14 jaar geleden

Mannen en vrouwen die bidden (I)

Dat het nodig is om aangespoord te worden om te bidden voor alle mensen, bewijst het woord uit 1 Timotheüs 2:1 wel: “Ik vermaan u dan …”. Er staat zelfs als eerste ‘smeken’. Maar voorbede en dankzegging zijn evenzeer van het grootste belang. Blijkbaar zijn dit dingen die we zo snel kunnen vergeten of nalaten. Het is overigens ook leerzaam om te zien dat niet alleen voor bepaalde mensen gebeden moet worden, maar voor ‘alle’ mensen. Dus ook diegenen die misschien niet zo populair zijn voor ons. Alle rangen en standen zijn daar dus bij ingesloten, want God wil dat ‘alle’ mensen behouden worden en tot kennis van de waarheid komen; dit geeft mijns inziens tevens de richting aan wat de inhoud van ons gebed in ieder geval zou moeten zijn. Hoe staat het er bij ons voor? Voor wie bidden wij? Hoe bidden wij? Zijn er in de Bijbel aanwijzingen voor? Jazeker, er zijn in de Bijbel aanwijzingen voor ons gebed. In dit artikel wordt er beperkt ingegaan op de vraag ‘hoe’ en ‘waar’ mannen en vrouwen bidden, dit vanwege het feit dat het gebed een uitermate ‘breed’ onderwerp is en ook bedoeld is als aanvulling op noot 2 van het artikel : “Wij willen dansen en vrolijk zijn” uit Frisse Wateren.

De vrije toegang

Lees eerst 1 Timotheüs 2. Het feit dat God wil dat alle mensen behouden worden (vers 4), wil nog niet zeggen dat alle mensen ook daadwerkelijk behouden zullen worden. Dat komt omdat God wel aan alle mensen de behoudenis aanbiedt, maar niet alle mensen nemen het aan. Behoudenis gaat namelijk gepaard met geloof in de Heer Jezus Christus. Zij die weten en geloven dat het waar is, dat God in Christus de zonde heeft geoordeeld op het kruis van Golgotha, hebben zich met God laten verzoenen en zijn een nieuwe schepping in Christus (zie 2 Korinthe 5:14-21). Dit alles wordt bewerkt door de Heilige Geest. Dat begrijpen we pas, wanneer we naar binnen zijn gegaan en achterom kijken. Aan de binnenkant van de poort staat: “Uitverkoren”. Hiervan hebben ongelovigen dus totaal geen weet. Alleen kinderen van God die Hem aangenomen hebben die voor hen leed en stierf op Golgotha. Helaas sommigen uit de Christenheid ook niet vanwege verkeerde leringen omtrent deze waarheid, maar gelukkig werpt het bekende vers in Johannes 3:16 werpt voor ons daarop ruim voldoende licht, zodat wij ons nooit zorgen meer behoeven te maken over ons eeuwig heil. Ook het volgende vers uit de Bijbel werpt daar een ‘bevrijdend’ licht op: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, hun gaf Hij het recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn” (Johannes 1:12). Om kind van God te worden hebben we dus geen kerk of paus nodig, maar die ene weg, de Heer Jezus Christus zelf, de Weg de Waarheid en het Leven (zie Johannes 14:6a). Alleen in deze ene Persoon is de weg tot behoudenis, in niemand anders (Handelingen 4:12). Zoals er één God is, zo is er ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus (vers 5). Alleen door Hem die Zichzelf gegeven heeft, kunnen wij met God in contact komen. Dit geldt voor de eerste keer alsmede wanneer we daarna tot God naderen (vergelijk Johannes 14:6b). Alleen door het bloed van Jezus kunnen wij binnengaan in het heiligdom (Hebreeën 10:19). Een middelaar naast de Heer Jezus Christus is daarom ook een ontkenning van de waarde van het offer van de Heer Jezus Christus. Dat geldt dus ook voor Maria die door zovelen werd (en wordt!) aangeroepen als ‘middelares’ tussen God en mens. Een zeer verwerpelijke dwaling die vele eenvoudige zielen de afgelopen eeuwen heeft verleid en nog verleidt. Doordat de Heer Jezus Christus mens is geworden én de prijs van de verzoening heeft betaald met Zijn eigen kostbaar bloed (zie: 2 Korinthe 5:18-20; 1 Petrus 1:18-22; 1 Johannes 4:10) is Hij de Middelaar. Hij gaf Zichzelf! Geprezen zij Zijn onnaspeurlijke Naam!
Hoe heerlijk is het toch wanneer wij het volgende kunnen zingen:

De voorhang is gescheurd, de hemel is nu open;
het leven in het licht is thans ons eeuwig lot.
De toorn, die op ons was, is op u aangelopen;
Uw liefde is groot, o Lam van God!

Persoonlijk gebed

We gaan nu verder in op ons onderwerp, het gebed. Het voorgaande in gedachten houdende, is het dus zeker van belang te bidden voor alle mensen, persoonlijk en gemeenschappelijk. Doen we dit wel, of hangt het er een ‘beetje’ bij?
We beginnen eerst met het ‘persoonlijke’ gebed. Hoe belangrijk, hoe nodig en hoe onmisbaar is dit toch. Hoe zou het anders ook moeten met ons in deze vijandige wereld? Alleen door in contact te zijn en te blijven met onze God en vader, met onze Heiland en Heer, kunnen we staande blijven. Alleen door voor Hem te knielen, blijven we staande. Moeten wij niet direct – als we dit overwegen – erkennen: ‘O Heer, wat kom ik daarin tekort’? Daarom is het goed om elkaar op te roepen met de woorden van de Bijbel, met het Woord van God: “Bidt zonder ophouden” (1 Thessalonika 5:17). Onze Heiland sprak ook deze prachtige woorden: “Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een ieder die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en die klopt, zal opengedaan worden” (Mattheüs 7:7-8). “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u” (1 Petrus 5:7). Niet “dan ga ik voor u zorgen”, nee, Zijn zorg die Hij nu al uitoefent, moet voor mij aanleiding zijn om alles wat mij hindert, alles wat een last voor mij is, op Hem te werpen. Waarom? Omdat Hij voor mij zorgt! Laten we dat doen, geliefde medereizigers naar het hemels vaderland!
Het persoonlijke gebed gaat vooraf aan het gemeenschappelijke gebed. Dat klinkt logisch, maar staan we daar wel voldoende bij stil? Komt daar misschien ook niet gedeeltelijk de ‘leegheid’ uit voort die anderen om ons heen opmerken en die hen moeiten veroorzaken? Is dat misschien niet de oorzaak van de ‘repeteergebeden’, die ergens in ons geheugen liggen opgeslagen en die we (als mannen) in de gemeenschappelijk bidstonden uit ons geheugen oproepen en vervolgens uitspreken? Frisheid in ons gebed kan er alleen maar zijn wanneer we ons ophouden aan de ‘frisse wateren’ van Zijn Woord, wanneer wij drinken uit Zijn waterbeken die immers vol water zijn (vergelijk Psalm 1:3; 65:10), dus wanneer wij in een ‘ongehinderde gemeenschap’ met de Vader en met Zijn Zoon (zie 1 Johannes 1:3 en 6-7) onze weg gaan. Hoe is het met onze verborgen omgang met God?

Gemeenschappelijke gebed

“Ik wil dan, dat de mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist” (vers 8). Dit vers brengt ons direct op het terrein van het gemeenschappelijk gebed.

Mannen
Zo komen we bij het gemeenschappelijke gebed. De apostel zegt: “Ik wil dan …”. Deze uitdrukking (Grieks: ‘boulomai’) gebruikt de apostel vier keer, namelijk in Filippi 1:12; 1 Timotheüs 2:8 en 5:14; Titus 3:8. Het is de uitdrukkelijke wens, plan, raadsbesluit, wil van de apostel. Het hoofdwoord ‘boule’ wordt vaak vertaald met ‘raadsbesluit’, maar ook wel met ‘raad’, ‘beraadslaging’ of ‘wil’ (vergelijk Lukas 7:20; 23:51; Handelingen 2:23; 4:28; 5:38; 13:36; 20:27; 1 Korinthe 4:5; Efeze 1:11; Hebreeën 6:17). Verder zegt de apostel hier “alle mannen”. Mannen nu zijn ook tegenwoordig nog steeds geen vrouwen. Deze tekst spreekt duidelijk de mannen aan. Dat heeft met discriminatie van vrouwen totaal niets te maken, maar wel met de scheppingsorde van God. De vrouw heeft een ondergeschikte plaats aangewezen gekregen door God omdat 1) zij na Adam werd geschapen en 2) zij verleid werd en niet Adam (vers 13-14). De scheppingsorde van God is: God – Christus – man – vrouw. Dat betekent zeer zeker niet dat een vrouw minder waarde voor God zou hebben. Een conclusie die helaas vele mannen getrokken hebben met alle nare gevolgen van dien. Nee, de scheppingsorde van God heeft te maken met de orde van gezag, van macht. Volgens deze orde staat de vrouw onder de man zoals de man onder Christus staat (1 Korinthe 11:3). Haar positie is onderworpen aan de man. Dit heeft niets met cultuur te maken, maar met de gedachten van God aangaande scheppingsordening. Ook de ‘wet’ zegt al dat haar positie door onderworpenheid wordt gekenmerkt (zie Numeri 30). Ook de apostel Paulus schrijft in 1 Korinthe 14:34: “laten uw vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet vergund te spreken, maar onderworpen te zijn, zoals ook de wet zegt” (zie ook Genesis 3:16; Efeze 5:22-24, 33; 1 Timotheüs 2:12). We zullen later zo de Heer wil onder het kopje ‘vrouwen’ hierop verder ingaan.

Er staat dus niet “dat allen bidden” maar dat “de mannen … bidden”. Hier worden de mannen – let wel, het gaat hier natuurlijk wel om gelovige mannen – opgeroepen tot het openlijk bidden “in elke plaats” en niet de vrouwen. Zij hebben een andere taak in overeenstemming met haar positie (vers 9-15). Het gaat hier met name over het bidden in het openbaar. Dat geldt dus zeker ook voor de samenkomst van de gemeente. Dat is wel iets wat we in onze dagen bijna niet meer mogen zeggen. Toch leert de Schrift dit! Een anders handelen is een duidelijke ongehoorzaamheid ten opzichte van de gedachten van God. Een heel ernstige zaak met verstrekkende gevolgen.

Het zwijgen van de vrouw heeft ook alles met het uitspreken van een gebed te maken. Immers, als een vrouw in het openbaar een gebed wil uitspreken, moet zij haar door God geboden ‘stilzwijgen’ verbreken. Een gebod van de Heer wordt daarmee overtreden (zie 1 Korinthe 14:34-37). Toch mogen de mannen zich dit gebod ook wel degelijk aantrekken. Immers het ‘chronisch’ zwijgen van mannen is niet in overeenstemming met hun positie. Eigenlijk plaats je je dan in de positie van vrouw wanneer je ‘zwijgt’. Daarom mannen, bidt zoals de apostel hier vermaant. Misschien verraadt het zwijgen van sommige mannen wel dat zij geen ‘heilige’ of ‘reine’ handen hebben, zoals ons vers 8 verder zegt. Wordt het dan geen tijd dat deze ‘gereinigd’ worden. Daarvoor hebben we immers ook het Woord van God. “Christus heeft de gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door het Woord” (Efeze 5:25-26). Staan we daar open voor, mannen?

Verder is het wel zo, dat er zeker ook andere redenen kunnen zijn, waarom een man ‘chronisch’ zwijgt. Daarover willen we niet oordelen. Wat misschien wel voor dezulken raadzaam is, is dat zij met dit ‘chronisch’ zwijgen naar de Heer gaan en Hem dit voorleggen. Daarmee laten zij in ieder geval de Heer zien, dat zij zeker wel willen beantwoorden aan de Zijn gedachten omtrent hun positie in het openbaar gebed. De Heer wil zeker horen en helpen.

Het woord plaats (Grieks ‘topos’) geeft een plaatselijke gesteldheid aan, een plaats, een ruimte. Hier gaat het niet om een bepaalde plaats, maar om ‘elke’ plaats en wel om elke geografische plaats. Het bidden van een man blijft niet beperkt tot de samenkomst van de plaatselijke gemeente, zoals we dit in 1 Korinthe 14:34, omdat het daar gaat om de gemeenten. Het feit dat een zuster niet in tegenwoordigheid van een man bidden mag, wil natuurlijk niet zeggen dat zij minder geestelijk zou zijn of omdat zij niet bekwaam zou zijn om te bidden. Waar gaat het dan wel om? Als iemand in tegenwoordigheid van anderen openlijk bidt, leidt iemand de overige aanwezigen en is mond van de aanwezigen. Wij spreken dan ook in normaal Nederlands over ‘voorgaan in gebed’. Het is een leidinggevende plaats alsmede oefent zo iemand onmiskenbaar door zijn/haar gebed een bepaalde invloed uit op de aanwezigen. Dat is op zichzelf genomen ook juist. Maar God wil niet dat dit door de vrouw gebeurt, maar door de man. Hier zullen we later zo de Heer wil nog op terugkomen.

“Opheffing van heilige handen”

Wat het ‘opheffen van heilige handen’ betreft, moeten we niet denken dat het hier gaat om een uiterlijk gebaar, zoals we in sommige evangelische kringen wel tegenkomen. Ik moet eerlijk bekennen dat in onze tijd, wanneer ik zulke handen in de lucht zie zwaaien, mij het gevoel vaak bekruipt alsof men daarmee eigenlijk zeggen wil: Kijk eens, hoe ik ‘mee’ ben in het gebed; zie eens hoe ik betrokken ben! Ook zie ik bij hen geen onderscheid tussen de hedendaagse gewoonte van veel jongeren om met hun handen en armen omhoog te zwaaien wanneer zij vaak helemaal ‘dizzy’ zijn van de meeslepende wereldse muziek en erotische dans. Toch wil ik hieraan direct toevoegen dat ik niet in de harten kijken kan, dat kan alleen God, de hartenkenner! Hoe dit ook zij, het gaat hier om een morele innerlijke houding, die uit ware vroomheid voortkomt. Het opheffen van handen paste wel bij het volk Israël in het Oude Testament. Daar vinden we dit dan ook uitsluitend. Zie maar in bijvoorbeeld Psalm 28:2 en 141:2 en in 1 Koningen 8:22. Handen die opgeheven worden zijn dus duidelijk te zien. Besmeurde handen kunnen niet in gebed voorgaan. Dat het hierbij dus niet om onze ‘lichamelijke’ handen gaat, moge duidelijk zijn. Immers, het kan wel eens voorkomen – en het komt ook wel voor – dat iemand door zijn werk vuile handen heeft en dat hij niet de gelegenheid had om deze te wassen maar desalniettemin toch voorgaat – en moet voorgaan – in gebed. Dat zou dan niet kunnen. We begrijpen dat dit niet de bedoeling kan zijn. Nee, het gaat om zijn morele houding, is die naar God toe ‘in orde’. Er kunnen ‘verhinderingen’ zijn in het gebed zoals ons 1 Petrus 3:7 leert. Deze worden niet veroorzaakt door vuile handen maar door de man met zijn vrouw niet als met een ‘zwakker vat’ omgaat. Daarbij kunnen we ook denken aan de vermaning bestemd voor de mannen: “Gij, mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en zichzelf voor haar heeft overgegeven …” (Efeze 5:25). Deze vermaning is zeker niet overbodig. Zijn wij als mannen vaak niet liefdeloos ten opzichte van onze vrouwen (ja, mogelijk ten opzichte van ook andere vrouwen)? Alleen de mannen worden in dit opzicht vermaand. De vrouwen worden daartoe niet vermaand. Hun vermaning ligt op een ander terrein. En zijn vaders soms niet liefdeloos in de opvoeding? Ontbreekt het hen vaak niet aan wijsheid en geduld? “En gij, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de tucht en vermaning van de Heer” (Efeze 6:1). Dit zijn zo enkele dingen die gebeden kunnen ‘verhinderen’.

“Zonder toorn en twist”

Vervolgens worden hier verder nog twee dingen genoemd die van bijzonder belang zijn voor de man. Het eerste is ‘zonder toorn’ en het andere is ‘zonder twist’. Dit zijn eigenlijk twee voorwaarden die essentieel zijn voor een gebed dat welgevallig is voor God.

‘Toorn’ in het hart naar iemand anders toe zonder ‘vergevingsgezindheid’ alsmede ‘onverdraagzaamheid’ en ‘bitterheid’ gaan lijnrecht in tegen de gedachten van God. De Heer Jezus heeft gezegd: “En wanneer gij staat te bidden, vergeeft als gij iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader, die in de hemelen is uw misdaden u vergeeft” (Markus 11:25) en: “Want als gij de mensen hun misdaden vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven” (Mattheüs 6:14-15). De apostel Paulus schrijft: “Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar, als de een tegen de ander een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zó ook gij. En boven dit alles de liefde, die de band van de volmaaktheid is” (Kolosse 3:13-14). In de Hebreeënbrief staat: “Jaagt naar vrede met allen en naar heiligheid, zonder welke niemand de Heer zien zal; ziet daarbij toe, dat niet aan iemand de genade van God ontbreekt; dat er geen wortel van bitterheid opschiet, die onrust veroorzaakt waardoor velen verontreinigd worden” (Hebreeën 12:14-15).

Het woord ‘twist’ kan men ook vertalen met ‘twijfelachtige overlegging, redenering’. Dat is iets wat er niet in onze harten gevonden mag worden naar God toe. Als we bidden moeten we dat doen in vertrouwen op God en niet in twijfel of doortrokken met eigen (menselijke) redeneringen. “En is iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die vragen aan God, die aan allen geeft, mild en zonder verwijt, en zij zal hem gegeven worden. Maar laat hij vragen in geloof, zonder te twijfelen. Want wie twijfelt, is gelijk aan een golf van de zee, die door de wind gedreven en op en neer geworpen wordt. Want zo iemand moet niet menen dat hij iets ontvangen zal van de Heer; hij is een wankelmoedig man, onbestendig in al zijn wegen” (Jakobus 1:5-8).

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM