam bezig zijn, gekoppeld aan een gevoel van afhankelijkheid van de hemelse Vader. Het is ook een feit, dat weinig kinderen hun vaders bedanken voor de erfenis die ze hebben ontvangen; terwijl anderen altijd met dankbaarheid en eerbied de wijze voorziening van hun ouders herinneren, waardoor ze zijn geleid naar een werkterrein dat God welgevallig is.

Ik vergeet geenszins de passage uit de Schrift die vaak wordt gebruikt, of liever gezegd misbruikt, door sommigen om wereldse en ongelovige hamsteren te rechtvaardigen: “Zie, ik sta gereed deze derde keer naar u toe te komen; en ik zal [u ] niet tot last zijn, want ik zoek niet het uwe, maar u. Want niet de kinderen behoren schatten te verzamelen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen” (2 Kor. 12:14). Hoeveel mensen verheugen zich wel niet wanneer ze denken zelfs maar een schijn van rechtvaardiging in de Heilige Schrift te vinden voor hun wereldse gezindheid; en in deze passage vinden we zo’n schijn van rechtvaardiging. Maar één ding is zeker: de apostel wilde de christenen niet leren schatten te verzamelen – hoe zou hij een hemels mens kunnen aansporen om schatten op aarde te verzamelen, van welke aard dan ook! Het komt hier simpelweg hierop neer: hij gebruikt een wereldse gewoonte en een algemeen, natuurlijk gevoel om zijn handelen jegens de Korintiërs, die zijn kinderen in het geloof waren, te verklaren. Hij was geen last voor hen, en dat wil hij nu ook niet zijn, want hij was hun vader. Als de heiligen van God dan geloven, dat zij het voorrecht hebben om terug te keren naar de wereld en haar gewoonten, laat hen dan ijverig schatten verzamelen en opstapelen “tot de laatste dag”; maar laat hen ook niet vergeten, dat mot en roest een einde zullen maken aan alles. Helaas! Pas wanneer we begrijpen hoe we de onvergankelijke schatten die het geloof in die hemelse schatkamers verzamelt, moeten waarderen, zullen we op een reine en heilige wijze door deze wereld wandelen; ja, dan zullen we inderdaad op de vleugels van het geloof worden gedragen en boven de duistere atmosfeer uitstijgen die deze wereld omhult, een wereld die God haat en Christus heeft verworpen, en die doordrongen en beheerst wordt door deze twee elementen: haat tegen God en liefde voor geld.

Voordat ik deze regels afsluit, wil ik nog één ding toevoegen: dat de Heer Jezus – de Aangebedene, de Goddelijke, de hemelse Leraar – de gedachten en neigingen van Zijn discipelen wilde verheffen tot de ware rustplaats door hen deze twee dingen te gebieden, die de Heilige Geest uitdrukte in deze woorden: “… hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen1 en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten” (1 Thess. 1:9-10). De gehele leer in Lukas 12 vers 35 tot het einde kan worden samengevat in deze twee waarheden, en ik spoor de christelijke lezer aan om ze met een ernstig geweten te overwegen. We hebben niemand anders te dienen dan “de levende God” en niemand anders op wie we moeten wachten dan “Zijn Zoon.” Moge de Heilige Geest Zijn woord met hemelse kracht vergezellen, zodat het in het hart en het geweten van ieder kind van God mag doordringen en het leven mag verlichten, zodat de naam van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt en Zijn waarheid gerechtvaardigd wordt door het gedrag van ieder die Hem toebehoort. Moge de gave van een trouw hart en een teder, oprecht en goed geweten het gezegende deel van ieder van ons zijn, zodat wij onder de hand van de Meester, als een goed gestemd instrument, een zuivere toon kunnen voortbrengen en in harmonie kunnen zijn met Zijn hemelse stem.

Mochten deze woorden uiteindelijk in de handen vallen van iemand die nog geen rust heeft gevonden in het volmaakte werk van de Zoon van God, dan zal hij ze ongetwijfeld terzijde schuiven en zeggen: “Dit woord is hard, wie kan het aanhoren?” (Joh. 6:60). U zou zich inderdaad kunnen afvragen: Wat zou er van de wereld terechtkomen als zulke principes universeel geldig zouden zijn? Ik antwoord u: De wereld zou niet langer door satan geregeerd worden, maar zou het Koninkrijk van God zijn. Maar sta mij een vraag toe, mijn vriend(in): Tot welk koninkrijk behoort u? Is het nu of dan voor u? Leeft u voor de tijd of voor de eeuwigheid; voor de aarde of voor de hemel; voor satan of voor Christus? Wees eens eerlijk tegen uzelf in de aanwezigheid van God en bedenk: “Want er is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, en niets geheim dat niet bekend zal worden …” (Luk. 8:17). De rechterstoel van Christus zal alles aan het licht brengen. Wees daarom eens eerlijk tegen uzelf en vraag uw hart: Waar sta ik? Hoe sta ik ervoor? Waar komt mijn vrede vandaan? Wat zijn mijn vooruitzichten voor de eeuwigheid?

Denk niet dat God u de hemel verschuldigd is omdat u iets aards hebt opgegeven. Nee, Hij wijst u naar Christus, die door Zijn dood aan het kruis de zonden heeft verzoend en zo een weg heeft geopend voor hen die geloven, zodat zij in de kracht van gerechtigheid voor God kunnen komen. U bent niet verplicht om te doen of te zijn wat u zou moeten doen, maar het evangelie vertelt u wie Jezus is en wat Hij heeft gedaan, en “als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit [de] doden heeft opgewekt, u behouden zult  worden” (Rom. 10:9). Christus, de eeuwige Zoon van God – God geopenbaard in het vlees – één met de Vader, geboren uit een maagd, bekleed met een lichaam bereid door de kracht van de Allerhoogste, en daarom een ​​ware mens – waarachtig God en waarachtig mens – Hij, wiens leven een leven van volmaakte gehoorzaamheid was, stierf voor ons aan het kruis, werd tot zonde gemaakt en werd een vloek. Hij ledigde de beker van Gods toorn tot de laatste druppel. Hij voelde de angel van de dood, beroofde het graf van zijn buit; Hij vernietigde hem die de macht over de dood had, de duivel, en steeg vervolgens op naar de hemel en nam plaats aan de rechterhand van God. Dit is de oneindige verdienste van Zijn volmaakte offer: dat allen die geloven gerechtvaardigd worden van al hun zonden; ja, aanvaard in Hem, staan ​​zij voor God in Zijn gerechtigheid en zullen nooit meer geoordeeld worden, maar zijn overgegaan van de dood naar het leven. Dit is het evangelie, het goede nieuws van de verlossing, dat de Heilige Geest, neergedaald van God, nu verkondigt aan de hele schepping. En tot slot roep ik u toe, mijn beste lezer: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” (Joh. 1:29). Geloof en leef!

2 Korinthe 4 vers 18: “Daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig.”

 

NOOT:
1. Dit is ‘als slaaf dienen.’

© www.soundwords.de; Charles Henry Mackintosh

Online in het Duits sinds: 15.10.2022; geactualiseerd: 23.07.2025.
Originele titel: “Jetzt und dann, oder: Zeit und Ewigkeit” in Botschafter des Heils in Christo, jaargang 6, 1858, bladzijde 48–68.
Engelse originele titel: “Now and Then; or, Time and Eternity. The Substance of a Lecture on Luke 12” in Miscellaneous Writings, Buch 2.
Engelse bron: www.stempublishing.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW