Terwijl de Heer Jezus deze hemelse beginselen uitlegde, onderbrak een echt kind van de aarde hem met een vraag over een erfenis:
Lukas 12 vers 13: “Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.”
Hoe onbegrijpelijk weinig wist deze man van het ware karakter van de hemelse Mens die voor hem stond. Hij had geen flauw idee van het diepe geheimenis van Zijn wezen, noch van het doel van Zijn hemelse zending. Hij was zeker niet uit de schoot van de Vader neergedaald om geschillen over bezittingen te beslechten of om als scheidsrechter op te treden tussen twee hebzuchtige mensen. – De geest van hebzucht was duidelijk aan het werk in de hele zaak. Zowel de eiser als de verweerder werden gedreven door hebzucht; de één wilde bezitten, de ander wilde behouden. Wat was dit anders dan hebzucht?
Lukas 12 vers 14: “Hij echter zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of deler over u gesteld?”
Het ging er niet om wie er gelijk of ongelijk had in dit erfrechtconflict; volgens de zuivere en hemelse leer van Christus hadden ze allebei ongelijk. In het licht van de eeuwigheid zijn een paar hectare grond van zeer geringe waarde; en wat Christus Zelf betreft, Hij leerde niet alleen beginselen die lijnrecht tegenover elke kwestie van aardse bezittingen stonden, maar Hij gaf ook in Zijn eigen Persoon en Zijn hele karakter een voorbeeld van deze tegenstelling. Hij kwam niet om over een erfenis te procederen; Hij was “de Erfgenaam van alle dingen” (Hebr. 1:2). Het land Israël, de troon van David en de hele schepping behoorden Hem toe; maar men wilde Hem niet erkennen noch Hem Zijn eigendom geven. “Toen de landlieden echter Hem zagen, overlegden zij onder elkaar en zeiden: Deze is de erfgenaam; laten wij hem doden, opdat de erfenis van ons wordt” (Luk. 20:14). De Erfgenaam onderwierp zich met volmaakte geduld, maar – gezegend zij Zijn heerlijke Naam voor eeuwig! – door Zijn onderwerping tot in de dood vernietigde Hij de macht van de vijand en bracht hij vele zonen tot heerlijkheid (Hebr. 2:10). Zo zien we in het onderwijs en het praktische leven van de hemelse Mens de ware manifestatie van de beginselen van het Koninkrijk van God. Hij wilde niet oordelen, maar onderwees de waarheid die de noodzaak tot oordeel zou wegnemen. Als de beginselen van het Koninkrijk van God zouden heersen, zouden rechtbanken overbodig zijn; want als niemand onrecht wordt aangedaan, hoeft er ook geen oordeel over onrecht geveld te worden. Iedereen zal het hiermee eens zijn. De christen die zich echter al in het Koninkrijk van God bevindt, is verbonden zich te laten leiden door de beginselen van dit Koninkrijk en deze koste wat kost in praktijk te brengen; want naarmate hij vergeet die beginselen na te leven, berooft hij zijn eigen ziel van zegeningen en schaadt hij zijn getuigenis. Wanneer iemand voor het gerecht verschijnt, wordt hij niet geleid door de beginselen van het Koninkrijk van God, maar door de beginselen van het Koninkrijk van satan, die de overste van deze wereld is. De vraag is hier niet of hij een christen is, maar door welke principes hij zich in deze verhouding laat leiden. Ik zeg niets over de innerlijke drijfkracht van de Goddelijke natuur, die iedereen er ongetwijfeld toe zou brengen om met absolute zekerheid de grote tegenstrijdigheid te begrijpen van iemand die belijdt gered te zijn door genade, en toch zijn naaste naar het recht wil behandelen – iemand die, als hij zijn recht uit de hand van God zou ontvangen, in de hel zou moeten branden, en die desondanks met absolute zekerheid vasthoudt aan zijn recht tegenover zijn naaste; iemand aan wie tienduizend talenten zijn gegeven, en die desondanks zijn naaste grijpt en wurgt voor een schamele honderd denaren. Maar ik zal hier niet langer bij stilstaan. Ik wilde deze kwestie van “naar het gerecht gaan” slechts beschouwen in het licht van het Koninkrijk van God, in het licht van de eeuwigheid. En als het waar is, dat er in dit koninkrijk geen rechtbank nodig is, dan leg ik het plechtig op het geweten van mijn lezer in de aanwezigheid van God, dat hij, als onderdaan van dit koninkrijk, volkomen verkeerd handelt door naar het gerecht te gaan. We zullen daardoor wellicht veel verlies en veel lijden moeten doorstaan; echter, het is ook alleen hij, die “het koninkrijk van God waard geacht wordt” die bereid is “ervoor te lijden” (2 Thess. 1:5). Laat hen die zich laten leiden door de dingen van deze tijd ten onder gaan aan het oordeel; maar de christen moet en mag zich alleen laten leiden door de dingen van de eeuwigheid. Zij gaan nu ten onder aan het oordeel, maar zullen dat dan niet meer doen kunnen; en de christen moet nu handelen zoals het dan gebeuren zal. Hij behoort tot het koninkrijk, en nu, terwijl het koninkrijk van God nog niet geopenbaard is, maar de koning verworpen is, worden de onderdanen van deze koning geroepen om te lijden. Rechtvaardigheid “lijdt” nu; maar in het Duizendjarig Rijk zullen zij “regeren,” en in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde zullen zij “wonen.”
Als de christen nu wil oordelen, loopt hij vooruit op de tijd van het Duizendjarig Rijk en die van Zijn Meester. Hij is geroepen om allerlei onrecht en ongerechtigheid te lijden; als hij hieraan probeert te ontkomen, ontkent hij de waarheid van het Koninkrijk waartoe hij beweert te behoren. Ik leg dit principe aan mijn lezer voor, en ik wens vurig, dat hij zijn kracht uitoefent en het hem niet onbeduidend lijkt. Niets zal de frisheid en kracht, de groei en bloei van het Koninkrijk van God in het hart meer belemmeren dan het negeren van de beginselen van dit Koninkrijk in onze wandel.1
Sommigen zouden kunnen zeggen dat de kerk of gemeente van haar hoge positie zou worden gestoten als men zou proberen haar de beginselen van het koninkrijk op te leggen. Absoluut niet. We behoren tot de gemeente, maar we bevinden ons in het koninkrijk. Hoewel we die twee niet moeten verwarren, is het volkomen duidelijk, dat de toestand van de gemeente, haar leven en wandel, nooit ondergeschikt mogen zijn aan de leden van het koninkrijk. Als het in strijd is met de geest en de beginselen van het koninkrijk om mijn rechten voor de wet te doen gelden, dan is dit, als dat al mogelijk zou zijn, nog veel meer in strijd met de geest en de beginselen van de gemeente. Daar bestaat geen twijfel over. Hoe hoger mijn positie, hoe hoger en hemelser mijn karakter en mijn hele wandel zouden moeten zijn. Ik geloof er volledig in, en wil dat altijd blijven bevestigen, dat de gemeente, in haar hele leven en wandel, moet laten zien, dat zij het lichaam en de bruid van Christus is – erfgenaam van een hemelse positie, die hemelse heerlijkheid verwacht krachtens haar verbondenheid met Christus. Maar ik kan me niet voorstellen dat ik, als lid van dit hoog bevoorrechte lichaam, minder ijverig zou moeten zijn in mijn wandel dan een lid van het koninkrijk. Wat is het verschil, qua huidige wandel en karakter, tussen iemand die behoort tot het lichaam van een verworpen Hoofd en iemand die behoort tot het koninkrijk van een verworpen Koning? Zeker, in het eerste geval kan dit niet minder waarde en betekenis hebben dan in het tweede. Hoe hoger en intiemer mijn gemeenschap met Hem, de Verworpene, hoe beslissender mijn afzondering van alles wat Hem heeft verworpen zou moeten zijn, hoe vollediger mijn gelijkenis met Zijn karakter, en hoe zekerder en preciezer mijn wandel in Zijn voetsporen, zelfs te midden van hen die Hem hebben verworpen.
Het komt eenvoudig hierop neer: we hebben een geweten nodig. Ja, beste lezer, een gevoelig, geoefend, oprecht geweten, dat trouw en nauwgezet de roeping van God in Zijn zuivere en heilige Woord volgt. Dit is precies wat we in deze tijd zo hard nodig hebben. Het zijn niet zozeer de beginselen die we nodig hebben, maar de genade, de energie en een heilige vastberadenheid om ze koste wat kost in praktijk te brengen. We erkennen zelfs waarheden die eenvoudig dat afwijzen en veroordelen van wat we onszelf toestaan te doen, in het geheim of in het openbaar. We kunnen het principe van genade belijden en tegelijkertijd onze rechten rigoureus verdedigen. Hoe vaak gebeurt het niet bijvoorbeeld, dat mensen prediken, onderwijzen, beweren genade te genieten, en vervolgens, op het volgende moment, met klem vasthouden aan hun rechten wanneer het hen uitkomt, en vaak, direct of indirect, arme mensen vervolgen voor een paar euro’s rente of hen uit hun huis zetten vanwege onbetaalde huur, hen overlatend aan armoede en ellende in een koude en harteloze wereld? En inderdaad, men zou vaak huiveren bij het aanschouwen van de gevolgen van dergelijke gebeurtenissen, wanneer men de vele vloeken en verwensingen zou horen, en bij het zien van het verdriet en de ellende van vele moeders en kinderen. Dit is inderdaad een zeer voor de hand liggend geval, maar helaas komt het maar al te vaak voor. En mocht het iemand vreemd lijken, dat juist zo’n geval wordt aangehaald, dan antwoord ik eenvoudigweg, dat het voor velen, door een gebrek aan medegevoel en gewetensbezwaren, noodzakelijk is om de zaak zo duidelijk te voor te stellen, willen ze het begrijpen. We bevinden ons vaak in dezelfde situatie als David: zolang we onszelf niet herkennen in het beeld van zonde en onrecht, dat ons wordt voorgehouden, nemen onze afkeuring en wrok tot het uiterste toe toe. En we hebben vaak een Nathan nodig die tot ons roept: “U bent die man!” (2 Sam. 12:7), opdat we kunnen leren ons te vernederen met een gekweld geweten en ware afschuw van onszelf. Tegenwoordig hebben we geen gebrek aan geleerde, breedsprakige predikingen, elegante en welsprekende lezingen en omvangrijke verhandelingen over de beginselen van genade; toch zitten onze rechtbanken vol met rechters, advocaten en andere ambtenaren die dagelijks alle mogelijke trucs en retorische vaardigheden inzetten, om nog maar te zwijgen van allerlei vormen van sluwheid, om mensen te helpen hun zogenaamde rechtvaardigheid te verkrijgen.
Maar zou iemand kunnen tegenwerpen: is het onrechtvaardig om onze rechten op te eisen en de wettelijke middelen die tot onze beschikking staan te gebruiken? Zeker niet. Deze bewering, hoe klaar en duidelijk ze ook mag worden gepresenteerd, zou volledig in tegenspraak zijn met het Woord van God. De dienaar in Mattheüs 18 vers 23-34 werd een “boze slaaf” genoemd en “overgeleverd aan de folteraars”, niet omdat hij onrechtvaardig had gehandeld door aan te dringen op terugbetaling van een schuld, maar omdat hij niet naar genade had gehandeld en de schuld niet had vergeven. Iemand die niet naar genade handelt, zal het gevoel voor genade verliezen, en iemand die de beginselen van het Koninkrijk van God niet in praktijk brengt, zal de vreugde van die beginselen in zijn eigen ziel missen. Hoe nodig was het daarom, dat de Heer Jezus Zijn discipelen waarschuwde:
Lukas 12 vers 15: “Let op en waakt voor alle hebzucht; want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen.”
Hoe moeilijk is het om deze ‘hebzucht’ volledig te definiëren! Hoe moeilijk is het om deze wortel van al het kwaad (1 Tim. 6:10) in al zijn verschillende vormen en nuances voor ons geweten te brengen, om hem op de juiste wijze te herkennen. Zoals iemand met wereldse wijsheid zei: hij is te vinden “in elke tint, van wit tot gitzwart”; en pas wanneer we doordrongen zijn van een hemelse gezindheid en geleid worden door de principes van de eeuwigheid, zijn we in staat de werking van dit fundamentele kwaad te ontdekken. Maar niet alleen dat, onze harten moeten ook gereinigd worden van het “zuurdeeg, dat is [de] huichelarij van de farizeeën” (vs. 1). De farizeeën waren geldzuchtig en konden daarom niet anders dan de zuivere, hemelse leer beschimpen (Luk. 16:14); en zo is het ook met allen die met dit zuurdeeg besmet zijn. Ze proberen altijd te ontkomen aan het toepassen van de waarheid op hun eigen hart, of het nu hebzucht is of een andere ondeugd. Ze proberen deze waarheid altijd zo te interpreteren, dat ze er zich persoonlijk niets van aantrekken; ze proberen het te verzachten en te verfraaien, het aan te passen aan hun eigen opvattingen, zodat de hardheid ervan hun geweten niet raakt; en zo vallen ze steeds meer onder de macht en invloed van de vijand. Ik word geleid door de zuivere waarheid van het Woord of door de onzuivere beginselen van de wereld, die in satans werkplaats worden voorbereid en in de wereld worden gebracht om zijn wil uit te voeren.
In de gelijkenis van de rijke man die de Heer hier voorstelt, zien we in de afbeelding van hebzucht een karaktertrek die de wereld waardeert en goedkeurt. Maar we zien hier, zoals in alles wat in dit ernstige hoofdstuk aan onze ziel wordt voorgelegd, het verschil tussen nu en dan, tussen tijd en eeuwigheid. Alles hangt af van het licht waarin we mensen en dingen bekijken. Als we ze alleen in het licht van het heden beschouwen, is het niet onbelangrijk of we winst maken in zaken, of we onze financiële situatie verbeteren en zo een reserve opbouwen voor de toekomst. Iedereen die zo denkt en handelt, wordt nu als wijs beschouwd; maar dan zal hij als een dwaas worden gezien. Schuldbewijzen, obligaties, bankbiljetten, verzekeringscertificaten van allerlei aard, enzovoort, zijn dingen die nu veel waarde hebben, maar dan waardeloos zullen zijn; ze zijn nu zuiver, maar dan zullen ze worden verworpen. Zo is het, beste lezer, en daarom is het nodig om Gods Dan tot ons Nu te maken – om de dingen van de tijd te beschouwen in het licht van de eeuwigheid, de dingen van de aarde in het licht van de hemel. Dit is ware wijsheid, die het hart niet gevangen houdt in de dingen die onder de zon zijn, maar het leidt naar het licht en onder de macht van de onzichtbare wereld, waar de beginselen van het koninkrijk van God heersen. Wat zullen we nu denken van rechtbanken, banken, verzekeringsmaatschappijen, enzovoorts, wanneer we ze beschouwen in het licht van de eeuwigheid?
Deze dingen kunnen alleen gewaardeerd worden door hen die zich laten leiden door het Nu; maar de discipel van Christus kan zich alleen laten leiden door de Toekomst (het DAN). En daarin schuilt het hele onderscheid, en een zeer ernstig onderscheid.
© www.soundwords.de; Charles Henry Mackintosh
Online in het Duits sinds: 15.10.2022; geactualiseerd: 23.07.2025.
Originele titel: “Jetzt und dann, oder: Zeit und Ewigkeit” in Botschafter des Heils in Christo, jaargang 6, 1858, bladzijde 48–68.
Engelse originele titel: “Now and Then; or, Time and Eternity, The Substance of a Lecture on Luke 12” in Miscellaneous Writings, Buch.
Engelse bron: www.stempublishing.com
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW