Bijbelgedeelten: Exodus 21:24; Leviticus 24 vers 20; Deuteronomium 19 vers 21;
Mattheüs 5 vers 38-42
Mattheüs 5:
38. U hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand.
39. Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan; maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;
40. en wie met u een rechtsgeding wil voeren en uw onderkleed nemen, laat hem ook de mantel;
41. en wie u tot één mijl zal dwingen, ga met hem twee.
42. Geef aan hem die van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u wil lenen.
“Oog om oog en tand om tand”
De rechtsbedeling volgens de wet
De wet die God aan Zijn aardse volk gaf, was “… heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” (Rom. 7:12). De verantwoordelijkheid voor de handhaving ervan werd toevertrouwd aan aangestelde rechters: “U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk” (Deut. 16:18). De woorden waarnaar de Heer verwees in Mattheüs 5 vers 38, “Oog om oog en tand om tand,” weerspiegelen dit principe, dat elke opgelegde straf rechtvaardig moest zijn in verhouding tot de overtreding die bestraft moest worden (Ex. 21:22-25; Lev.24:19-20; Deut. 19:20-21). In wat de Heer verder zei, zette Hij de regels van de wet of dit principe van rechtvaardige vergelding niet terzijde. Daartegenover stond Hij echter juist, en in volstrekt contrast daarmee, sprak Hij over de genade die Zijn discipelen zal kenmerken in afwachting van de openbaring van het koninkrijk.
“Maar ik zeg u de boze niet te weerstaan.”
Het eerste van de vier voorbeelden van deze genade die de Heer noemde, is het niet weerstaan van de boze. Hij sprak over het kwaad, dat gelovigen wordt aangedaan omdat ze Hem trouw volgen. Als we persoonlijk worden beledigd of onrecht wordt aangedaan, is het voor ons vlees natuurlijk om te willen, dat de zaak wordt rechtgezet en de dader wordt gestraft. Zo’n geest was echter nooit te zien in Christus, Die in genade kwam en in de drie uur duisternis aan het kruis heeft “eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen” (1 Petr. 3:18). Petrus schrijft ook: “Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u Zijn voetstappen navolgt; Hij ‘die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’, die als hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt” (1 Petr. 2:21-23).
Nadat Petrus had opgeschept, dat hij bereid was de Heer te volgen tot in de gevangenis en de dood (Luk. 22:33), probeerde hij het kwaad te weerstaan toen de bende en de officieren van de hogepriesters en Farizeeën de Heer in Gethsémané wilden arresteren: “Simon Petrus … die een zwaard had, trok het en trof de slaaf van de hogepriester en sloeg zijn rechteroor af.” Dit was niet de manier waarop de Heer hier in Mattheüs 5 had opgeroepen, en “Jezus dan zei tot Petrus: Steek het zwaard in de schede; de drinkbeker die de Vader Mij heeft gegeven, zou Ik die niet drinken?” (Joh.18:10-11). Hij raakte ook het oor van de man aan en genas hem, waarmee Hij Petrus’ onbezonnen daad ongedaan maakte (Luk. 22:50-51). Petrus leerde, dat hij de Heer niet op eigen kracht kon volgen en ontving later de genade om het kwaad niet te weerstaan toen hij gevangen zat en vervolgens de marteldood stierf (Hand. 5:18; 12:4; Joh. 21:18-19). Zijn eerste brief weerspiegelt dit onderwijs van de Heer in alle vijf hoofdstukken.
“Maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe.”
<In die tijd was een klap in het gezicht een diepe belediging en nog vernederender als die met de rug van de hand werd gegeven en dus op de rechterwang terechtkwam. Volgens de Joodse Talmoed woog deze belediging ‘dubbel zo zwaar’ als een gewone klap> (Arend Remmers: ‘De Bergrede’). De andere wang toekeren als reactie op een klap getuigt van een waardigheid die boven de belediging uitstijgt. Het is niet, dat de belediging niet wordt gevoeld, maar de hoge eer van het lijden voor Christus wordt des te meer gevoeld (1 Petr.4:12-14). De Heer had al in de negende en laatste van de zaligsprekingen gezegd: “Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en <liegend> allerlei kwaad van u spreken terwille van Mij. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij de profeten vervolgd die vóór geweest zijn” (Matth. 5:11-12). Gelovigen moeten zich niet laten intimideren door zulke vijandigheid, maar zich “in geen enkel opzicht door de tegenstanders laten afschrikken. Voor hen is dit een bewijs van verderf, maar voor u van behoudenis, en dat van Godswege” (zie Fil. 1:28).
De Heer zelf verdroeg de beledigingen en het lichamelijk geweld, dat Hij leed in de raad van de Joden en later door toedoen van Pilatus en Herodes en hun soldaten. Jesaja 50 vers 6 werd in Hem vervuld: “Ik geef Mijn rug aan hen die Mij slaan, Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken. Mijn gezicht verberg Ik niet voor smaad en speeksel.” Wat een verbazingwekkende genade! “Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt*, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open” (Jes. 53:7). Hij ging naar het kruis en die “Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor1 allen” (1 Tim. 2:6).
* Of: Hij werd mishandeld en Hij werd verdrukt.
“En wie met u een rechtsgeding wil voeren en uw onderkleed nemen, laat hem ook de mantel.”
Als een arme Israëliet een lening kreeg, kon van hem geëist worden, dat hij zijn kledingstuk als onderpand gaf. In dat geval schreef de wet voor, dat het kledingstuk vóór zonsondergang aan de schuldenaar moest worden teruggegeven: “Als u iemand van Mijn volk, een van de armen onder u, geld leent, dan mag u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U mag hem geen rente opleggen. Als u het kleed van uw naaste in onderpand neemt, moet u dat aan hem teruggeven voordat de zon ondergaat” (Ex. 22:25-27). “En als het een arme man is, mag u niet in diens onderpand gaan slapen, maar u moet hem het onderpand zeker teruggeven als de zon ondergaat, zodat hij in zijn kleed kan gaan slapen, en hij u zegent. Dat zal u tot gerechtigheid zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God” (Deut. 24:12-13). De Heer instrueert Zijn discipelen hier, dat als een van hen om welke reden dan ook voor de rechter vervolgd zou worden vanwege zijn kledingstuk (zijn lijfjas), hij verder moest gaan en hem ook zijn mantel moest geven. De mantel (“coat” – KJV) of lijfjas (“bodycoat” – JND) was het binnenste vest of onderkledingstuk, dat gewoonlijk direct op de huid werd gedragen. Dit was van minder waarde dan de mantel, die een buitenste mantel of gewaad was, dat over de lijfjas werd gedragen.
In het evangelie van Lukas is deze volgorde omgekeerd: “weiger aan hem die u de mantel afneemt, ook het onderkleed niet” (Luk. 6:29). Er wordt niet gesproken over naar de rechter stappen en het lijkt erop, dat het om een roofoverval gaat. Geconfronteerd met de rover die vanzelfsprekend de waardevollere mantel zou grijpen, mag de discipel hem niet ook zijn onderkleed ontzeggen! De geest van wat geboden wordt, is kennelijk kenmerkend geworden voor de Hebreeuwse christenen, over wie later geschreven werd: “Want u hebt ook mee geleden met de gevangenen en de roof van uw bezittingen met blijdschap aanvaard, daar u wist dat uzelf een beter en blijvend bezit hebt” (Hebr. 10:34).
“En wie u tot één mijl zal dwingen, ga met hem twee.”
Het woord dat vertaald is als ‘dwingen’ betekent ‘iemand tot dienen dwingen.’ Elders in het Nieuwe Testament wordt het alleen gebruikt voor Simon, een inwoner van Cyréne, die ‘komend van het veld’ gedwongen werd het kruis van Christus achter Hem aan te dragen (Joh. 19:17; Matth. 27:32; Mark.15:21). De verwijzing naar zijn kinderen, Alexander en Rufus, laat zien, dat zij twee bekende christenen waren ten tijde van het schrijven van het evangelie van Markus (zie ook Rom. 16:13). Werd Simon een gelovige? Het lijkt waarschijnlijk van wel, en zo ja, dan zou hij later ongetwijfeld diep dankbaar zijn geweest, dat hij het kruis voor zijn Heer en Heiland kon dragen toen Hij dat Zelf niet meer kon, hoewel al het lijden ervan alleen voor Hem was. Er was een zegen in het volbrengen van een taak die zeer onaangenaam en pijnlijk was. Misschien laat dit zien, dat zelfs wanneer gelovigen onder een onderdrukkend regime leven, als wat daarvan vereist wordt niet in strijd is met de geopenbaarde wil van God, het gedaan kan worden als voor de Heer is. Men kan ook gemotiveerd worden door de wens, dat de zegen de individuele vertegenwoordigers van het regime bereikt met wie men direct contact heeft.
Het principe om verder te gaan dan nodig is, kan ook in het algemeen worden toegepast op elke verhouding waarin we onderworpen of gehoorzaam moeten zijn aan een ander. Waar genade het hart beheerst, is dit niet lastig. Integendeel, gelukkig in de Heer, is er het oprechte verlangen naar de zegen van Hem die boven ons staat. Er is ook de zekerheid van een beloning: “Wat u ook doet, doet het van harte2, als voor de Heer en niet voor mensen, daar u weet dat u van [de] Heer als vergelding de erfenis zult ontvangen; u dient3 de Heer Christus” (Kol. 3:23-24).
“Geef aan hem die van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u wil lenen.”
God is een Gever en Zijn kinderen moeten hetzelfde karakter tonen: “… want God heeft een blijmoedige gever lief” (2 Kor. 9:7). Het is niet de bedoeling, dat we meer geven dan we kunnen, maar naar vermogen: “Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in hem?” (1 Joh. 3:17). In de tijd, dat de Heer sprak, leefden velen in extreme armoede en het geven had betrekking op de dagelijkse behoeften. Het hoeft geen groot bedrag te zijn. Wijsheid is nodig om te weten hoe te reageren op niet-christenen die ons om iets vragen, en in veel gevallen is het geven van voedsel of kleding geschikter dan het geven van geld. Tegelijkertijd biedt dit de mogelijkheid om het evangelie van Gods genade te verkondigen.
Een verzoek om een lening mag niet worden afgewezen als er middelen zijn om deze te verstrekken, en net als bij het geven hoeft het bedrag niet groot te zijn. De schrijver is blijkbaar van mening, dat het wederom vooral om de dagelijkse behoeften gaat, hoewel ook de meer algemene behoeften van het werk van de Heer in overweging moeten worden genomen, zowel bij het geven als, indien de middelen het toelaten, bij het verstrekken van een lening.
Als we trouwe beheerders zijn van de materiële rijkdom die God ons schenkt, kunnen we geestelijke zegeningen verwachten. Zoals Lukas elders schrijft: “Geeft en u zal worden gegeven; een goede, ingedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met de <zelfde> maat waarmee u meet, zal u ook worden gemeten” (Luk. 6:38).
Uit: ‘Tidings,’ februari 2026; R. Wall
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW