14 jaar geleden

Waar komt het monnikendom vandaan?

In onze dagen is er een toenemende belangstelling voor het kloosterleven te bespeuren. De media besteden hier regelmatig aandacht aan. Vooraanstaande personen brengen enkele dagen of een week door in een klooster om tot ‘bezinning’ te komen en om te ‘mediteren’ om zodoende hun onrustig bestaan aan een filosofische bespiegeling te onderwerpen. Sommige kloosterorden spelen hier handig op in, ongetwijfeld vanwege de terugloop van het kloosterleven en misschien ook wel om hun financiële positie te verstevigen. Hoe dan ook, er is weer een zekere belangstelling voor het kloosterleven. De stilte die er over het algemeen heerst in een klooster en de vaak ‘spirituele’ sfeer die er hangt, spreekt de hedendaagse mens wel aan. Ook de fantasierijke en mystieke verhalen oefenen een sterke aantrekkingskracht uit. Onder Christenen is er meer en meer belangstelling voor dit ‘fenomeen’. Wil je meer over de achtergronden van dit fenomeen weten, lees dan verder.

De oorsprong en groei van het monnikendom

De invloed van het kluizenaars- en kloosterleven was in de middeleeuwen (476-1492) op al de westerse kerken zeer groot. Laten wij tot de oorsprong daarvan teruggaan.
Terwijl omstreeks het jaar 251 de vervolging onder keizer Decius hevig woedde, begaven vele Christenen zich in vrijwillige ballingschap. Onder hen bevond zich een jongeman, Paulus genaamd, uit Alexandrië, die zijn verblijf koos in de woestijn van Opper-Egypte. Langzamerhand raakte hij gehecht aan de manier van leven, die hij uit nooddwang had aangenomen, en verwierf hij een naam als de eerste Christelijke kluizenaar.

Antonius, die beschouwd wordt als de vader van het kloosterleven, was geboren te Coma in Opper-Egypte, omstreeks het jaar 251. Als knaap en jongeling was hij nadenkend, ernstig en teruggetrokken. Wereldse geleerdheid boezemde hem niet veel belangstelling in, maar de kennis van Goddelijke dingen joeg hij vurig na. Nog voor hij negentien jaar was, verloor hij zijn ouders en kwam hij in het bezit van een groot vermogen. Terwijl hij eens in de kerk was, werd de geschiedenis van de rijke jongeling in de gemeente voorgelezen. Antonius nam de woorden van de Heer op, als uit de hemel tot hemzelf gericht. “Verkoop alles wat u hebt, en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom, volg Mij” (Markus 10:21). Onmiddellijk deed hij zijn landerijen over aan de inwoners van zijn dorp, maakte zijn overige bezittingen te gelde, en gaf alles aan de armen, behalve een klein deel, dat hij bewaarde, om zijn enige zuster te onderhouden. Bij een andere gelegenheid maakten de woorden van de Heer: “Weest dan niet bezorgd voor morgen” (Mattheus 6:34), een diepe indruk op hem; en daar hij ze letterlijk opvatte, deelde hij het overschot van zijn bezittingen uit, plaatste zijn zuster in een gezelschap van vrome meisjes, opdat hij van elke zorg betreffende de aardse dingen ontslagen zou zijn, en ging een leven leiden van strenge boete.
Antonius bezocht, zoals men verhaalt, Paulus, de kluizenaar, en al de vermaardste boetelingen van wie hij hoorde, trachtende van elk van hen de deugd, waarin hij uitmuntte, af te zien en die alle te zamen in zich te verenigen. Hij sloot zich op in een grafspelonk, waarin hij tien jaren verbleef. Door buitensporig vasten, uitputting, en overspannen verbeelding waande hij zich bezeten, door boze geesten, tegen welke hij menige felle strijd te voeren had. Antonius kreeg een naam. Velen bezochten de ongewone plaats, waar hij zich ophield, in de hoop hem te zien of het verhaal te vernemen van zijn strijd met de machten van de duisternis. Maar hij verliet zijn grafmonument, en ging de twintig volgende jaren doorbrengen in een verwoest kasteel, dicht bij de Rode Zee. Hij verdubbelde zijn zelfkastijdingen met het doel om de boze geesten te overwinnen, maar dezelfde verzoekingen en bestrijdingen volgden hem.

Hoe vreemd het ook lijkt, deze merkwaardige en misleide man had een oprecht hart voor Christus en ware liefde voor de Zijnen. De vervolging onder Maximus (311) dreef hem uit zijn cel naar de openbare schouwtonelen in Alexandrië! Zijn verschijning werkte machtig. Hij begeleidde de slachtoffers, vermaande hen om onwankelbaar vast te houden aan hun belijdenis van Christus, en toonde grote liefde jegens de gelovigen, die in de kerkers en in de mijnen opgesloten waren. Op allerlei wijze stelde hij zich in gevaar, maar niemand durfde hem aan te tasten. Men meende dat een soort van onschendbare heiligheid deze bovenaardse, op een geest gelijkende mens, omgaf. Toen de hevigheid van de vervolging bedaard was, ontsnapte hij naar een nieuwe eenzame plaats in de zijwand van een hoge berg. Hier bebouwde hij een klein stukje grond. Treurenden kwamen bij hem om vertroost te worden, bekommerden om raad te vragen, vijanden om verzoend te worden. Wonderen werden aan hem toegeschreven; zijn invloed was onbeperkt.

In het jaar 352, toen hij honderd jaar oud was, verscheen hij opnieuw in Alexandrië. Ditmaal was het om de verbreiding van het Arianisme1 tegen te gaan, en met al zijn invloed het ware, rechtzinnige geloof te verdedigen. Zijn optreden veroorzaakte veel sensatie. Hele scharen wilden de monnik, de man van God, zoals hij genoemd werd, zien en horen prediken. Vele heidenen werden door hem bekeerd tot het Christendom. In de ouderdom van honderd en vijf jaar stierf Antonius, slechts weinige dagen vóór Athanasius in 356 een schuilplaats vond onder de monniken van de woestijn.

Antonius deugden en gebreken

Antonius was zonder enigen twijfel eerlijk en oprecht, hoewel geheel misleid door de list van de duivel. In plaats van te handelen volgens de opdracht van de Heiland: “Gaat heen in de hele wereld, en predikt het evangelie aan de hele schepping” (Markus 16:15-16), of Zijn voorbeeld te volgen door het land rond te gaan goeddoende, dacht hij een verhevener geestelijkheid te bereiken door zich terug te trekken van de mensen, en zich over te geven aan een strenge levenswijze en onafgebroken gemeenschap met de hemel. Hij was een Christen, maar zeer onkundig aangaande de aard en het doel van het Christendom. Heiligheid van het vlees was zijn hoofddoel. Daarom liep alles uit op volslagen mislukking, zoals altijd het geval moet zijn wanneer wij denken, dat er ook maar iets goeds is in de menselijke natuur, of pogen in onszelf beter te worden. In plaats van zijn natuur door vasten en nietsdoen te heiligen, ondervond hij dat elke boze hartstocht des te meer geprikkeld werd.

“Derhalve had hij,” zegt Neander, “in zijn eenzaamheid menige strijd te voeren met gewaarwordingen die bij een werkzaam leven, dat de oefening van al zijn krachten vereiste, misschien hadden kunnen vermeden worden. De verzoekingen, waarmee hij te strijden had, waren des te veelvuldiger en sterker, naarmate hij meer bezig was met ijdele zelfbeschouwing, met het onderdrukken van de onreine beelden, die voortdurend van de verdorven bodem van zijn hart opstegen, in plaats van zichzelf te vergeten in waardiger bezigheid of in het zien op de eeuwige bron van reinheid en heiligheid”.

In een later tijdperk met een overtuiging, gegrond op veeljarige ervaring, erkende hij dit, en zei tegen zijn monniken: “Laat ons onze verbeelding niet bezig houden met spoken te schilderen van boze geesten; laat ons onze gedachten niet in verwarring laten brengen, alsof wij verloren waren. Laat ons integendeel liever ten allen tijde getroost en blij zijn als hen, die zijn vrijgekocht; en houden wij in gedachtenis, dat de Heer, die de boze geesten overwonnen en te niet gemaakt heeft, met ons is. Is de Heer met ons, dan kan de vijand ons geen kwaad doen. Vinden zij ons verblijd in de Heer bezig met het overdenken van de toekomstige zaligheid en de dingen van de Heer, wetende dat alles in de hand van de Heer is, en dat geen boze geest de Christen enig leed kan berokkenen, dan wenden zij zich in verlegenheid af van de ziel, die zij door zulke goede gedachten beschermd vinden”.

Uit deze raadgevingen aan zijn monniken is volkomen duidelijk, dat Antonius niet alleen een oprecht Christen was, maar dat hij in die tijd ook een goede kennis bezat van de Heer en van de verlossing, hoewel hij door zijn arglistig hart verkeerd geleid werd. Wij zijn nooit veilig, behalve wanneer wij de rechte lijn van de waarheid van God volgen. Het stelsel door deze man in zijn valse dromen van heiligheid in het vlees ingevoerd, werd na verloop van tijd juist de broeikas van zedeloosheid en ondeugd. Meer dan duizend jaren hield dit aan; en pas in de zestiende eeuw, toen het licht van de gezegende Reformatie zijn stralen wierp op een toneel van de dikste, zedelijke duisternis, kwam de ingekankerde verdorvenheid van het monnikenleven aan de dag. De monniken overdekten toen als zwermen sprinkhanen heel Europa; zij predikten alom gehoorzaamheid aan de heilige Moederkerk, eerbetoon aan de heiligen, vooral aan de maagd Maria de kracht van derelikwieën (overblijfsels van heilige personen of zaken), de kwellingen van het vagevuur en de gezegende voordelen van de pauselijke aflaten. Doch toen de monniken tengevolge van de Hervorming hun populariteit en invloed verloren, was een nieuwe instelling nodig om hun plaats te vervullen, en deze werd gevonden in de sociëteit van Jezus (de Jezuïeten), gesticht door Ignatius de Loyola. Maar wij moeten nog een blik werpen in de vroegste geschiedenis van het kloosterleven

Het eerste samenwonen van boetelingen

De oorspronkelijke vorm waarin de geest van ‘boetedoening’ zich in de Christelijke kerk ontwikkelde, was niet door gemeenschappen te stichten, zoals in latere tijden, maar door het leven in afzondering van enkele personen. Zij meenden ten onrechte een bijzondere roeping te hebben tot het streven naar een hoger Christelijk leven; en ten einde deze hogere heiligheid te verwerven, legden zij zich de strengste onthouding op. Zij trokken zich terug in woestenijen, ten einde zich over te geven aan overpeinzing van Goddelijke dingen, en hun gedachten volkomen af te trekken van alle natuurlijke voorwerpen en wat de zinnen streelt. Zowel mannen als vrouwen onderstelden, dat zij hun lichaam moesten uitmergelen door waken, vasten, arbeid en zelfpijniging. Daar het lichaam beschouwd werd als een onderdrukkende last en hinderpaal voor hun geestelijke inspanningen, wedijverden zij met elkaar, wie het verste zijn zelfkastijdingen kon uitstrekken. Zij leefden volgens de hardste en ongezondste regel, en onthielden zich soms van voedsel en slaap, tot de natuur geheel uitgeput was. De besmetting van deze satanslist verbreidde zich wijd en zijd. De geheimzinnige kluis werd als een plaats van bijzondere heiligheid beschouwd, en bezocht door edelen, geleerden en vromen, die allen begerig waren de heilige man van God hulde te brengen; en zo werd geestelijke hoogmoed gekweekt door de vleierijen van de wereld. Het alleenwonen stond zo hoog aangeschreven, dat velen er toe overgingen als tot een hoogwaardige bezigheid. Later verenigden zij zich tot gemeenschappelijk wonen in bijzondere gebouwen of kloosters.

Pachomius, evenals Antonius in Opper-Egypte geboren, werd in het begin van de vierde eeuw tot het Christendom bekeerd. Na enige tijd een streng leven geleid te hebben, werd hem in de droom door een engel gezegd, dat hij ver genoeg gevorderd was anderen te gaan leren. Toen vormde Pachomius een gezelschap op een eiland in de Nijl. Zo begon het samenwonen van boetelingen. Dit breidde zich uit, zodat, vóór Pachomius stierf, acht kloosters bestonden met drieduizend monniken; en in het begin van de volgende eeuw telde men er niet minder dan vijftienduizend. Zij woonden in cellen voor drie personen, en waren onbepaalde gehoorzaamheid schuldig aan de bevelen van de abt of vader. Zij droegen een bijzondere kleding, waarvan het voornaamste bestond uit een haren kleed, naar het voorbeeld van Elia, die, met Johannes de doper, beschouwd werd als een model van de kloosterstand. Ontkleden mochten zij zich nooit, zelfs niet om te slapen; dit vond plaats in stoelen van zodanige vorm, dat zij bijna rechtop stonden. Diverse malen per dag moesten zij bidden, de vierde en zesde dag van de week vasten, en op sabbat en zondag het avondmaal houden. Hun maaltijd had zwijgend plaats met hun kappen over het hoofd getrokken, zodat niemand zijn buurman zien kon. Landbouw was hun hoofdbezigheid. Alle goederen hadden zij gemeenschappelijk, naar het voorbeeld van de eerste Christenen. Pachomius stichtte dergelijke gezelschappen ook voor vrouwen.

De kloosters en de pausen

Tot nabij het einde van de vijfde eeuw waren de kloosters onder het oppertoezicht van de bisschoppen gesteld; de monniken werden eenvoudig als leken beschouwd, en niet onder de priesterorde gerangschikt. De omstandigheden leidden er echter na verloop van tijd toe, dat de monniken een geestelijk karakter verkregen. Velen van hen hielden zich bezig met het lezen en uitleggen van de Heilige Schrift; en men geloofde van allen, dat zij zich overgegeven hadden om een hoger geestelijk leven aan te kweken, zodat zij in hoge achting stonden, vooral toen zij hun geestelijke functies begonnen uit te oefenen buiten de grenzen van hun kloosters.
Er ontstond naijver tussen de bisschoppen en de abten. Het gevolg was dat de abten, om onafhankelijk te worden van hun geestelijke mededingers, er op werkten om onder de bescherming van de paus te Rome te komen. Het voorstel daartoe werd graag aangenomen en zeer snel werden mannenkloosters, groot en klein, abdijen, priorijen en nonnenkloosters aan het gezag van de Stoel te Rome onderworpen. Dit was een ontzaglijke stap tot de uitbreiding van de pauselijke macht.

De paus kon nu aan alle kanten een soort van geestelijke politie vestigen, die spionnendienst verrichtte tegenover de bisschoppen zowel als tegenover de wereldlijke overheden. Deze gebeurtenis moet wel opgemerkt worden, als wij de wegen en middelen van de toenemende macht en eindelijke opperheerschappij van de Romeinse kerkvoogd nagaan.

Het kloosterleven breidde zich weldra buiten Egypte uit; en al de grote kerkleraren van die tijd, zowel in het Oosten als het Westen, verdedigden de ongehuwde staat en het monnikendom. Hieronymus in het bijzonder, de geleerdste man van die tijd, wordt beschouwd als vormende de schakel tussen de twee grote afdelingen van de kerk – deGriekse en de Romeinse, of de Oosterse en de Westerse . Hij was het middel om de zaak van het celibaat en het kloosterleven krachtig te bevorderen, vooral onder de vrouwen. Vele Romeinse dames van de aanzienlijke stand werden door zijn invloed nonnen. Ambrosius verhief de ongehuwde staat in zijn predikaties zo hemelhoog, dat de moeders in Milaan haar dochters van het bijwonen van die kerkredenen terug hielden. maar menigten van meisjes uit andere streken stroomden naar hem toe, om gewijd te worden tot non. Basilius voerde het kloosterleven in Pontus en Cappadocië in; Martin in Gallië; Augustinus in Afrika; en Chrysostomus werd door de wijsheid van zijn moeder teruggehouden om in zijn jeugd een afgezonderd kluizenaarsleven te gaan leiden in Syrië.

De oorsprong van de nonnenkloosters

Van de vroegste tijd van de kerkgeschiedenis lezen wij van vrome meisjes, die zich tot kuisheid verbonden en aan de dienst van Christus toewijdden. Haar godsdienstplichten hadden zij zichzelf opgelegd, zodat zij haar familiebetrekkingen mochten aanhouden, of, zonder ergernis te geven, tot een huwelijk overgaan. Maar de oorsprong van het samenwonen van die vrome meisjes wordt toegeschreven aan Pachomius, die ook het monnikenstelsel geregeld had. Vóór zijn dood, die plaats vond omtrent het midden van de vierde eeuw, waren niet minder dan zevenentwintig duizend vrouwelijke personen alleen in Egypte, tot het kloosterleven overgegaan. De regels die hij opstelde voor de nonnenkloosters, waren van dezelfde aard als waardoor de monniken gebonden waren. Zij leefden uit algemene fondsen, gebruikten een gemeenschappelijk slaapvertrek, en hadden ieder een tafel en een kleerkast. Enerlei godsdienstige oefening was voorgeschreven. Dagelijkse matigheid en op zekere tijden het vasten werd streng onder haar gehandhaafd. Handenarbeid werd haar niet minder stipt opgelegd. Maar in plaats van, zoals de monniken, akkerwerk te doen, hielden zij zich bezig met het lichtere werk van de naald of het spinnewiel. Door zo talrijke plichten, door zo afwisselende bezigheid, verdreven zij de verveling van de dag en de somberheid van het leven in afzondering.

Opmerkingen over het beginsel van het kloosterleven

Het is inderdaad treurig te denken aan de vele en ernstige misvattingen, of liever bepaalde dwalingen van de eerste kerkleraars of kerkvaders, zoals zij gewoonlijk genoemd worden. Het is een feit, dat zij het volk in hun tijd grotelijks op een dwaalspoor voerden, en dat zij door hun geschriften nog altijd voortgaan het tegenwoordig geslacht te misleiden. Wie kan de kwade gevolgen opsommen, die hun onderwijs gedurende tot nu toe gehad heeft? De verkeerde uitlegging of verkeerde toepassing van het Woord van God is bij deze leidslieden regel; gezonde lering uitzondering. En niettemin maken zij tot op de huidige dag de roem en het gezag uit, waarop een groot deel van de Christenheid zich steeds beroept.

Met betrekking tot het kloosterleven kan ieder, die slechts een gewone kennis van de Schrift bezit, hun onkunde van de gedachten van God en hun verdraaien van zijn Woord dadelijk ontdekken. Wij worden bijvoorbeeld vermaand: “de werkingen van het lichaam” te doden, maar nooit om het lichaam zelf te doden. Het lichaam is van de Heer, en wij moeten daar zorg voor dragen.“Weet u niet”, zegt de apostel, “dat uw lichamen leden van Christus zijn?” Zeker, het lichaam moet “bedwongen” en “tot slavernij gebracht” worden, maar dit is de ware weg om voor het lichaam te zorgen (Romeinen 8:13; 1 Korinthe 6:15; 9:27). Wederom zegt de apostel: “Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn”, terwijl hij dan laat volgen, welke die zijn: “hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die afgodendienst is” (Kolosse 3:5). Dit zijn de “werkingen” van het lichaam die wij te doden hebben in de praktijk, en wel op grond dat het vlees gedood is geworden aan het kruis.“Die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met de hartstochten en begeerten”. Let wel: niet ‘moeten’ kruisigen, maar ‘hebben’ gekruisigd. God heeft het vlees door het kruis weggedaan, en wij moeten het niet in ons te voorschijn laten komen door onszelf te oordelen. Het lichaam daarentegen bekleedt in het Nieuwe Testament een belangrijke plaats als de tempel van de Heilige Geest. De strekking van het kloosterleven is integendeel om het lichaam te doden en het vlees te voeden. “Dingen die wel een schijn van wijsheid hebben in eigenwillige verering en nederigheid en gestrengheid tegen het lichaam, daaraan geen enkele eer bewijzend tot bevrediging van het vlees” (Kol. 2:23)

De kerkvaders hebben voorbijgezien, dat het monnikendom zijn oorsprong vond in de heidense wijsbegeefte en geenszins in het Christendom; doch zij zochten nooit oprecht uit de Heilige Schrift om de gedachten van God omtrent deze dingen te weten te komen. Daar zij de volkomen verlorenheid van de mens in het vlees niet begrepen, dachten zij ijdel het vlees te kunnen verbeteren, en werden op talloze wijzen aan het dwalen gebracht, met name wat betreft het werk van Christus, Gods oordeel over het vlees, het ware beginsel van eredienst en van de Christelijke bediening over het algemeen.

NOOT:
1. Arius ontkende de Godheid van de Heer Jezus. Hij verklaarde dat de Heer Jezus niets meer was dan het eerste en edelste van de geschapen wezens, die God de Vader, uit niets tevoorschijn had gebracht. Hoewel onmetelijk ver verheven in macht en heerlijkheid boven de andere geschapen wezens, stond Christus toch, volgens Arius, in beide opzichten beneden de Vader. Door deze lasterlijke leer tastte hij de persoonlijke heerlijkheid van de Zoon als God, aan. Hij ontkende de wezenlijke en eeuwige Godheid van de Zoon. Wel erkende hij dat de Heer Jezus er al was voor Zijn komen in de wereld en dat Hij het heelal geschapen had. Toch hield Arius vol dat, hoewel de Zoon ook de allereerste en allerhoogste van alle wezens was, Hij toch ook Zelf een schepsel was. Dit gaat lijnrecht tegen de Schrift in. Daarvoor verwijzen we onder andere naar: Johannes 1:1-3; Romeinen 9:5; Kolosse 1:15-17. Tijdens het concilie van Nicea in 325 werd de leer van de Drieëenheid, de wezenlijke Godheid van Christus en Zijn eenheid met de Vader in macht en heerlijkheid, gehandhaafd en beleden.

A. Miller

Uit: Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW