1 jaar geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (06)

Schriftplaatsen: Genesis 22 vers 4-5

De daadkracht van Abraham

“Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en hij zag die plaats in de verte” (Gen. 22:4).

Nadat Abraham alle nodige voorbereidingen getroffen had, ging hij op weg. De reis naar de plaats die God hem gezegd had, was niet kort. Drie dagen was Abraham onderweg. Hij zou voldoende tijd en gelegenheid gehad hebben om zijn gedachten te veranderen en om te keren (verg. Hebr. 11:15). Maar hij bleef standvastig. Zijn geloofsoog was op God gericht. Niets kon hem weerhouden om de wil van God uit te voeren.

Zoals Abraham zich bewust was, wat hem aan het eind van de reis te wachten stond, zo was God van eeuwigheid af Zich bewust van de hoge prijs, die Hem het offer van Zijn Zoon zou kosten, toen Hij het raadsbesluit daartoe nam (zie Hand. 2:23; 1 Petr. 1:20). Hij alleen wist wat het voor Zijn Vaderhart betekenen zou, om Zijn Zoon over te geven. Maar toch heeft Hij Hem niet gespaard, maar aan het kruis voor ons allen overgegeven. Begrijpen kunnen we dat niet, maar we willen Hem daarvoor steeds opnieuw prijzen en aanbidden!

De derde dag

De Heer Jezus is na Zijn kruisiging op de derde dag opgestaan. In de Schrift wijst de derde dag vaak naar de opstanding (bijv. Matth. 20:19; Luk. 18:33; 24:7,46; Hand. 10:40; 1 Kor. 15:4). Op de derde dag zag Abraham de plaats, waarvan God tot hem gesproken had in de verte. Het was de plaats waar hij zijn zoon zou offeren. Maar God greep op wonderbaarlijke wijze in, zodat deze plaats voor Abraham niet een plaats van de dood was, maar veeleer een plaats van opstanding werd. Want daar ontving hij zijn zoon in beeld uit de doden terug (Hebr. 11:19). Elke keer wanneer hij later terug dacht aan die plaats, verbond hij daarmee de gedachte aan de opstanding van zijn zoon.

Niemand kon volgen

“Abraham zei tegen zijn knechten: Blijven jullie hier met de ezel …” (Gen. 22:5).

Nadat Abraham de plaats in de verte gezien had, liet hij zijn knechten met de ezel achter en ging met Izak alleen verder. Hij wilde alleen zijn – alleen met Izak, maar ook alleen met God. Hoe zouden de knechten het ook begrijpen kunnen, wat hij op het punt stond te doen! Zij konden niet indringen in dat, wat hem bewoog.

Hoe spreken deze verzen toch zo duidelijk van onze Heer. Moest Hij niet soortgelijke ervaringen hebben (zie Joh. 16:12)? Had Hij niet vergelijkbare, hoewel veel dieper gaande gevoelens? Moest Hij niet ook tegen Petrus zeggen: “Waar Ik heen ga, kun je Mij nu niet volgen” (Joh. 13:36)? Moest Hij niet aan Zijn discipelen vragen: “Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, of met de doop worden gedoopt waarmee Ik word gedoopt?” (Mark. 10:38)? Hij wist dat niemand in staat zou zijn, Hem op die zware weg te volgen. In Mattheüs 26 vers 56 lezen we: “Toen verlieten alle discipelen Hem en vluchtten”. Allen zonder uitzondering namen aanstoot aan Hem (Matth. 26:31). Niemand was in staat om onze Heer op Zijn moeilijke weg naar Golgotha te volgen. Deze weg moest Hij geheel alleen gaan – alleen met Zijn God. Daarbij vertrouwde Hij in alles op Zijn God. De profeet Jesaja spreekt profetisch van dit onwrikbare vertrouwen van de Heer, wanneer hij schrijft: “Want de Heere HEERE helpt Mij; daarom wordt Ik niet te schande. Daarom heb Ik Mijn gezicht gemaakt als hard gesteente, want Ik weet dat Ik niet beschaamd zal worden” (Jes. 50:7). Onze Heer heeft volgehouden, totdat Hij het kon uitroepen: “Het is volbracht” (Joh. 19:30).

Het grote geloof van Abraham

” …dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren” (Gen. 22:5).

In dit vers straalt – zij het in het verborgen op het eerste gezicht – het grote geloof van Abraham duidelijk. In de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst hebben de drie werkwoorden “gaan”, “neergebogen” en “terugkeren” alle betrekking op het onderwerp “wij” en staan in het meervoud. Letterlijk vertaald zou men kunnen vertalen: “… maar ik en de jongen willen daar heengaan en aanbidden en dan willen we tot u terugkeren”. Hij en de jongen wilden samen daarheen gaan, samen aanbidden en dan samen terugkeren.

Abraham rekende er vast op, dat hij samen met Izak weer zou terugkeren. “Hij heeft overwogen [1], dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken” (Hebr. 11:18). Hoewel daarvoor nog nooit een opstanding uit de doden was geweest, rekende Abraham vast met de opwekkingskracht van God. God zou in staat zijn om zijn zoon weer op te wekken. Zijn geloof was volledig gebaseerd op de almacht en grootheid van God. Hoe opmerkelijk was toch het geloof van Abraham!

Abraham wilde aanbidden

Nog een afsluitende gedachten over dit vers: We lezen uitdrukkelijk ervan dat het Abrahams intentie was om samen met Izak te aanbidden. Het lag hem zeer aan het hart om God de eer te geven die Hem toekwam, en Hem door aanbidding – de hoogste vorm van gebed – te verheerlijken. Daarin was hij ook voor zijn zoon een voorbeeld en aansporing.

Behoort het ook niet tot onze geestelijke voorrechten en verantwoordelijkheden om onze kinderen tot aanbidding te leiden? God de Vader zoekt nog altijd zulken, die Hem aanbidden in geest en waarheid (Joh. 4:23). Misschien kan voor ons het voorbeeld van Abraham een aansporing zijn, niet alleen voor, maar ook met onze kinderen te bidden en te aanbidden. Door het eerste beseffen zij al vroeg hoe belangrijk en essentieel het gebed niet alleen voor hun ouders, maar ook voor henzelf is, en door het laatste worden ze zich bewust, dat het voor hun ouders een dringende aangelegenheid is, God de aanbidding te brengen die Hem toekomt.

NOOT:
1. Eigenlijk ‘gerekend’, d.i. het ervoor gehouden, overlegd, geconcludeerd.

Wordt DV vervolgd.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol