13 jaar geleden

Genezing en vergeving (4 – slot)

Niet door het verbergen van het boze, maar door het openen van zijn hart bevrijdt hij zijn geweten, misschien ook zijn lichaam” … JND

III. Het gebed voor elkaar

“Belijdt dus elkaar de zonden en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt. Een krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel. Elia was een mens van gelijke natuur als wij, en hij bad een gebed dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op aarde. En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort” (vers 16-18).

Wanneer er dus sprake is van zonden moeten deze beleden worden. Dat moet uiteraard gebeuren tegen de persoon die het aangaat. Daarom vervolgt vers 16 ook met: “Belijdt dus elkaar de zonden …”. Dit hoeft natuurlijk niet voor de personen te zijn die hij ‘geroepen’ heeft. Het ‘elkaar belijden’ is een van de ingrediënten voor genezing.

J.N. Darby heeft treffend gezegd: “Hoe erg ook de toestand van verval in de gemeente van God altijd ook moge zijn, wij kunnen toch altijd elkaar onze fouten belijden en voor elkaar bidden, dat wij genezen worden. Daartoe is niet een speciale opdracht nodig, maar het veronderstelt ootmoed, broederlijk vertrouwen en liefde. Wij kunnen elkaar inderdaad niet onze fouten zonder vertrouwen in de liefde van de broeders belijden. Wij mogen een wijze, zwijgzame broeder uitkiezen (in plaats van onze harten aan een indiscreet persoon toe te vertrouwen), maar deze keus verandert niets aan de toestand van de ziel van de schuldige. Niet door het verbergen van het boze, maar door het openen van zijn hart bevrijdt hij zijn geweten, misschien ook zijn lichaam”.

Elia: een krachtpatser?

Nee! Hij was net zoals wij. “Elia was een mens van gelijke natuur als wij …”. Dat lucht wel op. Elia kende ook tegenslagen, ontmoedigingen, nederlagen. Dat kon niet verhinderen dat hij antwoord kreeg op zijn vurige, indringende gebed. Het regende drie jaar en zes maande niet. En opnieuw bad hij en het regende. Dat was nog al wat, denken we misschien. Dat is ook zo. Maar het geheim van Elia was niet dat hij zo goed kon bidden, maar dat hij zich ervan bewust was, dat hij zelf niets kon. Dat is ook wel duidelijk. Niet Elia zorgde voor de regen, maar God. Hij wist dat hij afhankelijk was van God. Hij was zich er ook van bewust met Wie hij te doen had. “Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord” (1 Koningen 17:1). “… voor Wiens aangezicht ik sta”, dáár was hij zich goed bewust van. Hij staat met God in verbinding, heeft gemeenschap met God, geloofde in de levende God en was afhankelijk van Hem. Het gebed is daarvan een essentiële uiting. Dit is de bron van de kracht van Elia! Daardoor bereikt hij de hemel. In 1 Koningen 17 vinden we niet dat Elia dit gebed bad, maar in Jakobus 5. God heeft dat niet vergeten, en meldt dit om er op te wijzen dat het leven van Elia door gebed gekenmerkt werd (behalve in 1 Koningen 19:3).

  1. Drie dingen vinden we duidelijk bij Elia:
    hij stond vóór God;
  2. hij ontving het Woord van God;
  3. hij wist zich afhankelijk van God.

Behalve in 1 Koningen 19!
Dat kunnen we nagaan door zijn geschiedenis te lezen. Dat moet je vooral doen.

De Jakobusbrief leert ons dat het gebed onze bron is! Bij onrechtvaardig behandeling, bij ziekte en wanneer we zelf onrecht begaan hebben, Hij is de Bron. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel.

Oplegging van handen

Omdat handoplegging toch vaak in één adem genoemd wordt bij dit bezoek aan de ‘roepende’ zieke, en het blijkbaar ook tijdens zulke bezoeken wordt toegepast, het volgende.

Het is niet iets wat voor het eerst voorkwam in het Nieuwe Testament. Het gebeurde al ten tijde van het brengen van offers in het Oude testament. Het drukte de vereenzelviging van de offeraar met het offer uit. De offeraar maakte zich zo één met het offer. We vinden dit in het boek Leviticus bij het brandoffer, het dankoffer en het zondoffer (Leviticus 1:4; 3:2; 4:4). Ook bij de inwijding van de priesters vinden we het (Exodus 29:10).

Het is goed om op te merken dat in Jakobus 5 er geen sprake is van handoplegging. Dan behoort men zich ook aan deze Bijbelse richtlijn te houden. Immers de apostel Paulus waarschuwt niet voor niets: “Legt niemand overijld de handen op en heb geen deel aan de zonden van anderen. Houd u rein” (1 Timotheüs 5:22). Hoewel het hier in een ander verband wordt aangehaald, kunnen we er toch iets uit leren met betrekking tot ons onderwerp. Paulus had er al op gewezen dat dienaars eerst beproefd moeten worden voordat zij hun dienst mochten uitoefenen (zie: 1 Timotheüs 3:1-13).

Voorzichtigheid is dus geboden. Wanneer we iemand de handen opleggen verklaren we ons één met deze persoon en zijn werk. De voorwaarden die in 1 Timotheüs 3:1-13 geven duidelijk aan dat voorzichtigheid geboden is. Het overijld opleggen van handen verraadt, dat het aan onderscheidingsvermogen ontbreekt. Men loopt gevaar daardoor deel te krijgen aan een verkeerde weg van iemand, en wordt men verontreinigd. Het is niet alleen zo dat degene die de handen oplegt onjuist handelt, maar men stemt in met iets wat niet door God is bewerkt. Degene die de handen wordt opgelegd wordt dan ook nog gestaafd in zijn verkeerde weg. Gebed is daarom onontbeerlijk. We zien dan ook dat in Handelingen 6:1-6 het gebed vooraf gaat aan de handenoplegging. De apostelen maakten zich dus een met de keuze van de zeven diakenen. In Handelingen 13 gaat gebed en vasten ook vooraf. Hier worden Paulus en Barnabas door de roeping van de Heilige Geest voor het werk afgezonderd. De anderen die erbij waren betuigden na vasten en gebed door handoplegging hun volkomen eenheid met hen èn hun dienst. Eerder niet. Hoe zorgvuldig! Paulus en Barnabas konden rekenen op de hulp van de Heilige Geest, maar óók op de broederlijke gemeenschap. Toen lieten zij hen gaan. Ze waren er bij betrokken. Het was niet een individuele zaak, maar de gemeente was erbij betrokken. Iets wat de ‘einzelgangers’ de wind uit de zeilen moet nemen. Zo werden zij door de Heilige Geest uitgezonden (zie Handelingen 13:1-4).

Handelingen 8:4-17

Laten we ook even kijken naar Handelingen 8:4-17. Niet alleen aan de Joden werd Christus gepredikt, maar ook aan de mengvolken (vergelijk Romeinen 1:16). Dat zien we hier. Zij namen het Woord met vreugde aan (vers 8). In Handelingen 10 vinden we dan de volken. Het werk in Samaria gebeurde duidelijk in volledige verbinding met Jeruzalem. God waakte over de eenheid van Zijn getuigenis op aarde, dat op de Pinksterdag gevormd was in Jeruzalem. Het begon bij de Jood, maar daar bleef het niet bij. Zij moesten overal getuigen in overeenstemming met wat de Heer Zelf hen had betuigd (Handelingen 1:8). Petrus en Johannes behoorden tot de steunpilaren van Jeruzalem (Galaten 2:9). Zij waren namens Jeruzalem – als vertegenwoordigers – gezonden en maakten zich door handoplegging één met het Samaritaanse volk. Dit volk bestond uit Joden en heidenen, het was een mengvolk. Iets over de geschiedenis van Samaria kun je vinden in 1 Koningen 16:24, 32; 2 Koningen 10:26; 17:24; Johannes 4:9.

De Samaritanen vormden eigenlijk de overgang van het getuigenis naar de volken. We moeten wel verstaan dat hierdoor de eenheid niet tot stand werd gebracht, maar dat de al bestaande eenheid werd bevestigd. Die eenheid van de gemeente bestond al voor God. Johannes 4:9 toont de vijandschap die er tussen de Jood en de Samaritaan bestond (vergelijk Lukas 10:33 en Johannes 8:48). We vinden hier een praktisch voorbeeld van de eenheid tussen Joden-Christenen en heiden-Christenen (Efeze 2:14-16). Zij ontvangen de Heilige Geest evenals de Joden, nadat zij het Woord van God gehoord en geloofd hebben (vers 14), en vormen met de Joden één gemeente. Door handoplegging verklaarden zij zich één met hen die het Woord aangenomen hadden en gedoopt (vers 16) waren. De Samaritanen hadden de Heilige Geest nog niet ontvangen maar waren wel gedoopt tot de Naam van de Heer Jezus. Door handoplegging ontvingen zij ook de Heilige Geest. Goddelijke leiding! De Heer had gewacht met de ‘Gave’ van de Heilige Geest totdat Petrus en Johannes uit Jeruzalem kwamen. Zo werd voorkomen dat er in Samaria aparte gemeenten ontstonden.

We kunnen ook nog even naar Timotheüs kijken. Hij wordt in 1 Timotheüs 4:14 aangespoord om de genadegave die hij door profetie ontvangen heeft, niet te verwaarlozen. Deze profetie ging gepaard met oplegging van de handen van de gezamenlijke oudsten. In 2 Timotheüs 1:6 vertelt de apostel dat de oplegging van zijn handen het middel was om deze gave te verlenen. Zo brengen de oudsten en Paulus tot uitdrukking dat zij helemaal achter de dienst van Timotheüs stonden. Deze bemoediging had Timotheüs zeker nodig. De Heer Zelf had hem aangewezen voor de dienst voor Hem. Hij was nog jong en mogelijk wat schuchter, en de moeilijkheden gingen hem ook niet voorbij. Hij was geroepen door God, maar hij mocht kracht vinden in zijn roeping. Paulus zegt: “Deze opdracht vertrouw ik u toe, mijn kind Timotheüs, overeenkomstig de voorafgegane profetiën over u, opdat gij daardoor de goede strijd strijdt … (1 Timotheüs 1:18).

Dus: zowel de oudsten als de apostel Paulus maakten zich één met de dienst van Timotheüs.

Enkele korte opmerkingen

“Over hem hebben wij veel te zeggen, dat ook moeilijk te verklaren is, omdat u traag bent geworden in het horen. Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert wat de elementen van het begin van de uitspraken van God zijn, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, en niet vast voedsel. Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in [het] woord van [de] gerechtigheid, want hij is een klein kind; maar het vaste voedsel is voor volwassenen, die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel [het] goede als [het] kwade te onderscheiden” (Hebreeën 5:11-14).

“Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten [rusten] en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van reinigingen, van handoplegging, van dodenopstanding en van eeuwig oordeel. En dit zullen wij doen, als God het tenminste vergunt” (Hebreeën 6:1-3).

In verband met ons onderwerp uit Jakobus 5 enkele – mijns inziens noodzakelijke – korte opmerkingen over Hebreeën 5:11-6:3.

In Hebreeën 6:2 waarschuwt de apostel om niet terug te keren tot onder andere het ‘opleggen van handen’. Het gaat in dit vers om dingen die behoorden tot het ‘Woord van het begin’. Dit is de leer die hoorde bij de tijd toen Christus nog niet verschenen was. De leerstellingen (genoemd in 6:1-2) werden al vóór Zijn komst gekend en geloofd. Deze eerste beginselen moesten met rust gelaten worden. Zoals we weten zijn er kinderen en volwassenen. Kinderen moeten melk hebben en volwassenen kunnen vast voedsel verdragen. ‘Boerenkool met worst’ is dus geen uitzondering. Dat kunnen volwassenen aan. Het probleem was echter dat zij niet jong waren in het geloof en daardoor onwetend, maar dat zij traag waren geworden in het horen. Zij stonden stil, zij groeiden niet meer. Qua tijd hadden ze wel leraars kunnen, ja moeten zijn. Helaas! Kennen wij dit ook niet?

Ze moesten nog melk hebben. Een duidelijker bewijs van hun ‘baby-zijn’ was er niet. Nu was er op zich niets mis met melk. Maar melk wordt gebruikt als voedsel wanneer je nog een baby bent, dus voor een bepaalde tijd.

Maar als je melk als voedsel gebruikt, zegt de apostel, dan ben je onervaren in de gerechtigheid. Je bent dan een geestelijke baby! Dan heb je nodig om in de gerechtigheid van God ingeleid te worden. Kinderen (onmondigen) bevinden zich nog onder de instellingen en inzettingen van de wet (Galaten 4:1-7). Volwassenen daarentegen zijn zij die de openbaring van de heerlijkheid van de Persoon van Christus kennen, en in overeenstemming daarmee hun geestelijke positie innamen. Zij waren verbonden met de onzichtbare, hemelse Christus, Die aan de rechterhand van God zit. Zij namen het Christelijk standpunt in. Het Jodendom weerhield de baby’s (dit is niet denigrerend bedoeld) van dit hoger, Christelijk standpunt, van de positie van kinderen. Zo bleven zij onmondigen, baby’s. De volwassenen gebruiken het vaste voedsel, dat is de volle waarheid van het Christendom. Dezen zijn in staat om het goede van het kwade te onderscheiden. Zij begrijpen dat alles wat ons terugvoert tot een dienst aan God zoals onder het Oude Verbond – dus vóór Christus komst – niet naar de gedachten van God zijn voor onze tijd. Dat moet ook zijn invloed hebben op de wijze van samenkomen en de inhoud van het samenkomen.

In hoofdstuk 6:1-3 vinden we dan de verhinderingen voor verdere geestelijke groei. Deze Hebreeuwse gelovigen hielden vast aan deze toestand van onmondigheid. Dingen die weliswaar terecht waren toen de Messias nog komen moest. Zij hielden vast aan hun tradities. In dit verband wil ik een uitspraak aanhalen van de bekende broeder J.N. Darby uit de 19e eeuw: “Er is geen grotere verhindering om vorderingen te maken in geestelijk leven en inzicht dan een binding aan een oude vorm van religie die – omdat zij traditioneel is en geen eenvoudig, persoonlijk geloof in de waarheid – altijd bestaat uit verordeningen, en als gevolg daarvan altijd vleselijk en aards is”.

De dingen in vers 1-2 waren dus al bekend vóór de komst van Christus. Bekijken we deze dingen wat nauwkeuriger dan blijkt dat het gaat om Oudtestamentische waarheden en die door de Heilige Geest niet gerekend worden tot waarheden die bij het Christendom behoren. Door het vasthouden ervan vormen zij juist een verhindering om te komen tot het ‘volkomene’ of tot de ‘volwassenheid’. Dat is het komen tot het volle licht van het Christendom en het innemen van de positie die overeenkomt met de positie die Christus nu inneemt in de hemel. De handoplegging waarover hier gesproken wordt, ziet op hoe in het Oude Testament de offeraar zich één maakte met het offer.

U bent de Bron van licht en leven,
bron van gena voor wie gelooft;
U wilt geluk en vrede geven,
al wat uw Woord ons heeft beloofd.

U bent de bron van liefde en zegen,
die in het heiligdom ontspringt;
zalig is hij die op zijn wegen,
ja, eeuwig van Uw volheid drinkt.

Zalig is hij die bij die stromen
staand’ als een boom door U geplant,
tot frisse groei en bloei mag komen
bij deze bron die nooit verzandt.

Zo brengt hij vruchten voort van waarde,
groeit in het licht van de eeuw’ge zon;
zalig is hij die reeds op aarde
drinkt uit die hel’dre liefdebron.

Slot

Literatuurbronnen:
Het teken van de talen – Fernand Legrand
Omgaan met Jakobus – A.P. van de Sande
Gedachten over Hebreeën – H. Smith
De Brief aan de Hebreeën – J.N. Voorhoeve
Praktijk van het geloofsleven – H. Medema
Ons gedrag in God huis – H. Medema
In de vrijheid gesteld – R. Brockhaus
Leidraad voor het Bijbels onderwijs – Dr. E. Dönges en O. Kunze
Daar ben Ik in het midden van hen – Chr. Briem
Het onze Vader – C.F. Recordon
Synopsis van de Bijbel VIII – J.N. Darby

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW