1 uur geleden

Het Johannes-evangelie (17e)

Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 40-43

“En [toch] wilt u tot Mij niet komen opdat u leven hebt” (vs. 40).

Met deze woorden van de Heer wordt duidelijk gemaakt, dat er maar één weg van leven is, en dat is door de Heer Jezus aan te nemen. Tot Hem komen betekent Hem in geloof aannemen. Dat was toen zo en dat is vandaag de dag nog steeds zo. Ten tweede wordt hier de kant van de menselijke verantwoordelijkheid voorgesteld, de mens moet ook willen. De kant van God is dat Hij naar de Zoon gaat; de kant van de verantwoordelijkheid van de mens is, dat hij moet willen. Er zijn tegenwoordig veel mensen die zeggen, dat ze niet kunnen geloven. Maar dat is niets meer dan een flauw excuus. ‘Ik kan niet geloven’ betekent: ‘Ik wil niet geloven,’ en dat is iets heel ernstigs (Luk. 13:34)! Het is geen vergissing of nalatigheid, het is een bewuste beslissing van de wil tegen het aanbod van verlossing. De Joden hadden een zekere intellectuele kennis van de Schriften, ze deden er onderzoek naar, maar ze wilden niet de Persoon hebben die de inhoud van deze Schriften was.

Overigens waren er Joden die naar Hem toe waren gekomen; Petrus schrijft over hen in zijn eerste brief (1 Petr. 2:4). En ook daar wijst hij erop, dat deze wonderbaarlijke Persoon tot wie zij waren gekomen, door de mensen werd verworpen.

We hebben nu deze vier getuigenissen besproken, die terugblikkend voor ons als verloste mensen van het tijdperk van genade in het Woord van God alle één zijn. Voor ons vinden we het getuigenis van Johannes de Doper in het Woord van God, het getuigenis van de werken van de Heer in het Woord van God, het getuigenis van de Vader in het Woord van God, en het getuigenis van de Schrift eveneens in het Woord van God. Voor ons vormen deze vier getuigenissen een gemeenschappelijk getuigenis, waarin we Christus vinden. Het is voor ons ook fundamenteel waar, dat we alleen baat kunnen hebben bij het Woord van God als we wat we lezen altijd verbinden met de Persoon van de Heer Jezus. Of het nu gaat om de voorbeelden uit het Oude Testament, of het profetie is, of als het nieuwtestamentische waarheden zijn over de gemeente, we zullen er alleen innerlijk voordeel uit halen als we ze verbinden met de Heer Jezus. Daarom willen we ook in onze literatuur bij uitleggingen over Gods Woord ons blijven richten op datgene waarin Christus wordt groot gemaakt.

“Eer van mensen neem Ik niet aan …” (vs. 41).

De Heer Jezus zocht nooit Zijn eigen eer, maar wat Hij hier zegt, gaat nog iets verder: Hij heeft zelfs nooit eer van mensen aangenomen. Toen Nicodémus naar Hem toe kwam en Hem met goedbedoelde woorden toesprak, reageerde Hij helemaal niet op wat Nicodémus over Hem en tegen Hem zei (Joh. 3:1-3). En toen de rijke heerser Hem aansprak als “Goede Meester,” wees Hij hem onmiddellijk af (Luk. 18:18-19). Toen ze Hem in het volgende hoofdstuk tot koning wilden maken na het wonder van de broden, trok Hij zich opnieuw terug op de berg (Joh. 6:14-15). Hij heeft nooit eer van mensen aangenomen. Wat een hoge morele schoonheid en heerlijkheid van onze Heer! Hij vervulde Zijn dienst en is Zijn weg gegaan, ongeacht de tegenstand of het applaus van mensen.

Dit vers vormt een aanvulling op vers 40, waar de Heer de Joden vertelde, dat ze niet tot Hem wilden komen. Met deze woorden maakt Hij duidelijk, dat het er Hem niet om ging, dat ze tot Hem zouden komen om Hem op welke wijze dan ook eer te bewijzen. Maar dat strookte simpelweg niet met hun voorstelling van de Messias die komen zou. En het was ook totaal niet typerend voor hen, want ze zochten hun eigen eer. Ze verwachtten dat Degene die als de Messias zou komen, ook Zijn eer glorie zoeken zou en hun eerbetuiging zou aannemen.

“… maar Ik ken u, dat u de liefde van God niet in uzelf hebt” (vs. 42).

In vers 38 zagen we, dat de Heer de Joden berispte omdat het Woord van de Vader niet in hen woonde; nu voegt Hij eraan toe, dat ze zelfs geen greintje liefde voor God in hun hart hadden. Als deze liefde in hun hart was geweest, zouden ze hebben erkend, dat Hij door de Vader gezonden was en zouden ze daarom tot Hem gekomen zijn.

“Ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen” (vs. 43).

En dan volgt een verder bewijs van Zijn nederigheid, wanneer Hij hier zegt, dat Hij niet in Zijn eigen Naam gekomen is, maar in de naam van Zijn Vader, als de Gezondene van de Vader, de openbaring van de Vader. De Heer Jezus zou als Schepper het recht hebben gehad om in Zijn eigen naam te komen, maar Hij heeft dit recht vrijwillig opgegeven en Zich, als Mens, in alles aan de wil van Zijn Vader onderworpen.

Naast de ongelovige Joden hadden ook de discipelen deze woorden gehoord, maar in tegenstelling tot de Joden droegen zij Zijn woord en Zijn liefde in zich. Zij kenden de Vader echter nog niet zoals wij Hem mogen kennen. Daarvoor moest de Heer Jezus eerst sterven, opstaan ​​en terugkeren naar Zijn Vader en onze Vader (Joh. 20:17). De openbaring van de Vader vond hier plaats, maar de kennis van de Vader kon pas komen nadat het verzoeningswerk was volbracht.

Hier spreekt de Heer Jezus over een andere beproeving waarmee de Joden te maken zullen krijgen. Er zal een ander komen, volkomen anders dan de Heer Jezus, de Gezondene van de Vader, die een totaal andere afkomst zal hebben en iets heel anders zal nastreven. Deze persoon zal eer van mensen aanvaarden; hij zal niet proberen morele verandering onder de Joden teweeg te brengen – en zij zullen hem aannemen. De Heer spreekt hier over de Antichrist die zal komen.

Het is een zeer nadrukkelijk contrast dat de Heer hier duidelijk maakt: Hij was gekomen, en zij hadden Hem niet ontvangen; de ander die komen zal, zullen zij wel ontvangen. In 2 Thessalonicenzen 2 vers 3-8 wordt deze persoon van de Antichrist de mens van de zonde, de zoon van het verderf en de wetteloze genoemd. In Zacharia 11 vers 15 e.v. wordt hij de dwaze herder genoemd; in Openbaring 19 vers 20 en 20 vers 10 is hij de valse profeet. Moreel gezien wordt hij beschreven als het beest (Openb. 13:11), als een mens die helemaal niet op God vertrouwt. Hij gaat openlijk de strijd aan met God, hij gaat in de tempel zitten en laat zich aanbidden, en hij presenteert zichzelf als God (2 Thess. 2:4). Bovendien loochent hij de enige ware God, de Vader en de Zoon (1 Joh. 2:22). Het kan niet duidelijker worden uitgedrukt wat het betekent, dat hij in zijn eigen naam zal komen. Hij zal zichzelf als God presenteren, en tegelijkertijd zal hij zeggen dat de enige ware God, de Vader en de Zoon, niet bestaan.

Ze zouden iemand met zo’n karakter verkiezen boven de Heer Jezus – wat moet dat de Heer toch bedroefd hebben! Hij was en is waarachtig God en werd in grenzeloze nederigheid vrijwillig Mens; de antichrist is een sterfelijk mens die, in een ongekende daad van arrogantie, de plaats van God wil nemen.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 27.06.2019

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW