11 jaar geleden

Overdenking van Nehemia (14)

Luisteren wij ook naar het Woord van God? En hoe luisteren wij dan? Heeft het op ons ook die uitwerking waardoor God tot Zijn doel kan komen? Is het eigenlijk niet vreemd, dat ook in de christenheid veel belangrijke waarheden eeuwen lang verborgen zijn geweest, zoals de waarheid van de opname van de gemeente hoewel het Nieuwe Testament er zo duidelijk over spreekt? Heeft dit misschien ook niet te maken met het “niet luisteren naar Gods Woord” en het “wel luisteren naar en dienen van de afgoden van onze tijd”?

Neh. 8:10-19

Reacties op het Woord … droefheid en blijdschap

Het aandachtig en volhardend luisteren naar Gods Woord moet wel uitwerking hebben op het volk. Het Woord, dat uit de mond van God uitgaat, zal niet leeg tot Hem terugkeren, maar zal doen, wat Hem behaagt (Jesaja 55:11). “Het Woord van God is levend en krachtig, en scherper dan enig tweesnijdend zwaard” (Hebreeën 4:12). Deze teksten worden hier bewaarheid: Het Woord heeft een uitwerking ten goede bij de toehoorders. Hun harten en gewetens worden geraakt en ze verootmoedigen zich, wat zich uit in geween (vers 10). Dit is een “droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot behoudenis bewerkt” (1 Korinthe 7:10). Als het volk de woorden van de wet hoort, wenen ze niet om hun maatschappelijke toestand, maar om de grote tegenstelling tussen dit heilige Woord en hun eigen praktische toestand. In hun situatie was het nodig, dat er eerst geweend werd. juist dit wenen maakt hen geschikt om daarna het feest te vieren. Dit wenen was op zichzelf wel goed, maar paste eigenlijk niet bij het feest van het geklank, wat een feest van blijdschap is (Psalm 81:2-5 en 89:16-17), blijdschap over de toekomstige zegeningen van Israël. Daarom zeggen Nehemia, Ezra en de Levieten tegen het volk: “Deze dag is de HEERE uw God heilig.” Die dag was afgezonderd tot blijdschap en eerbetoon aan de Heer.

Verder wordt tegen het volk gezegd: “Gaat, eet het vette en drinkt het zoete” (vers 11). Ze mochten niet verdrietig zijn, maar zouden bedenken, dat de blijdschap van de Heer hun sterkte was. We mogen ons verheugen in de dingen, waarin de Heer Zich verheugt. Ongetwijfeld is het Woord van God een bron van blijdschap voor de Heer. In Psalm 119:111 zegt de psalmist, dat de getuigenissen van de Heer, die hij als een eeuwige erfenis ontvangen heeft, tot vrolijkheid van zijn hart zijn. In vers 162 zegt hij: “Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een die een grote buit vindt.” Het bestuderen van Gods Woord zal blijdschap in ons hart bewerken (Jeremia 15:16), de vrucht van de Geest (Galaten 5:22). De Heer Jezus spreekt over Zijn blijdschap en wil zo graag, dat wij daaraan deelhebben. “Opdat Mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap volkomen wordt” (Johannes 15:1l). “Opdat zij Mijn blijdschap volkomen hebben” (Johannes 17:13). Moge de blijdschap van de Heer ook onze blijdschap zijn en moge deze blijdschap onze sterkte zijn in het doen van Gods wil.

Hieraan denkend stilden de Levieten al het volk. Ze zeiden: “Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet” (vers 12).

Blijdschap moet zich uiten. Daarom denkt het volk op deze dag volgens de opdracht in vers 11 aan de behoeftigen onder hen en geeft hun ook delen (vers 13). De volgorde is belangrijk: Allereerst is er gemeenschap met de Heer, wat blijdschap tot gevolg heeft. Dan is er gemeenschap met de broeders en zusters, wat zich in dit geval uit in weldadigheid. Als we aan de tafel van de Heer aanzitten, kan het denken aan onszelf en onze toestand ons droevig stemmen. Maar het is niet goed, ons daarmee bezig te houden, daarom te treuren en met een schuldbelijdenis te komen, in plaats van te aanbidden. We komen niet samen om aan onszelf, maar om aan de Heer Jezus te denken. We komen niet samen om onze gebreken, maar om Zijn dood te verkondigen. We komen samen om Hem te danken, te loven en te prijzen, Hem te aanbidden. We mogen, met de woorden van Deuteronomium 12:7, voor het aangezicht van de Heer onze God eten en vrolijk zijn. Bij het eten van het avondmaal komen we niet in de eerste plaats samen om zel iets te ontvangen, om zelf gesticht te worden. Dat is geestelijk egoïsme. Wel moeten we zelf eerst “het vette eten en het zoete drinken”, gevoed worden door de volmaaktheid van de Persoon van Christus, in gemeenschap met Hem. Daarna mogen we in woord en daad aan anderen meedelen van deze overvloed, die we ontvingen, mogen we delen zenden aan ieder, voor wie niets bereid is. De Emmaüsgangers strekken hierin tot voorbeeld: Als hun ogen geopend worden en zij de Heer herkennen, houden ze dit niet voor zichzelf, maar gaan meteen terug naar Jeruzalem om dit blijde nieuws te vertellen aan de elf discipelen (Lukas 24:30-35). Zo kunnen wij vanuit de gemeenschap met de Heer het geestelijk welzijn van de ander bevorderen.

Verlangend naar onderwijs

De volgende dag komen de familiehoofden, de priesters en de Levieten bij de schriftgeleerde Ezra “om verstand te verkrijgen in de woorden der wet” (vers 14). Het gaat van henzelf uit. De vorige dag gaven ze uitleg, nu voelen ze de noodzaak om zelf onderwijs te ontvangen: Die met het Woord mogen dienen, zijn zelf zwakke werktuigen en kennen onvolkomen. Ze hebben zelf ook onderwijs uit de Schrift nodig en dienen altijd bereid te zijn, ook door de dienst van anderen, uit de Schrift te leren. Wat is dan het gevolg? Deze mannen leren iets wat ze nog niet wisten.

Geen woorden maar daden

Ze vinden in de wet het gebod van de Heer om het loofhuttenfeest te vieren (vers 15). Wat doen ze nu? Ze redeneren niet, maar voeren het bevel van de Heer uit. Ze zijn niet alleen hoorders, maar ook daders van het Woord. In de wet stond namelijk geschreven, dat de Israëlieten op het feest in de zevende maand in loofhutten zouden wonen (Leviticus 23:33-43). Dit feest begon op de vijftiende van de maand en duurde zeven dagen. Nadat in vers 3 sprake was, van de eerste dag van de zevende maand, waarop het feest van het geklank gevierd moest worden, wordt in vers 14 gesproken over de volgende, de tweede dag. Er bleven dus nog dertien dagen over om de loofhutten gereed te maken in Jeruzalem.

Het goede nieuws doorgeven

De familiehoofden, priesters en Levieten hielden dat, wat zij uit Gods Woord leerden, niet voor zichzelf, maar lieten het omroepen in al hun steden en te Jeruzalem (vers 16). Iedereen moest het blijde nieuws weten. Zo mogen wij het blijde nieuws, het evangelie van de genade bekendmaken, mogen de deugden verkondigen van Hem Die ons uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 2:9). We mogen anderen vertellen, Wie de Heer Jezus is en wat Hij voor ons deed. Niet in de geest van zelfvoldaanheid, eigendunk en trots, omdat wij zoveel van de waarheid verstaan, maar veeleer met vasten, zakken en aarde op ons hoofd (Nehemía 9:1). We kennen onze eigen zwakheid en ontrouw en weten, medeschuldig te zijn aan het grote verval in de christenheid.

Loofhuttenfeest

De Israëlieten gingen uit op het gebergte om het loof van verschillende bomen te plukken en daarvan loofhutten te maken: Loof van de olijfbomen en andere olieachtige bomen, die spreken van de werking van de Heilige Geest en van het met Hem vervuld zijn. De mirtebomen wijzen op de beloften van Israël (Jesaja 55:13; 65:25 en Hosea 2:17-19). Bij de palmbomen denken we aan Christus, de Overwinnaar (Johannes 12:12-15 en Psalm 2). De bomen spreken over de zegeningen, die Christus bereid heeft voor Zijn volk in het vrederijk waarvan wij nu echter al mogen genieten.

Er werden ook loofhutten gebouwd op de straat van de Waterpoort en van de Efraïmpoort (vers 17). De Waterpoort is een beeld van het Woord van God en de naam Efraïm betekent “vruchtbaarheid”.

De hele gemeente van de uit de ballingschap teruggekeerden maakte loofflutten en woonde daarin (vers 18). Sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, hadden de Israëlieten zó niet gedaan. Natuurlijk was het feest sindsdien wel gevierd, bijvoorbeeld door de teruggekeerden in Ezra 3:4, maar nooit meer op deze manier, precies volgens de voorschriften van de Heer. Misschien was het nooit in echte loofhutten gevierd. In ieder geval werkte de Geest van God krachtig, zodat nauwkeurig gehoorzaamd werd aan Gods Woord. Het gevolg was zeer grote blijdschap. Dit feest is een voorafschaduwing van de toekomstige nationale opstanding van Israël. Het ziet op het einde van Gods wegen met Israël en is een profetisch beeld van de tijd, dat het volk weer en dan ook voorgoed in het beloofde land is. Van dit feest week koning Jeróbeam af, tot grote schade voor hemzelf en voor Israël. Hij stelde een feest in op de vijftiende van de achtste maand, “gelijk het feest, dat in Juda was”, besteeg zelf het altaar te Bethel en offerde aan de door hemzelf gemaakte kalveren (1 Koningen 12:26-33). De voorgeschreven eredienst werd aangepast aan de veranderde omstandigheden. Het is een eigenwillige godsdienst “tot bevrediging van het vlees” (Kolosse 2:23). Zoals God dit feest gaf, is het een prachtig beeld van een volk, dat wacht op de duizendjarige regering van hun langverwachte Messias. Nooit tevoren had Israël dit feest zo gevierd zoals dit zwakke overblijfsel het nu deed, met grote vreugde. Het waren slechts enkele mensen, een overblijfsel, vergeleken met Israël ten tijde van Salomo. Vreemd eigenlijk, dat dit feest nooit eerder zó gevierd is, zelfs niet in zijn dagen. Het stond toch duidelijk in de wet van Mozes, dat en hoe dit feest gevierd moest worden.

Vreemd eigenlijk, dat ook in de christenheid veel belangrijke waarheden eeuwen lang verborgen zijn geweest, zoals de waarheid van de opname van de gemeente, terwijl het Nieuwe Testament er zo duidelijk over spreekt. In het begin van de gemeente was deze hoop nog levendig. Zo schrijft Paulus aan de Thessalonikers, dat zij zich van de afgoden tot God bekeerd hebben om de levende en waarachtige God te dienen en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten (1 Thessalonika 1:9-10; 2:19; 3:13 en 4:15-18). Ook tijdens de vervolgingen was deze hoop ongetwijfeld nog levendig. Toen echter in het jaar 313 na Christus het christendom door Theodosius de Grote “verheven” werd tot staatsgodsdienst, verdween deze hoop en werd de kerk wereldgelijkvormig – in de wereld en van de wereld. Wat een tegenstelling met Johannes 17:14-16. “Toen nu de Bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in”. Gelukkig hebben enkelen de oproep gehoord: “Zie, de Bruidegom! Gaat uit, Hem tegemoet” (Mattheüs 25:5-6)! Evenals enkelen in de tijd van Ezra en Nehemía uit Babel gingen, zijn zij ook uitgegaan uit de wereld en uit elk godsdienstig systeem. Ze vormen een zwak en gering overblijfsel, maar mogen zich vergaderen rondom de Heer Jezus. De Schrift heeft ook voor hen grote betekenis en verloren gegane waarheden zijn weer aan het licht gekomen. Ze verwachten niet een oordeelsdag, maar evenals de Thessalonikers de Zoon van God uit de hemelen. Ze weten, dat als Hij geopenbaard zal zijn, zij Hem gelijk zullen zijn, want zij zullen Hem zien zoals Hij is (1 Johannes 3:2).

Tijdens het feest werd elke dag voorgelezen uit de wet (vers 19). Hoewel het volgens Leviticus 23:33-43 niet voorgeschreven was, gebeurt het hier wel! Toen in Ezra’s dagen het loofhuttenfeest werd gevierd (Ezra 3:1-4), was het kenmerk daarvan het bouwen van het altaar om daarop brandoffers te offeren, dus het herstel van de offeranden en de eredienst. Het kenmerk hier is de erkenning van het gezag van Gods Woord, omdat er elke dag voorgelezen werd uit de wet. Misschien gebeurde het in beide gevallen gebrekkig. In Ezra wordt niet over het wonen in loofflutten gesproken. In Nehemía wordt geen melding gemaakt van offeranden, die gebracht werden. Toch werd in beide gevallen het feest in oprechtheid gevierd, volgens het verkregen licht. Iets dergelijks vinden we in de geschiedenis van de gemeente. Bij Luther trad vooral de waarheid van de rechtvaardiging door het geloof naar voren, die eeuwen lang verborgen was geweest. Welke waarheden komen in onze tijd vooral naar voren? De waarheid van de tegenwoordigheid van de Heilige Geest op aarde, van het éne lichaam van Christus, van de inrichting van de gemeente en van de komst van de Heer om de gemeente op te nemen. Laten we ons ervan bewust zijn, dat onze kennis beperkt en onvolkomen is. Toch mogen we in getrouwheid de Heer dienen naar het licht, dat we ontvangen hebben.

Pasen, Pinksteren en het loofhuttenfeest zijn de drie grote joodse feesten. Het paasfeest vond zijn vervulling in het lijden en sterven van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha: “Want ook ons pascha, Christus, is geslacht” (1 Korinthe 5:7). Zoals Israël verlost werd uit Egypte op grond van het bloed van het lam, zijn wij verlost door het kostbare bloed van Christus. Het joodse pinksterfeest heeft zijn vervulling gevonden op de pinksterdag in Handelingen 2:1-3, toen de Heilige Geest werd uitgestort. Het loofhuttenfeest is nog niet vervuld. Het stelt het einde van al Gods wegen met Israël voor. Dit einde van ware rust en vrede voor Israël is er nog niet. Christus, hun Messias, is nog verborgen in de hemel. Maar als de ware vervulling van dit feest aanbreekt, zal Hij Zich aan Israël en de wereld vertonen.

Wordt D.V. vervolgd.

J. de Blaauw

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM