15 jaar geleden

Verloochening van Petrus

Johannes 18:12-27

Allereerst wil ik erop wijzen dat we maar niet moeten neerkijken op die eenvoudige visser uit Galilea. Vooral niet met een neerbuigende (maar natuurlijk wel met een begripvolle glimlach) deze man van een veilige afstand bekijken.

Het is interessant om te zien hoe goed Petrus slapen kon. Vooral op momenten waarvan je denkt dat niemand dan slapen kan. Als boven op een bergtop de hemel de aarde in beroering brengt, slaapt hij gerust. Maar als hij dan ook wakker wordt, waarschijnlijk door het felle licht dat van het aangezicht van de Heer Jezus straalt, geeft hij wel direct zijn praktische raad (Lukas 9:28-36) hoewel hij geheel in de war was van angst. Toch meende hij iets te moeten zeggen (Markus 9:6). Dit laat toch wel zien hoe impulsief hij was.Ook in de tuin Gethsemané slaapt hij, evenals de andere discipelen. De Heer maakt hen dan wakker en ook dan komt Petrus direct in actie als hij de overval van Romeins-Joodse zijde van nabij meemaakt. De slaaf van de hogepriester moest er aan geloven en hij sloeg deze met zijn zwaard het rechteroor af. (Lukas 22:40-53). Radicaal en koelbloedig. Zenuwen speelden hem blijkbaar geen parten. Daarvan zien we ook iets in de storm op het meer.

Zien op Hem

Mattheus 14:22-33

We kennen misschien wel de geschiedenis van de storm op het meer waar Petrus op het water naar de Heer toe liep (Mattheüs 14:22-33; Markus 6:45-52; Johannes 6:15-21). Het gedeelte in Mattheus neem ik nu hier als leidraad.

De Heer Jezus was op de berg om te bidden. Hij was dus afwezig. Nu is de Heer ook afwezig en bidt Hij in de hemel voor de Zijnen (Hebreeen 7:25; Romeinen 8:34). Het is nu ook nacht, de nacht van Zijn afwezigheid. Donkerheid en stormen zijn nu het deel van de Zijnen. Maar de Heer Jezus zal komen, net zo als Hij toen bij Zijn discipelen kwam, zo zal Hij ook voor ons terugkomen. De satan is de overste van deze wereld en de duisternis neemt toe. Het is nu nacht. Het is dus absoluut niet een tijdperk van vrede, van herstel of opwekking. Dit in tegenstelling van wat vele belijdende Christenen beweren.

Zoals gezegd, de satan is de god van deze eeuw, de overste van deze wereld. Overste is in het Grieks “Archon” en dit betekent letterlijk politiek leider. Dit woord drukt uit dat de satan de wereld in een ijzeren greep houdt. De wereld is dat reusachtige systeem dat zich tegen God (en tegen allen die uit God geboren zijn – 1 Johannes 3:13) verzet. Het “bestuur” van deze overste van de wereld (zie Johannes 12:31; 14:30; 16:11) is onzichtbaar, maar wordt zeer listig in bedrog uitgevoerd. Kijkt u maar eens rondom u heen, vooral in de politiek. Er zijn dingen bekend van zeer belangrijke politieke leiders in deze wereld die zeer schokkend zijn. Toch zijn deze dingen velen niet bekend, daar zorgt de satan wel voor. Dat moet vooral de massa niet weten. Dat past niet in zijn plan, nog niet. Als satan de tijd rijp acht, komt hij wel tevoorschijn met zijn giftige plannen. Dat hebben we al zo vaak gezien in de geschiedenis. Daarbij herinner ik u onder andere aan de uitroeiing en de vervolging van de kinderen van God, nu en in vroeger tijden. Welke “koers” vaart dit bestuur? Een koers die in overeenstemming is met de invloeden die door haar “vorst” en “god” (geest die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid – Efeze 2:2) wordt uitgeoefend (voor “god”: zie 2 Korinthe 4:4).Het “karakter” van deze koers is vijandschap jegens Christus. Toch is dit alles geen probleem voor de Heer Jezus. Daar komt Hij wel doorheen. Hoewel alles tegen is, komt Hij terug. Niets kan Hem daarvan weerhouden. Ook de satan niet.

De bedeling (tijdperk) waarin wij leven vinden we symbolisch voorgesteld in die stormnacht, waarin de Heer Jezus afwezig was. De storm woedde, de golven stegen omhoog. Dan komt de Heer in de vierde nachtwaak, dat is kort voor het aanbreken van de dag. Zo komt Hij ook eens uit de hemel met het geschal van een bazuin om in de lucht Zijn Gemeente te ontmoeten. De ontslapen heiligen zullen ook daarbij zijn omdat deze zijn opgestaan uit de doden (1 Thessalonika 4:13-18; 1 Korinthe 15:51-52). De angst die de discipelen vervulde is kenmerkend voor hen die niet (of niet meer) weten dat de komst van de Heer vrede en veiligheid betekent. Voor hen die Hem verwachten, zien met verlangen naar Hem uit.

Verwacht jij hem ook? Er zijn nog meer toepassingen die echter in verband met ons onderwerp te ver zouden voeren. De gedachte die ik naar voeren wilde brengen gaat om het “zien” op Hem.

Hier zien we dus de Heer Jezus, de Schepper van alle dingen, zijn gezag uitoefenen op de natuurwetten. Jezus wandelt op de golven. Deze dragen Hem. Petrus had de stem van Zijn Heer gehoord die zei: “Hebt goede moed, Ik ben het” (vers 27). Deze stem die dwars door het geloei van de storm heen drong (en dringt!) in de oren van hen die Zijn stem kennen. Denk niet dat Petrus ook geschreeuwd heeft van angst, zoals zijn kameraden. Dat geloof ik niet (later werd Petrus wel bang toen hij de sterke wind zag). Waarom niet? Omdat Petrus de Heer antwoordt: “Heer, als U het bent, beveel mij naar U toe te komen over de wateren” (vers 28). Petrus gaat hier voorbij aan wat zijn kameraden doen. Hij had de vertroostende woorden van zijn Meester gehoord en herkend. Op het woord “Kom!” klimt Petrus uit het schip en gaat naar Jezus toe. Hij waagt met geloofsmoed de stap die hem buiten de kring van de discipelen brengt. Een daad van geloof. Zo liep Petrus over het water naar zijn Heer als antwoord op Zijn roepstem “kom”. Maar dan … dan kijkt Petrus naar de sterke wind. Wij moeten niet denken dat dit een onbeduidend briesje is geweest. Nee, een sterke wind. Sommige Christenen bagatelliseren de tegenspoeden, de stormen, de golven, de rampen. Dat is niet reëel, we moeten de dingen niet anders voorstellen dan ze zijn. De vraag is echter: Kijken wij ernaar en raken we er zo door gefassineerd en imponeert het ons zodanig, dat we vergeten op de Heer Jezus te zien. Dan kan het niet anders dan dat er angst in onze harten komt. We achten dan de stormen hoger als Degene die alle dingen draagt door het Woord van Zijn kracht, de Heer Jezus (zie Hebreeën 1:3). Ons (geloofs)oog ziet dan Hem niet meer. Hebben wij dit allen niet op een of andere wijze ervaren?

Toch moeten we niet verrast zijn wanneer we het Woord van de Heer Jezus gehoorzamen, ons afzonderen van datgene wat ons van Hem afhield, en Hem volgen, dat de vijand zich dan ook roert. De vijand van onze zielen wil niet dat we de Heer Jezus volgen. Maar de Heer Jezus laat ons nooit los. Hij zal niet toestaan dat wij verloren gaan, nee, Hij wil en kan ons volkomen behouden. Kijk maar naar Petrus die roept: “Heer, behoud mij!” De Heer Jezus laat Petrus niet in de steek, laat hem ook niet tot aan zijn nek toe zinken, maar grijpt “terstond” Petrus vast. Hij strekt Zijn hand uit. O, die liefdevolle, sterke hand van onze Heer en Heiland. Laten we die nooit vergeten! De Heer richt Petrus op en dan staat deze weer op de golven … verheven boven de omstandigheden door Zijn genade en kracht. Nu wandelt Petrus niet meer naar Jezus maar met Hem. Laten wij ons oog toch altijd op Hem richten! Is deze les uit deze storm ook voor ons niet zeer leerzaam, evenals voor Petrus?

Zelfvertrouwen

We hebben tot nu toe nog enkele dingen gezien van “Petrus volgen” van de Heer voor zijn verloochening van de Heer Jezus. We gaan nu kijken naar de “verloochening” zelf. Dat gebeurde na zijn eerste volgen en voor zijn tweede volgen. We doen er goed aan het gedeelte daarover eens goed te lezen. Dit kun je vinden in Mattheüs 26:59-75; Markus 14:55-72; Lukas 22:55-71; Johannes 18:15-27.

In alle vier evangeliën kun je het verhaal van de val van Petrus lezen. De Bijbel verbloemd niets. Niet omdat God er een behagen in zou hebben om de zonden van de Zijnen breed uit te meten. Dat is wel een heel verkeerde gedachte. Nee, we kunnen er zeker van zijn dat God onze harten kent. Daarom juist vond Hij het nodig om uitgebreid in te gaan op deze val van Petrus. Want wij zijn niet beter dan Petrus. De neiging om op onszelf vertrouwen is ook in ons vlees diep ingeworteld. Zelfvertrouwen moet ook bij ons geoordeeld en afgewezen worden, want ware “geestelijke” besnijdenis is: niet op het vlees vertrouwen (Filippi 3:3).

Petrus was al vooraf gewaarschuwd dat hij de Heer verloochenen zou. Toen hij de Heer had gevraagd: “Waar gaat U heen?”, antwoordde de Heer hem: “Waar Ik heenga, kun je Mij nu niet volgen, maar je zult Mij later volgen”. Petrus reactie daarop was: “Heer, waarom kan ik U nu niet volgen? Mijn leven zal ik voor U afleggen” (Johannes 13:36-38). Hij schatte zijn eigen moed nogal hoog in. De Heer had hem al gezegd dat de satan hem wilde ziften (Lukas 22:31). Dat betekende in ieder geval niet veel goeds; dat is zeker want wanneer de satan erbij komt, is er duisternis en verderf in het verschiet. Dat ziften zou zeer spoedig gebeuren. Maar de Heer Jezus wist dat en vertelt wat er nog diezelfde nacht zou gebeuren. Als het gaat om een strijd tussen goed en kwaad moet de mens het afleggen omdat hij een zondaar is. Het vlees is tot niets in staat. Dat moest Petrus leren, dat moeten wij ook leren. Theoretisch kennen we misschien die les al. Dank God ervoor. Maar hoe is het praktisch? Hoe gemakkelijk steunt de mens op zichzelf, dat zien we hier bij Petrus. Al dit zelfvertrouwen moet eraan.

Petrus acht zichzelf in staat om met de Heer de gevangenis, ja zelfs de dood in te gaan. Uit hetgeen wat de Heer daarop zegt, blijkt duidelijk dat hij Petrus hart kende; Petrus zelf helaas niet. En wij, kennen wij ook ons eigen hart? Wat zegt de Heer dan? “Ik zeg je, Petrus, de haan zal vandaag niet kraaien voordat je driemaal hebt geloochend Mij te kennen” (Lukas 22:34). Zelfs het tijdstip van deze verloochening werd al nauwkeurig door de Heer aangegeven.Wat zou er namelijk gebeuren? De Heer Jezus zou geslagen worden zoals Zacharias al profeteerde. Hij, de Goede Herder zou vallen onder het oordeel van God. Het zwaard van het oordeel van God zou over Hem heengaan. “Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de man Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heerscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden …” (Zacharias 13:7). Maar voordat het zover was, zou Petrus Hem verloochenen en ook de andere discipelen zouden Hem verlaten. Een nacht die zeker Petrus, maar ook de anderen, ongetwijfeld nooit vergeten zullen hebben. Hoewel ook de andere discipelen zijn gevlucht, over Hem ten val gekomen zijn (Mattheus 26:31; Johannes 16:31), kijken we nu in het bijzonder naar Petrus.

Het voorspel van de verloochening

We gaan nu eerst even het directe voorspel van de verloochening bekijken. Daartoe is het goed Johannes 18:1-14) te lezen. Nadat de Heer Jezus afzonderlijk met Zijn discipelen had gesproken (Johannes 13-17), “ging Hij uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een tuin was die Hij met Zijn discipelen inging” (vers 1). Deze beek kennen we. David weende hier toen zijn zoon Absalom tegen hem in opstand kwam (2 Samuël 15:23-30). Ook Judas kende deze plaats en kon zijn lugubere missie trefzeker aanvangen. Judas kwam niet alleen. Neen, een legerafdeling (bestaande uit Romeinse soldaten) en de dienaars van de overpriesters en de farizeeen (de tempelwacht) moest er aan te pas komen. Het was een grote schare. Mogelijk verwachtten ze tegenstand. Ze waren zwaar bewapend want je kon maar nooit weten. Nu zouden ze Hem niet meer laten ontsnappen. Als ze geweten hadden waarover Hij, de Schepper van alle dingen, kon beschikken, hadden ze zich waarschijnlijk wel bedacht. Wel, wat ze misschien niet gedacht hadden, gebeurde. De Heer Jezus wist wat er met Hem zou gebeuren. Hij wist het al voor de grondlegging van de wereld. Het overviel Hem dus niet bij wijze van een onaangename verrassing. Nee, Hij ging niet op de vlucht maar ging hen zelfs tegemoet en vroeg hen wie ze zochten. Hun lantarens en fakkels hadden ze dus niet eens nodig om Hem te zoeken. Hij wist dat “Zijn uur” gekomen was! “Wie zoekt u?”, vraagt Hij dan. Zij antwoordden: “Jezus de Nazoreeër”. Daarop antwoordde Jezus: “Ik ben het”. Zo had Hij Zichzelf al vaker voorgesteld. Hij was Jahweh, de IK BEN. Bij die gelegenheid hadden de joden Hem willen stenigen, hetgeen mislukte omdat de Heer Zich toen verborg, want “Zijn uur” was toen nog niet aangebroken (zie Johannes 8:58). De Heer Jezus had (en heeft!) geen wapens nodig, want zij vallen allen op de grond. Mogelijk viel Judas ook. Slechts een woord … daar liggen ze en brengen Hem zo toch, zij het ongewild, hulde. Maar de Heer Jezus vraagt dan nog eens: “Wie zoekt u?” Na deze tweede keer komen ze nog niet tot bezinning. Ze hadden nog een kans, de zoveelste, want de Heer is genadig! maar zij zeiden: “Jezus de Nazoreeër”. Ze gaan door en zo komen hun hatelijke voornemens duidelijk naar voren.

Het antwoord van de Heer Jezus is groots, genadig en liefdevol. Hij antwoordde hen: “Ik heb u gezegd dat Ik het ben; als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan” (vers 8). We mogen hier ook wel even stil staan bij het feit dat Hij daarbij ook aan hen, die Hem zouden gaan toebehoren, aan u, aan jou en mij, heeft gedacht. Aangenomen tenminste dat jij ook de Heer Jezus toebehoort, Hem gelooft en Hem kent. Mocht dat nog niet het geval zijn, kom dan nu tot Hem zoals je bent. Niet zoals je misschien denkt te moeten zijn, maar zoals je bent, dus als zondaar of zondares. Luister dan naar Zijn stem die zegt: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven” (Mattheüs 11:28). Dan mag je ook vrij heen gaan, dat wil zeggen: dan kom je niet in de hel en val je niet onder het eeuwig oordeel van God, maar is je bestemming “de hemel” waar Hij ook voor jou een plaats heeft bereid. Een plaats van eeuwig geluk. Ja, ik kan me er nu al op verheugen dat ik ook daar eens zal zijn waar Hij is, omdat Hij in mijn plaats”geslagen” werd door God. Dan zal ik Hem aanschouwen, “de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Galaten 2:20). Jij ook?

Wanneer we nu even weer kijken naar Petrus, zien we vervolgens dat deze zijn zwaard trok en er “genadeloos” op los sloeg. Mogelijk had hij moed geput toen hij zag dat de hele menigte tegen de vlakte ging toen de Heer slechts een woord sprak. Het was gelijk raak, want hij sloeg het rechteroor van Malchus, de slaaf van de hogepriester, af. Gelukkig sloeg hij hem niet dood, dat heeft God in Zijn genade verhoed. Zo bewaard God ons soms ook voor fatale uitbraken van onnadenkendheid of drift. Het kostte Malchus wel het rechteroor. Maar de Heer Jezus genas hem, zo meldt Lukas, de geneesheer. Het was de laatste persoon die de Heer Jezus tijdens Zijn leven hier op aarde genas. Het was zelfs een vijand van Hem. Er is hier geen sprake van geloof bij deze Malchus. dat verhindert de Heer echter niet om Zijn macht te tonen en deze man te genezen. Petrus, weg met je zwaard, zegt de Heer dan. Verhinder Mij niet om “de drinkbeker die de Vader Mij heeft gegeven” te drinken. Daar heeft Hij pas nog “ja” tegen gezegd. “Vader, als U het wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; moge evenwel niet Mijn wil maar de Uwe gebeuren” (Lukas 22:42).

Zijn gevangenneming

Daarna wordt de Heer Jezus gevangen genomen en gebonden naar Annas, de schoonvader van Kajafas, gebracht. De joden zagen Annas nog steeds als de ware hogepriester, hoewel deze door de Romeinen al was afgezet. Kajafas had dan weliswaar de titel hogepriester, maar Annas was praktisch gezien de gezaghebbende. Kajafas was het die een tijdje geleden een opmerkelijke maar ware profetie had uitgesproken, namelijk deze: “U weet niets, en u bedenkt niet, dat het nuttiger voor ons is dat een mens sterft voor het volk en niet de hele natie verloren gaat. Dit nu zei hij niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was, profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk; en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen. Van die dag af dan beraadslaagden zij om Hem te doden” (Johannes 11:50-53). Ze waren dus al lang van plan om Hem te doden. Deze gruwelijke vergissing nu stond op het punt te gebeuren, en wel door medewerking van een van Zijn volgelingen, Judas. Dat hadden ze vast nooit gedacht. Dat de Joden een groot aandeel hadden in de moord op Jezus Christus, maken de evangeliën ons duidelijk. Deze opmerking heeft niets te maken met anti-semitisme, maar berust op de geschiedkundige waarheid die ons de door de Bijbel wordt vermeld. We vinden dan hier ook de schriftgeleerde, de oudsten en de overpriesters bij elkaar. Ze hadden het behoorlijk druk met de Heer Jezus Christus, de Zoon van God. Wij kijken nu echter verder naar Petrus.

Jezus voor de hogepriester – de verloochening van Petrus

Het is goed om nu eerst Johannes 18:15-28 te lezen. Mattheüs verhaalt ons dat alle discipelen vluchtten (Mattheüs 26:56), dus ook Petrus. We hebben al gewezen op Zacharias 13:7. Daar gaat hij dan. De man die zulke grote woorden had gesproken gaat ook op de vlucht. Toch volgde Petrus Hem uit de verte, hij zorgde wel voor afstand (Lukas 22:54). Daar begint ook immers onze verloochening van de Heer Jezus … op afstand van Hem. We moeten niet denken dat wij van nature het beter zouden afbrengen dan Petrus hier. Dat is wel een grote vergissing en getuigt van grote overmoed en misplaatst zelfvertrouwen. O, laten we toch altijd dicht bij de Heer blijven! Een dichter van een lied bad het zo: … O Heer, geef toch dit ene mij, dat ik steeds wandel aan Uw zij! Dat mag ook wel altijd ons gebed zijn!

  1. De eerste akte. Vers 15-18 is een tussenzin, evenals vers 25-27. Vers 25 vervolgt dan de verloochening van Petrus. Petrus volgde dus tot zelfs aan de voorhof van de hogepriester. Nu moest hij nog binnen zien te komen. Daar stond hij dan. Zijn hart klopte onstuimig van spanning. Hoe moest het nu verder? Hoe kom ik nu dichter bij mijn Heer? Hoe kom ik nu binnen? Wel, daar zorgde die andere discipel, waarschijnlijk Johannes, voor (vers 15-16). Eigenlijk zorgde de Heer daar voor, denk ik, want Hij had nog niet afgedaan met Petrus ondanks het feit dat Petrus Hem verlaten had. De voorspelling van de Heer Jezus over Petrus verloochening moesten ook vervuld worden. Bovendien wilde de Heer Petrus nog in de ogen kijken …
    Die andere discipel was een bekende van de hogepriester en had zo blijkbaar een ingang. Daar maakte hij ten behoeve van Petrus gebruik van door met de portierster te praten om Petrus binnen te laten. Het meisje dat de deur opende keek Petrus aan en herkende hem blijkbaar. De eerste akte van de verloochening was dus al begonnen. Direct al. “Bent u ook niet een van de discipelen van deze mens?”, vraagt ze dan. Wat zegt Petrus dan? Ja, inderdaad, dat ben ik? Zoiets dergelijks zouden we toch mogen verwachten na zijn stoere taal. Had hij niet gezegd: “Heer ik ben bereid met U zelfs in de gevangenis en in de dood te gaan” (Lukas 22:33)? Ja, dit zei hij inderdaad. Petrus had eventjes geleden Malchus oor afgeslagen; het bloed zat misschien nog wel aan zijn zwaard. Maar zijn antwoord hier aan het meisje bij de deur was een bange poging zich in te dekken en problemen te ontlopen.”Ik ben het niet” , zegt Petrus. Het was een leugen. Wanneer we tot de leugen onze toevlucht nemen, komen er meerdere. Het pad van de leugen is vol met strikken. “Die leugens blaast, zal niet ontkomen … Het brood der leugen is de mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden” (Spreuken 19:5; 20:17). De eerste keer.
    Zo komt Petrus binnen en gaat vervolgens tussen de dienaars bij een vuurtje staan om zich te warmen. Het was namelijk koud die nacht. Zo maakt hij zich een met hen alsof hij ook bij hen hoorde. Een slimme manier om te verbergen wie hij werkelijk was. Je zou dit”wereldgelijkvormigheid” kunnen noemen waarvoor de apostel Paulus waarschuwt (Romeinen 12:2). Petrus was vrij, nou ja vrij … hij was wel gevangen in zijn hoogmoed en zelfvertrouwen en dit had hem nu al tot zijn eerste verloochening gebracht. Dat die”andere discipel” (Johannes) door het dienstmeisje aangezien werd als behorende bij de discipelen, kunnen we afleiden uit haar vraag aan Petrus in vers 17:”Bent u ook niet een van de discipelen van deze mens?” Maar voor Johannes lag hierin geen verzoeking, omdat hij bekend was bij de hogepriester, en dus ook bij het dienstmeisje. Wat iets voor de een een aanleiding tot vallen kan zijn, is dat blijkbaar voor een ander nog niet.
    Het eerste verhoor. Er hebben nog meer verhoren plaats gevonden (Markus 14:53; Mattheüs 26:57-68; Mattheüs 27:1; Markus 15:1; Lukas 22:66-71), maar ik beperk mij tot dit eerste verhoor dat plaatsvond voor Annas en waarover alleen Johannes bericht. Johannes vestigt nu de aandacht op die andere Persoon om Wie het allemaal gaat, de Heer Jezus (vers 19-24). Niet zo heel ver van Hem vandaan stond Hij als een gevangene voor de hogepriester en Petrus stond zich te warmen bij het vuur. Dat was dus de situatie van dat moment. Dat was het toneel van het verhoor van Christus en de verloochening van Petrus. De Heiland van de wereld stond voor Zijn haters en zij vroegen Hem naar Zijn discipelen en naar Zijn leer. De Heer Jezus wist vast wel dat Petrus daar dicht in Zijn buurt was. Hij wist en weet alles, Hij zag en ziet alles! Laten we dat noot vergeten. Dat zal hier ook blijken. Op de eerste vraag gaat de Heer Jezus niet in maar op de andere wel (vers 20-21). Dit was erg duidelijk en waar, maar daar kunnen Zijn tegenstanders niet tegen. Zo is het vandaag nog. De reactie was een slag in het gezicht van Hem. Bedenk daarbij dat Hij gebonden was (vers 13, 24). Wat een lijden en wat een verachting! Slaat de Heer dan terug? Nee! Wel vraagt Hij kalm waarom Hij geslagen wordt en vraagt om te getuigen van het verkeerde wat Hij eventueel gesproken zou hebben. Niemand kon Hem overtuigen van zonde. Hoe zouden wij gereageerd hebben? Zelfs Paulus reageerde heel anders dan de Heer Jezus (Handelingen 23:1-5). In dit verband herinner ik hier nog aan de volgende woorden van de Heer Jezus: “Waarom kent u Mijn spraak niet? Omdat u Mijn woord niet kunt horen. U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid is in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij is een leugenaar, en de vader ervan. Maar omdat Ik [de] waarheid zeg, gelooft u Mij niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik [de] waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet? Wie uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u niet uit God bent” (Johannes 8:43-47). Ze zochten naar een aanleiding om Hem te doden. Mattheus vertelt ons dat zij daarvoor zelfs valse getuigen wilden gebruiken. Zo gaat het vandaag op sommige plaatsen nog met hen die van de Heer Jezus getuigen. Zij zullen ook vervolgd worden en desnoods met valse beschuldigingen veroodeeld worden. Dat kennen we ook uit onze dagen.
  2. De tweede akte. (vers 25). Nu kijkt Johannes weer naar Petrus. Daar staat Petrus dan. Terwijl de Heer Jezus wordt geslagen, staat hij zich te warmen bij het vuur. Toch bleef hij niet onopgemerkt. Het vuur laaide op misschien en zo werd hij herkend. Zo gaat dat. Op een gegeven ogenblik herkent de wereld iets in ons dat niet bij hen past. Dan komen er vragen. Zo ook bij Petrus. “Bent u ook niet een van Zijn discipelen?” Ongetwijfeld heeft zijn spraak hem ook verdacht gemaakt. Hij kwam immers uit Galilea (Mattheus 26:73). Dan schiet het als het ware uit zijn mond:”Ik ben het niet” (vers 26). De eerste keer ging het misschien wel wat moeilijker. Petrus gebruikt hier dezelfde woorden als in vers 18. Dat voorkomt vergissingen en maakt hem minder verdacht. Dat lag hem ook nog vers in het geheugen, dus loochende hij opnieuw. De tweede keer.
  3. De derde akte. (vers 26). Maar de satan heeft nog meer pijlen op zijn boog. Een familielid van Malchus stond ook bij het vuur. Blijkbaar was deze ook in de tuin geweest toen Petrus Malchus het oor afsloeg. Dat had waarschijnlijk wel wat indruk op hem gemaakt.”Heb ik u niet in de tuin met Hem gezien?” , vraagt deze bloedverwant. Ja, satan kent ook de familierelaties en maakt daar listig gebruik van. Het antwoord van Petrus impliceert dat hij liever niet met Jezus gezien wilde worden. Hier had hij nog een kans om een en ander recht te trekken, maar liet die ook liggen. Als je in een kring een vraag wordt gesteld, richten zich meestal alle ogen op jou. Dat zal hier ook wel zo geweest zijn, denk ik. Het komt nu dus wel heel dichtbij Petrus maar … hij was al te ver van Hem af. Dus loochende hij het opnieuw (vers 27). De derde keer. De Schepper en Onderhouder van alle dingen liet toen direct de haan kraaien. “En terstond kraaide de haan” (vers 27). Het ging precies zoals de Heer Jezus al gezegd had (Johannes 13:38).

Maar er gebeurde nog meer. Daarvoor kijken we even naar Lukas 22:61-62. Zoals hierboven al gezegd is bij de eerste akte, de Heer liet Zijn discipel niet vallen. De haan kraaide al terwijl Petrus zijn laatste verloochening uitsprak. De Heer draaide Zich om naar Petrus en keek hem aan (vers 61). Die blik, hoe moet die geweest zijn? Ongetwijfeld een bedroefde blik. Niet een van “zie-je-nou-wel” of “dat-komt-er-nu-van” of “lekker-puh”. Dat geloof ik absoluut niet. Dat past meer bij ons maar niet bij onze Heer en Heiland. Hij vond daar zeker geen genoegen in. Het moet Hem wel pijn gedaan hebben. Veel pijn. En Petrus? Deze blik raakt hem diep. Nu dringt het tot hem door wat hij gedaan heeft. Hij herinnert zich het woord van de Heer: “Voordat de haan vandaag kraait, zul je Mij driemaal verloochenen” (vers 61). Petrus de man met de stalen zenuwen, de stoere visserman houdt het nu niet langer meer. Hij gaat naar buiten en weent bitter (vers 62). Maar de Heer Jezus heeft voor hem gebeden voor de man die niet stand kon houden in de verzoeking. Heeft de Heer Jezus niet gezegd: “Simon, Simon, zie, de satan heeft dringend verlangd u [allen] te mogen ziften als de tarwe; Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden …” (Lukas 22:31-32). Petrus had verzuimd om te bidden toen de Heer zei: “Bidt dat u niet in verzoeking komt” en had geslapen. Nog niet een uur kon hij met de Heer waken. Zijn onkunde omtrent zijn vlees hadden hem genekt. Zijn zelfvertrouwen kon hem niet bewaren. Zijn zelfvertrouwen moest eraan. Alleen in de confrontatie met de vijand leerde Petrus de noodzakelijke les. De Heer Jezus bewaart Petrus ervoor om dezelfde weg als Judas te gaan omdat Petrus het eigendom was van Hem. Hoe zou het met Petrus zijn afgelopen als de Heer niet voor hem had gebeden? Toen de zonde Petrus zover had gebracht dat hij zelfs Zijn Heer verloochende, keek de Heer Jezus hem aan. Dit bewaarde Petrus ervoor om door wanhoop overmand te worden. Wel heeft Petrus veel verdriet gehad van zijn “val”. Tranen van berouw vloeien uit zijn ogen. Maar de Heer laat Petrus niet los en heeft nog een “taak” voor hem. Dat hopen we de volgende keer nog te zien.

Tot slot. En wij? Is het met jou en mij beter? Herkennen wij onszelf niet in Petrus? Laten wij waakzaam zijn en de les van Petrus niet vergeten.

Klaagt de vijand mij ook aan,

U bent in mijn plaats getreden.

Vangt hij ook met ziften aan,

Christus heeft voor mij gebeden.

U, o Heiland, U alleen,

bent mijn troost in tegenhêen.

 

Uwe liefde kocht mij vrij,

en Uw dood schonk mij het leven;

ja, U deed te veel voor mij,

om mij weder prijs te geven.

Zou Uw trouw ooit wankelen? Neen?

Dit is, Heer, mijn troost alleen.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW