13 jaar geleden

Genezing en vergeving (2)

Genadegaven van de genezing waren ‘tekenen’, waardoor de macht van God voor en aan ongelovigen werd geopenbaard. Als kind van God weten we dat we in Zijn liefdevolle en zorgvolle Vaderhanden zijn en zijn wij niet aangewezen op machtsopenbaringen van God. Dit is van kostbare waarde.

Wat vindt er dan plaats tijdens zo’n bezoek?

Ten eerste gebed; ten tweede het zalven met olie. Of het zalven nu eerst komt of dat er eerst gebeden wordt lijkt niet helemaal duidelijk te zijn. De Voorhoeve-vertaling en de herziene Voorhoeve-vertaling (de Telos) merkt op dat “laten zij over hem bidden en hem zalven …”, ook als volgt vertaald kan worden: “… laten zij over hem bidden na hem gezalfd te hebben”. In ieder geval worden beide elementen genoemd.

Het gaat in dit gedeelte niet om één broeder die geroepen wordt, maar om meerdere. Er staat ‘oudsten‘. Tevens zal het duidelijk zijn dat het hier niet gaat om een onderlinge bijeenkomst van de gemeente! De uitdrukking “zalvingsdiensten” is daarom ook misleidend en onbijbels. De gemeente komt niet samen om gelovigen te zalven met olie en voor hen te bidden. Deze ‘dienst’ wordt in de huiskamer verricht en wordt beperkt tot de oudsten en de zieke. Bovendien is het de zieke die uitnodigt (roept) en zij roept alleen de oudsten. In de samenkomst van de gemeente zijn alle broeders en zusters aanwezig, hier niet.

Kortom: Er is hier van een samenkomst van de gemeente geen sprake. De samenkomst van de gemeente heeft ook een totaal ander karakter (zie Handelingen 2:42; 1 Korinthe 14).

Tussen haakjes

Er worden hier niet broeders uitgenodigd die ‘genadegaven van genezing’ hebben. Dat is dus niet vereist. De Geest van God wist hoe de geschiedenis van de gemeente zou verlopen! Deze ‘tekengave’ vinden we vandaag ook niet meer als zodanig.

Omdat er nogal wat verwarring is omtrent de genadegaven van genezing eerst nog enkele korte opmerkingen hierover.

Genadegaven van de genezing waren ‘tekenen’, waardoor de macht van God voor en aan ongelovigen werd geopenbaard. Als kind van God weten we dat we in Zijn liefdevolle en zorgvolle Vaderhanden zijn en zijn wij niet aangewezen op machtsopenbaringen van God. Dit is van kostbare waarde.

De enige brief waarin gesproken wordt over ‘genadegaven van genezing’ is de Korinthebrief (12:9, 28 en 30). Er staat ‘genadegaven van genezing’ (vers 9) en niet ‘genadegave …’. Dus geen enkelvoud maar meervoud! Dat is geen schrijf- of vertaalfout. Het gaat hier niet om een vaardigheid, waarover men voortdurend beschikken kan, maar we moeten hier denken aan ‘van geval tot geval’ geschonken gaven.

Verder is het zo dat deze ‘tekengaven’ alleen in de begintijd van de gemeente voorkwamen. Dat we spreken van tekengaven, is gegrond op – onder andere – Markus 16:15-18. Daar vinden we dat onze opgestane Heer de grote opdracht, het prediken van het evangelie – rechtstreeks toevertrouwt aan Zijn elf discipelen. Het uitdrijven van demonen (vergelijk Handelingen 16:18), het spreken in nieuwe talen (Handelingen 2:4), het opnemen van slangen (Handelingen 28:3-6), het opleggen van de handen (Handelingen 3:5; 5:12), gingen in het leven van de apostelen daadwerkelijk in vervulling. Zij hadden als eerste geloofd en waren vervuld met de wens, zielen te winnen. Maar deze belofte geldt niet algemeen, zodat iedere Christen dit op zichzelf kan toepassen. Ze geldt in de eerste plaats voor hen, die de grote opdracht van de Heer vervulden. Het is ook niet raadzaam om een slang op te nemen, want het zal niet zo gaan als bij Paulus in Handelingen 28. We moeten erbij bedenken dat tekenen een bewijs van het apostelschap waren (2 Korinthe 12:12).

Zoals van de andere gaven, wordt er ook over deze gave aan het einde van het hoofdstuk gevraagd: “Hebben allen genadegaven van genezing?” (1 Korinthe 12:30). Ook hier luidt het antwoord: Nee. Het waren bijzondere machtsbewijzen van God, die niet iedere gelovige bezat. Dat was, zoals al is opgemerkt, beperkt!

De Heer had de apostelen beloofd, dat ze grote dingen zouden doen. Zoals we in de Handelingen kunnen zien, zijn al Zijn beloften letterlijk in vervulling gegaan.

Het is ook uitermate belangrijk het onderscheid met het woord van de Heer aan het eind van Mattheüs-evangelie te zien. Daar spreekt Hij ervan, dat Hem alle macht in hemel en op aarde is gegeven en dat Hij bij ons wil zijn tot aan de voleinding van deze eeuw (Mattheüs 28:18-20). In het evangelie naar Markus lezen we er echter niets van, dat de Heer door de tekenen zó lang zou werken. De voorspellingen van de Heer bij de apostelen gingen haast letterlijk in vervulling – en wel alle, niet slechts één of twee! Daarom is het – op z’n zachtst gezegd – merkwaardig dat tegenwoordig alleen bepaalde dingen hiervan als bijzondere ‘gaven’ worden voorgesteld.

In Markus 16:15-19 gaat hier over tekenen, waarmee God aan het begin van het Christelijk tijdperk bevestigde, dat de verkondiging van het Evangelie in opdracht van Hem gebeurde. Zo legitimeerde Hij eens Mozes als Zijn dienaar door wonderen en tekenen voor de Farao. De schrijver van de brief aan de Hebreeën herinnert zich deze tekenen (omstreeks het jaar 60) met de woorden: “Hoe zullen wij ontkomen, als wij een zo’n grote behoudenis veronachtzamen, waarover aanvankelijk gesproken is door de Heer en die aan ons bevestigd is door hen die het gehoord hebben, terwijl God bovendien meegetuigde, zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van [de] Heilige Geest naar Zijn wil” (Hebreeën 2:3-4).

Toen het evangelie van Markus geschreven werd, was deze belofte feitelijk vervuld. We kunnen dit ook zien aan de woorden in Hebreeën 2:3-4, die daar in de verleden tijd staan. Er staat: ‘bevestigd is’ en ‘mee-getuigde’!

De tekenen van de macht van God zijn nu dus niet meer noodzakelijk omdat het Woord van God ‘voleindigd’ is (Kolosse 1:25).

De Heer Jezus zegt tot Zijn discipelen: “Nog veel heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het nu niet dragen. Maar wanneer Hij gekomen is, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden …” (Johannes 16:12-13). De Geest van de Waarheid, dat is de Heilige Geest, is gekomen nadat de Heer Jezus verheerlijkt was (Johannes 7:39). Zij die in Hem geloven zouden, hebben deze Geest ‘inwonend en blijvend’ (Johannes 14:17) ontvangen en zijn in staat om de gedachten van God te verstaan (vergelijk ook 1 Korinthe 2:12-16). Toen de Heilige Geest kwam wonen in de gelovigen en hen tot één lichaam – dat is de gemeente – doopte, waren zij in staat om ‘het te dragen’ (Johannes 16:12). De hele waarheid betreffende de gemeente behoort daar uiteraard ook toe. Er was al veel door de Heer Jezus Zelf geopenbaard, maar nog niet de verborgenheid van de gemeente, hoewel de Heer Jezus al in Mattheüs 16 over haar spreekt. In het Oude Testament was dit nog een verborgenheid (Kolosse 1:26). De Heer heeft door de Heilige Geest – Die daarvoor de apostel Paulus gbruikte; het was dus Paulus’ rentmeesterschap (bediening), zie Kolosse 1:25 – de verborgenheid van de gemeente geopenbaard. Zijn bediening was om het Woord van God te voleindigen. De openbaring van de raadsbesluiten van God was tot op dat moment nog niet volledig. De bediening van de apostel Paulus maakte het volledig. Nu is er geen enkele waarheid van God meer die nog geopenbaard moet worden. Ook al zijn er na Paulus laatste brieven nog andere brieven geschreven, zoals die van Petrus en Johannes. Deze brieven bevatten geen nieuwe openbaringen maar leggen uit en passen toe wat al geopenbaard is. Vooral de Efeze- en de Kolossebrief spreken over de ‘verborgenheid van de gemeente’. De inhoud van deze hoogste verborgenheid vinden we dus vooral in deze brieven. In vers 27 van Kolosse 1 vinden we al iets over de inhoud van deze verborgenheid, namelijk: Christus in u, de hoop van de heerlijkheid. Hoewel wonderbaarlijk schoon en diep en de Oudtestamentische gelovigen onbekend (zij behoorden ook niet tot de gemeente van Christus), is dat hier niet het onderwerp, dus ga ik er nu niet dieper op in. Omdat de apostel Paulus deze verborgenheid heeft ontvouwd, is onze Bijbel compleet.

Einde tussen haakjes.

Terug bij Jakobus 5

We komen nu weer terug bij Jakobus 5. De oudsten bidden dus voor de zieke en zalven hem/haar met olie. Natuurlijk bidden de brusters ook voor de zieke. Voorbede in de samenkomst van de gemeente is van essentieel belang en moeten we vooral niet onderschatten. Wordt dit niet al te vaak gedaan? Het neerzien op een armzalige groepje gelovigen die in overeenstemming met de wil van God bidden voor een zieke tijdens de samenkomst tot gebed (Handelingen 2:42) is zeer bedroevend. Maar de Heer weet het en ziet het. Geliefde medebrusters, laat u vooral niet tegenhouden om deze samenkomsten te bezoeken om van harte mee te bidden. Wanneer u deze samenkomsten tot gebed nog niet kent, zoek het dan. Vraag de Heer er u heen te leiden.

Soms maakt de Heer duidelijk dat er een speciale gebedsdienst belegd moet worden om voor een bepaalde persoon of zaak te bidden. De lengte van zulke diensten variëren, maar het gaat natuurlijk niet om de ‘lengte’, maar om in de ‘diepte’ (toewijding) van het gebed te komen tot de ‘hoogte’ van gemeenschap met de Heer. Daarbij mogen we wel opmerken dat deze tijd voor de Heer is en de lengte (kort of lang) ons daarom niet mag hinderen. Over het algemeen hindert ons de lengte meer. Hebben wij er nog wel tijd voor over om ook lang in gebed te zijn? Het krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel, zegt Jakobus toch (vers 16)! Niet dat de ‘lange-afstands-gebeden’ succes verzekeren. Ook het schreeuwen of met stemverheffing bidden – omdat iemand móet genezen – maakt óók niet dat iemand geneest. Misschien wil de Heer dat niet eens dat iemand geneest! De kans dat dit zo is, moeten we incalculeren, er rekening mee houden. Het gaat uiteindelijk er om dat God tot Zijn doel komt met ons leven, hetzij ziek, hetzij gezond! Laten we daarom met een diep gevoel van afhankelijkheid van Hem, met ootmoed en vertrouwen op Hem bidden.

Zoals hierboven al gezegd is, het gaat hier niet om de samenkomst van de gemeente. De oudsten bidden en zalven de zieke met olie. De nood is de zieke zo naar de lippen gestegen dat hij het nodig achtte om de oudsten van de gemeente uit te nodigen om voor hem te bidden. Ja, hij laat ze zelfs roepen! Dit woord ‘roepen’ duidt ook op de grote nood waarin de zieke is gekomen. Zijn gebed komt niet verder dan het plafond of misschien nog wel lager. Dit veroorzaakt uiteraard grote nood. Als je het gevoel hebt dat je gebed niet ‘aankomt’ en de ‘hemel van koper’ lijkt kan het zeer raadzaam zijn om broeders die de dienst van oudsten kunnen verrichten te roepen. Het gaat hier natuurlijk niet om iemand die een griepje heeft.

De oudsten zullen vaak weet hebben van wat er hier speelt. Zo niet, dan zullen zij ongetwijfeld tijdens die gelegenheid de zieke vragen wat de problemen zijn. Zo kan er ook gericht gebeden worden voor de nood in een openhartige en vertrouwelijke sfeer. Wat een kostbare dienst!

Wordt vervolgd D.V.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW