Gods woonplaats
Kernverzen: Exodus 25 vers 1-9
Exodus 25 vers 1-9:
1. Toen sprak de HEERE tot Mozes:
2. Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij voor Mij een hefoffer nemen. U moet van iedereen wiens hart hem gewillig maakt, een hefoffer voor Mij nemen.
3. Dit is het hefoffer dat u van hen moet nemen: goud, zilver en koper,
4. blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol, fijn linnen en geitenhaar,
5. roodgeverfde ramshuiden, zeekoeienhuiden en acaciahout,
6. olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en specerijen voor het geurige reukwerk,
7. onyxstenen en andere edelstenen als opvulling voor de efod en de borsttas.
8. En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen.
9. Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u het maken.
Inhoud
- God heeft gemeenschap in de Hof van Eden
- God bezoekt Abraham
- God woont in de tent der ontmoeting
De ark van het verbond buiten de tent - God woont in de tempel
De tempel wordt verwoest en herbouwd - God woont in Christus Jezus
- De Heilige Geest woont in gelovigen
- Gods woonplaats in het Duizendjarig Rijk
- Gods woonplaats in de eeuwige toestand
Hier vinden we een lijst met materialen die nodig waren voor de bouw van de tabernakel, de woonplaats van God. Het was een wonderbaar gebouw, dat de ultieme inspanning en waarde vertegenwoordigde voor de tijd waarin het werd gebouwd maar ook voor alle tijden. Er werden geen kosten gespaard en er werden geen compromissen gesloten in het schitterende ontwerp, ter voorbereiding van de woonplaats van God. Het resultaat was zo glorieus en wonderbaarlijk, dat geen menselijk oog ooit zoiets had gezien, en tegelijkertijd toch geschikt om hen in de woestijn te begeleiden.
Als metalen moesten goud, zilver en koper gebruikt worden. Al het acaciahout in de tabernakel was met goud bedekt, inclusief de planken, de ark van het verbond, het reukaltaar en de tafel met het toonbrood. De kandelaar en het verzoendeksel waren echter volledig van dit kostbare edelmetaal gemaakt.
Zilver vormde het fundament van het gebouw, want elke plank rustte stevig op twee zilveren voetstukken, die waren voorzien van uitsparingen waarin de pennen van de planken pasten. Dit gaf de hele constructie sterkte en stabiliteit.
Koper werd gebruikt in de voorhof; zowel de sokkels van de pilaren bij de ingang van de tabernakel als die van het gehele voorhof waren van koper gemaakt. Bovendien waren het wasvat en het rooster van het brandofferaltaar vervaardigd van dit solide en duurzame materiaal, evenals de verschillende altaarvoorwerpen.
Vervolgens worden de materialen genoemd die voor de tentkleden zijn gebruikt: blauwpurper en roodpurper, scharlakenrood en dubbeldraads fijn linnen. Geitenhaar, rood geverfde ramshuiden en zeekoeienhuiden werden gebruikt voor de overige kleden. Acaciahout werd gebruikt voor de planken. We zullen elk van deze materialen in detail bekijken wanneer we de afzonderlijke onderdelen van deze wonderbaarlijke constructie tegenkomen.
Tot slot worden de olie, de specerijen en de edelstenen genoemd, die elk waardevolle ideeën bevatten. We zullen later ingaan op hun spirituele betekenis.
Laten we nu drie punten in verband met de opsomming van deze elementen bekijken:
- Ten eerste staat er, dat God zijn volk aanmoedigt om een vrijwillig offer te brengen: “U moet van iedereen wiens hart hem gewillig maakt, een hefoffer voor Mij nemen” (Ex. 25:2).
- Ten tweede stuiten we op zijn verlangen om een woonplaats te hebben te midden van Zijn volk: “En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun kan wonen” (Ex. 25:8).
- Ten derde moest alles gemaakt worden volgens het ontwerp, dat aan Mozes getoond was: “Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u het maken” (Ex. 25:9). Dit laatste punt zal ons in het bijzonder verder bezighouden bij onze gedetailleerde overdenking van de tabernakel.
We zullen de eerste twee punten nu nader bekijken.
Al deze voorwerpen spreken op de een of andere wijze van Christus in Zijn veelvoudige volmaaktheid en heerlijkheid. Toch werd het volk opgeroepen om ze als een vrijwillige offergave te brengen. God heeft Christus in hele Zijn volheid aan ons geopenbaard – maar als Hij onder ons wil wonen en wij in de praktijk van Zijn tegenwoordigheid willen genieten en gemeenschap met Hem willen hebben, moet dat dan niet op de een of andere manier gebeuren op basis van een vrijwillig offer van onze kant? Tegenwoordig gaat het niet meer om materiële offers, want we worden niet opgeroepen om ons letterlijke aandeel in goud, zilver of edelstenen te brengen. Maar onze harten moeten aangewakkerd en bereidwillig gemaakt worden om binnen te treden in wat Christus, onze Heer, is, zodat we het in zekere zin aan God kunnen brengen, Die op Zijn beurt de Heer aan ons openbaart door Zijn Geest en ons ertoe leidt Hem ten volle te genieten.
We kunnen dus zeggen, dat de verantwoordelijkheid bij ons ligt. Alles komt voort uit volmaakte genade, maar stroomt door harten die door die genade bereidwillig zijn gemaakt. Zo moet Christus in zekere zin voor onze harten dat zijn, waarvan het goud, het zilver, enzovoort spreken. Het gaat hier niet om een louter intellectueel begrip, maar om het aangrijpen van de bronnen van ons leven, wat ons ertoe brengt ze als het ware voor onze genadige God neer te leggen – voor Zijn gebruik en aanname. Wat een gedachte! Moge de Heilige Geest Zijn vrucht in ons voortbrengen. We zijn niet alleen bedoeld om te ontvangen, maar ook om te geven. Nu we de verschillende onderdelen van deze structuur voor ons hebben, laten we alles doen met het doel ze diep in ons hart te laten doordringen, zodat ze ons kunnen leiden tot aanbidding en een leven zoals Christus. Dit is wat God verheerlijkt, want het is Zijn welbehagen om over Zijn gezegende Zoon te horen. Hij houdt ervan wanneer we Hem over onze nood vertellen, en toch is het de ene kostbare en zoete Naam van Jezus, waarin alle heerlijkheid van de Eniggeborene straalt.
Laten we dus een gewillig volk zijn, met een hart dat klopt voor Christus en voor wie Hij al het geluk uitmaakt en die God hun Heer en Verlosser Christus brengen.
Dit brengt ons bij het tweede punt dat verband houdt met het thema van Gods woonplaats te midden van het volk: “En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen” (Ex. 25:8).
God heeft gemeenschap in de hof van Eden
Toen God aan Zijn scheppingswerk begon, was het Zijn gedachte om in het midden van Zijn schepselen te zijn. Dit wordt ons prachtig voorgesteld in Spreuken 8. Daar spreekt Hij over Iemand genaamd Wijsheid – die bestond vóór de schepping, vóórdat de aarde met haar bergen en bronnen werd gevormd. Hij was vanaf het begin bij God, een lid van de Goddelijke familie – Iemand in Wie God behagen schepte. Toch voegt Hij eraan toe: “… Mijn bron van blijdschap vond Ik bij de mensenkinderen” (Spr. 8:22-31). Merk dus op, dat de Goddelijke liefde – in de Zoon – al op Zijn schepselen rustte vóór de schepping bestond, en dat het Zijn verlangen was om bij hen te wonen.
Daar lijken de beide gedachten, de verlossing en het wonen bij de mensen, met elkaar verbonden te zijn. Net zoals onze geliefde Heer de Verlosser was, het Lam, “voorgekend vóór [de] grondlegging van [de] wereld” (1 Petr. 1:20), zo zeker verlangde Hij er naar om te wonen te midden van Zijn verloste volk.
Laten we dit eens nader bekijken aan de hand van enkele Schriftgedeelten die spreken over Gods tegenwoordigheid onder de mensen. Ten eerste kijken we terug naar Eden, het paradijs van de mens, waar onze eerste ouders in onschuld woonden. We hebben de indruk, dat God een heilige gemeenschap met hen onderhield, als we het zo mogen zeggen. Want na de zondeval wordt er over Hem gezegd, dat Hij in de koelte van de dag in de hof wandelde, en uit deze woorden kunnen we concluderen, dat dit geen ongebruikelijk bezoek van de heilige God was. Hoewel Eden, de woonplaats van de onschuldige mens, niet de plaats van eeuwige gerechtigheid was, had de zonde daar nog geen vat op gekregen, en kon God tot op zekere hoogte gemeenschap hebben met Zijn schepselen. Wat een prachtig beeld is dit: de hof, door Gods hand aangelegd tot genot en werkterrein voor de mensen, en de Schepper die naar deze plaats afdaalt om, voor zover mogelijk onder deze omstandigheden, gemeenschap met hen te hebben.
Maar helaas verwoestte de zonde al snel alles. Satan, die zelfs de aanwezigheid van een heilig God en de gedachte, dat schepselen zich aan Hem zouden onderwerpen niet kon verdragen, was al gevallen uit de toestand waarin hij was geschapen. Hij was in opstand gekomen tegen God en was sindsdien de gevallen, meedogenloze, hopeloze vijand van Gods heiligheid, goedheid en barmhartigheid. Hij zaait subtiele twijfels over Gods goedheid en verleidt de vrouw. De man volgt haar, zich daar volledig van bewust. Zo komt de zonde de wereld binnen, en wanneer God neerdaalt om (mogen we dat niet zeggen?) Zijn gewoonlijke omgang met Zijn schepselen te hebben, vluchten zij voor Hem en verschuilen zich achter de bomen van de hof.
Zonde kan de tegenwoordigheid van God niet verdragen. Sinds die dag is de mens niet meer in staat geweest deze heilige tegenwoordigheid te verdragen. Wat is het doel van elke heidense religie? Niet om kennis van God over te dragen, maar om hem in staat te stellen zonder God te leven. De ergste of meest verfijnde rituelen hebben één ding gemeen: daarin verbergt de mensheid zich voor God in bereidwillig zelfbedrog, en vreest niets zozeer als de gedachte aan een volkomen heilig God. Het geweten schreeuwt om iets, en daarom plaatst de mensheid haar religie tussen zichzelf en God, maar daarmee bevindt zij zich praktisch buiten Eden {het paradijs – FW}. We weten niets meer van dit oorspronkelijk wonen van God bij zijn schepselen, behalve deze korte blik, die de Schrift ons hier schenkt. Het een zaak, dat voor altijd in het verleden ligt.
God bezoekt Abraham
We gaan nu verder met een andere verwijzing in het boek Genesis naar het wonen van God, of beter gezegd, het bezoek van God aan de mensen. Is er een mooier beeld in dit boek dan het bezoek van die drie vreemdelingen aan Abraham (Gen. 18:1-8) terwijl hij in de hitte van de dag bij de ingang van zijn tent zat? De trouwe patriarch {aartsvader – FW} ziet de vreemdelingen naderen en biedt hun vol ijver de gastvrijheid van zijn huis aan. Eén van hen is de levende God; de andere twee zijn Zijn engelen, die Hij spoedig zal uitzenden voor een andere taak. De heilige God neemt de aangeboden gastvrijheid aan en wordt een Gast in de tent van Abraham, de pelgrim.
Hier, in het eerste boek van de Schrift, vinden we een beeld van het karakter van Gods vertrouwdheid met Zijn volk. In de ongezuurde koeken en het kalf, dat als voedsel werd aangeboden, zien we een voorafschaduwing van “het Brood van God” – de zondeloze Persoon van Christus – en Zijn offer. Dit is de enige grondslag waarop een rechtvaardig en heilig God gemeenschap kan hebben met een gevallen schepsel; het geloof erkent dit altijd, te beginnen met Abel.
In schril contrast hiermee worden de engelen naar Sodom gestuurd, waar Lot zich gevestigd heeft. Daar is geen tent en geen altaar. Lot had zijn karakter als vreemdeling en priester opgeofferd voor aards gewin, en daarom komt God niet persoonlijk naar hem toe. Zijn engelen redden hem uit genade, maar er is geen sprake van vertrouwdheid.
God woont in de tent van de ontmoeting
Het volgende beeld van het wonen van God bij de mensen (de tent van de ontmoeting) zullen we later nog tegenkomen. Het is geen tijdelijk bezoek aan een individu, maar een blijvende tegenwoordigheid bij Zijn volk tijdens de woestijnreis en daarna.
De ark van het verbond buiten de tent
Toen de tent van de ontmoeting in het land werd gebracht, werd deze in Silo opgericht. Na de rampzalige geschiedenis van Israël, zoals beschreven in het boek Richteren – de ene afvallige daad na de andere – werd de ark van het verbond door de Filistijnen buitgemaakt. Hoewel God haar uit hun handen bevrijdde, werd ze nooit meer in de tent der samenkomst in Silo opgericht (zie Ps. 78:59-72). Dit is één van de vele aanwijzingen, dat de tent van de ontmoeting slechts een symbolische waarde had – in die zin, dat het over Christus sprak. 2 Kronieken 1 vers 3 en 13 toont ons de tent van de ontmoeting in Gibeon, maar niet voor de voorgeschreven eredienst, voor zover ons wordt bericht.
God woont in de tempel
Vervolgens komen we bij een symbool van Gods permanente woonplaats op aarde: de tempel. Deze, gebouwd door Salomo, was het magnifieke hoogtepunt van zijn glorieuze heerschappij. Hoewel het basisplan van de tent der samenkomst in acht wordt genomen, straalt alles eraan duurzaamheid uit: de stenen getuigen van Goddelijke stabiliteit; de houtsnijwerken en het goud van glorie. Toch is het slechts een symbool. “Salomo echter bouwde Hem een huis,” verkondigde Stéfanus, om zijn toehoorders er meteen aan te herinneren dat “de Allerhoogste woont niet in met handen gemaakte [tempels]” (Hand. 7:47-50). Het is veelzeggend, dat Stéfanus zijn samenvatting van de geschiedenis van Israël afsluit met de tempel; het was het hoogtepunt van de glorie van het volk, en we hoeven Salomo’s verhaal slechts verder te volgen om te zien, dat het allemaal slechts een schaduw was. Het inwijdingsgebed was nog maar nauwelijks weggeëbd in de bergen van Jeruzalem, of Salomo verviel al in schandelijke zonde en afgoderij. Alles was slechts een beeld, wachtend tot de volle heerlijkheid van God zou worden toevertrouwd aan Hem Die volmaakt, absoluut en voortdurend – in hart, leven en wezen – de belichaming van God was.
De tempel wordt verwoest – en herbouwd
Nebukadnezar verwoestte de tempel, brandde hem volledig af en voerde de gouden vaten met het volk naar Babylon weg. Door genade werd een overblijfsel van het volk na zeventig jaar ballingschap teruggebracht naar Jeruzalem, en de tempel werd herbouwd. Alles was weliswaar sterk gereduceerd, en we lezen niets over het zien van de Sjechinah-wolk [1]. Maar het huis van God was er nog, evenals de belofte aan het volk dat als ze zich oprecht tot God zouden omkeren, Hij de heerlijkheid van het laatste huis groter zou maken dan die van het eerste (Hag. 2:10).
God woont in Christus Jezus
Er zijn verschillende eeuwen van stilte tussen Maleachi en Mattheüs wanneer plotseling de heerlijkheid terugkeert naar het land van Immanuël. God Zelf is gekomen! “Plotseling zal naar Zijn tempel komen die Heere Die u aan het zoeken bent” (Mal. 3:1). En hoe komt Hij? We zien de hemel geopend en Zijn dienaren met vreugde dienen ter gelegenheid van de komst van hun Schepper naar de aarde. Maar als we naar de aarde kijken om te zien, waar deze heerlijkheid haar thuis zou vinden, vinden we haar niet in de tempel, zelfs niet in Jeruzalem. We gaan naar Bethlehem en zien met de verbaasde herders in de kribbe de tempel van God, het heiligdom waar Zijn heerlijkheid een thuis en woonplaats heeft gevonden. “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond [2] en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader” (Joh. 1:14). Als we de mens Christus Jezus zien, zien we de ware woonplaats van God. Hij zou over Zijn lichaam kunnen zeggen: “Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten” (Joh. 2:19). God had eindelijk een geschikte verblijfplaats bij de mensen gevonden.
Hier bevinden zich als het ware twee woonplaatsen: de ene, de tempel zonder de heerlijkheid van de Sjechinah, maar verbonden met alle vormen en rituelen waar de Joden zo trots op waren; de andere, in de mens Christus Jezus, de glorieuze Zoon van God, Die Zichzelf op aarde openbaarde als het getuigenis van God. Deze twee woonplaatsen staan in contrast met elkaar. De ene getuigt van Israëls zondige verleden en de noodzaak tot redding; de andere is de smetteloze, zondeloze Heilige. Welke zullen de leiders erkennen?
Onze Heer komt naar de tempel en jaagt de kopers en verkopers weg, zeggende: “Maakt niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel” (Joh. 2:13-17). Later noemt Hij het een “rovershol” (Matth. 21:13), terwijl het eigenlijk een huis van gebed zou moeten zijn. Welke tempel willen ze: het simpele gebouw, “uw huis” (Matth. 23:38), zoals Hij het noemt, of Hem die het huis zou reinigen en die Zelf de woonplaats van God was? We kennen het verschrikkelijke antwoord. Pilatus plaatst een moordenaar en Christus voor hen, en zij roepen (ach, onze zondige harten zeiden ooit hetzelfde): “Weg met Hem, en laat ons Barabbas los!” (Luk. 23:18).
Zo werd de tempel verwoest voor zover mensenhanden dat doen konden. De prachtige, onvergankelijke tempel van Zijn lichaam wordt in het graf gelegd en Zijn geest keert terug naar de Vader. Dit is de reactie van de mensen op de woonplaats van God hier op aarde. Hij brengt God te dichtbij – Zijn heiligheid bestraft de zonde – en de mensheid verkiest zelfs een moordenaar boven de heilige Christus van God.
Maar Gods genadige plannen worden niet verijdeld door menselijke zonde. Integendeel, juist deze daad van geweld, deze vijandschap die zich openbaarde in de verwerping en dood van de Heer Jezus, is de gelegenheid voor de meest volmaakte openbaring van Gods liefde. Zijn dood maakte de weg vrij voor Gods liefde om in overvloedige genade te stromen naar zelfs de ergste en armste zondaars.
We gaan nu een klein stapje verder. God had deze heerlijke woonplaats op aarde in Zijn Eigen geliefde Zoon. Maar de mensheid kon en wilde deze nabijheid van een God Die bij hen woonde niet aannemen, en daarom wierpen ze Jezus – Immanuel – uit door Hem te kruisigen. Maar God wekte Hem op uit de dood, en Hij steeg op naar de hemel. De “Tempel” is binnen de voorhang, in het binnenste heiligdom gegaan.
De Heilige Geest woont in gelovigen
Maar denk eens aan de wonderen van Gods genade. De Geest van God werd gezonden door een verheerlijkte Christus en door de Vader, en wij hebben nu een woonplaats van God, gevormd door de Geest (Ef. 2:22). Iedere gelovige in de Heer Jezus is een levende steen in dit geestelijke huis, dat “opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer” (Ef. 2:21). Hoe wonderbaarlijk is de genade van God! In de wereld waar Zijn Geliefde werd gekruisigd, waar mensen uitriepen: “Weg met Hem!”, is een woonplaats gevormd, gemaakt van datzelfde materiaal. Mensen die hun verloren toestand erkennen en de oneindige genade en liefde van God erkennen – uit deze steengroeve van de natuur zijn de kostbare stenen voor deze tempel van God gehouwen. Zo groeit, zonder veel ophef, zonder het geluid van een hamer (1 Kon. 6:7), deze eeuwige woonplaats van God, totdat God “de sluitsteen zal aandragen onder luid geroep: Genade, genade zij hem!’” (Zach. 4:7).
Maar ook nu al woont God in de gemeente, Zijn tempel door Zijn Geest; en elke gelovige is ook persoonlijk een woonplaats van God. “Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van de Heilige Geest?” (1 Kor. 6:19). Op het moment, dat iemand Christus heeft aangenomen, wordt hij of zij “verzegeld met de Heilige Geest van de belofte” en woont de Geest in hem of haar Die “het onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting” (Ef. 1:13-14). Wat een heilige gedachte is dat – onze lichamen zijn Gods woonplaats door de Heilige Geest, Die erin is komen wonen op grond van de volbrachte verlossing door Christus verzoenende dood.
Gods woonplaats in het Duizendjarig Rijk
We hebben gesproken over Israël, dat Christus verwierp en de heerlijkheid uit hun tempel verdween. De Heer had gezegd: “Zie, uw huis wordt aan u <woest> overgelaten” (Matth. 23:38), en er zou geen steen op de andere blijven. Toch vinden we in de profeet Ezechiël een prachtig beeld, dat verband houdt met de verwoesting van de tempel onder Nebukadnezar en de herbouw ervan aan het begin van het Duizendjarig Rijk.
De profeet ziet hoe de heerlijkheid van God zijn plaats tussen de cherubijnen verlaat en boven de drempel van de tempel gaat staan (Ezech. 10:4). Dit laat zien hoe de heilige en genadige God niet graag Zijn woonplaats verlaat. Het is alsof Hij Zijn volk smeekt en vraagt of zij Zijn heiligheid toch een plaats onder hen wil geven. Helaas, er komt geen antwoord; en aarzelend verlaat Hij de drempel en neemt Zijn plaats buiten de tempel in (Ezech. 10:18-19). Hij aarzelt nog steeds, en er komt nog steeds geen antwoord, dus verlaat Hij de tempel en gaat naar de Olijfberg (Ezech. 11:22-23). Uiteindelijk vertrekt Hij en laat hen alleen achter. Zijn volk wordt vervolgens in gevangenschap weggevoerd en de tempel ligt in puin.
Laten we ons nu richten op het laatste deel van de profetie, dat ons het overblijfsel van het volk laat zien dat – in het visioen van de profeet – uit de ballingschap is teruggebracht (Ezech. 43). Dit is uitsluitend te danken aan de trouw van hun genadige God, die zelfoordeel en ware bekering in hen teweegbrengt. Ze zijn teruggebracht naar hun land, elke stam naar zijn eigen erfdeel, en opnieuw is de tempel van God hun centrum, herbouwd met veel grotere heerlijkheid dan ooit tevoren, en de heerlijkheid die ervan was weggegaan, keert op vrijwel dezelfde manier terug als waarop ze was weggegaan. God keert terug en neemt Zijn intrek in die toekomstige tempel, en de heerlijkheid zal als beschutting (baldakijn) dienen (Jes. 4:5). Vanuit Sion, van volmaakte schoonheid, zal God stralen, en de naam van de stad zal zijn: JAHWEH SHAMMAH, “de HEERE daar” (Ezech. 48:35). Daar hebben we de aardse woonplaats van God tijdens het Duizendjarig Rijk. Het oog hoeft slechts omhoog te kijken om de heerlijkheid van de hemelse stad te zien. In het licht van deze stad zullen de volken der aarde wandelen gedurende dit gezegende tijdperk. Dan zal de “Koning in gerechtigheid regeren” (Jes. 32:1), en onze Heer Jezus zal erkend worden als de rechtmatige Heerser over de wereld waar Hij verworpen en gekruisigd werd.
Gods woonplaats in de eeuwige toestand
Tot slot hebben we de ultieme woonplaats van God. Onze gezegende Heer beloofde Zijn volk: “… Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben” (Joh. 14:2-3). We kennen de weg waarlangs Hij naar de Vader ging. Hij had op elk moment tijdens Zijn onvergelijkbare en heilige leven naar Zijn hemelse thuis kunnen opstijgen, maar dan zou Hij alleen zijn gebleven. In de woorden van de Hebreeuwse dienaar die weigerde vrijgelaten te worden, zei Hij: “Ik heb mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij man vertrekken (Ex. 21:5). En zo werd Hij, in Zijn toegewijde liefde, als het ware doorboord door de deurpost. Met andere woorden, Zijn weg naar de Vader leidde via Golgotha – Hij zou daarheen gaan door de dood – gekruisigd en “opgewekt uit de doden door de heerlijkheid van de Vader” (zie Rom. 6:4). Zo legde Hij het eeuwige en rechtvaardige fundament voor dit Vaderland, waar de zonde nooit kan doordringen en dat nooit door het oordeel aan het wankelen zal worden gebracht.
Hij is de hemel Zelf binnengegaan en heeft die in bezit genomen als woonplaats voor Zijn verloste volk voor alle eeuwigheid. Aan het einde van Openbaring zien we de hemelse stad “als een bruid die voor haar man versierd is,” en we horen een stem zeggen: “Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>. En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen” (Openb. 21:2-4).
God vindt uiteindelijk rust in Zijn schepping en woont te midden van Zijn volk – een verlost geslacht, een volk dat niet langer voor Zijn tegenwoordigheid vlucht zoals onze schuldige ouders in Eden. Hij zal hen niet slechts een bezoekje brengen zoals hij Abraham bezocht; Hij zal zich niet slechts onduidelijk en voorwaardelijk openbaren zoals in de tent der samenkomst of in de tempel; ook openbaart Hij Zich niet alleen in de smetteloze Zoon van Zijn liefde, Die in Zijn vernedering korte tijd over deze aarde ging; het zal niet slechts een geestelijk huis zijn waarin de Heilige Geest woont in de gemeente op aarde; maar het zal een volledige en eeuwige openbaring van Zichzelf zijn in Christus en door Hem in de gemeente, in Israël, in de geredde volken en in het hele universum.[3] Wanneer dit is volbracht, kan God zeggen: “De tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen.”
Als we de tabernakel beschouwen en de geestelijke waarheden ervan begrijpen, erkennen we wat God van meet af aan wilde, waar Hij voor werkte en wat Zijn aanbiddelijke Zoon, onze Heer, mogelijk heeft gemaakt door Zijn verzoenende dood. “Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap. Hij zal zwijgen [of rusten] in Zijn liefde. Hij zal Zich over u verblijden met gejuich” (Zef. 3:17).
Het derde punt, dat Mozes alles moest bouwen volgens het voorbeeld, dat hem op de berg was getoond, zal ons nog in detail bezighouden. Voorlopig volstaat het om te bedenken, dat het ontwerp niet aan het natuurlijke verstand van Mozes werd overgelaten. Werkelijke of louter ingebeelde overeenkomsten tussen de tabernakel en Egyptische tempels zijn onaanvaardbaar. Net zoals de Egyptische religie een satanische verdraaiing was van de waarheid van God die aan de mensheid was bekend gemaakt, zo waren ook de tempels die deze religie huisvestten een perversie van de waarheid over de woonplaats van God. Juist deze overeenkomsten waren vervalsingen die aanleiding gaven tot de meest afschuwelijke godslasteringen. Hoe dankbaar moeten we God zijn, Die niets aan het begrip van de gevallen mensheid heeft overgelaten, maar alles volledig heeft geopenbaard in Zijn Woord, niet langer slechts als een “patroon” maar in Hem Die het beeld is van de onzichtbare God (vgl. Kol. 1:5). We zullen zien, dat zelfs dit “patroon” tot in het kleinste detail door Hem is vervuld. Moge het ons verlangen zijn de Heer in dit hele patroon te herkennen en ons aan te sluiten bij de woorden van de Grieken in Johannes 12 vers 21: “Wij wensen Jezus te zien” (Joh. 12:21).
1. De Shechinah-wolk (vaak gespeld als Sjechinah) is een theologisch concept uit het jodendom en het christendom dat de tastbare, zichtbare aanwezigheid van God op aarde symboliseert. Het woord Shechinahzelf komt van het Hebreeuwse werkwoord shakan, wat ‘wonen’ of ‘verblijven’ betekent. De Shechinah-wolk is dus letterlijk de wolk waarin Gods glorie woont te midden van de mensen. {volgens AI – FW}
2. Eigenlijk ‘getabernakeld’, dit is in een tent gewoond.
3. Let op: in de eeuwige toestand zal het verschil tussen Israël en de volkeren echter niet meer bestaan.
www.soundwords.de; Samuel Ridout
Online in het Duits sinds: 05.01.2023, geactualiseerd: 04.05.2025
Originele titel: “God’s Dwelling-Place; Lezing 2 uit :Lectures on the Tabernacle, 1914”.
Bron: www.stempublishing.com
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW