13 jaar geleden

Blijf van de Joden af (I)!

Premier Erdogan van Turkije haalde eens het volgende aan van de Koerdische dichter Ziya Gökalp: “De minnaretten zijn onze bajonetten, de koepels zijn onze helmen, de moskeeën en gelovigen zijn onze soldaten”. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over, lijkt mij. Het lijkt wel op het geluid van een moslim-fundamentalist. Als we de dreigende geluiden horen die uit Iran komen, waarin de haat jegens de joden steeds angst aanjagender naar voren komt, moeten we toch wel concluderen dat Israël een “lastige steen” is waarover de wereld valt. Dat is ook niet zo verwonderlijk want de Heer Jezus Christus, de beloofde én gekomen Messias, is die “Steen des aanstoots” (zie o.a. Romeinen 9:33).

“Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid [over] [u], heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan” (Zacharía 2:8). Misschien heeft paus Benedictus hier ook iets van begrepen en bezocht in Keulen als eerste Duitse paus een Joodse synagoge. Toch lijkt het er veel op dat deze nu al populaire paus politiek zeer begaafd is en goed laveren kan tussen de verschillende godsdiensten in onze dagen. Toch is hij zeer scherp en star in de Rooms leer dat er eigenlijk maar één godsdienst op aarde is, namelijk de Rooms-katholieke. Dat veel jongeren op de “wereld-jongerendagen” deze man zo aanbidden is onbegrijpelijk.

Premier Erdogan van Turkije haalde eens het volgende aan van de Koerdische dichter Ziya Gökalp: “De minnaretten zijn onze bajonetten, de koepels zijn onze helmen, de moskeeën en gelovigen zijn onze soldaten”. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over, lijkt mij. Het is wel het geluid van een moslim-fundamentalist. De veroveringsdrang van bepaalde moslims wordt hier poëtisch in militaristische termen vertolkt. De aandacht die deze minderheid in steeds meer landen krijgt, is onevenredig groot vergeleken met andere minderheden. Daar is zeker de media debet aan (ook in ons land), maar het behoort ook tot het beleid van de terroristische moslims van vandaag om aandacht te trekken en te intimideren. Eind 2005 werd er brand gesticht in een gebouw waar Christenen samenkomen. Het haalde geen voorpagina’s en het journaal zweeg in alle talen. Was het niet interessant genoeg? Als er brand in een moskee is, staat heel Nederland op z’n kop. Niet dat ik die brand goed zou keuren, verre van dat. Toch moeten we de berichtgeving in de media altijd met een nuchtere dosis wantrouwen tegemoet treden. Het wel of niet publiceren kan ook iets betekenen. Is het misschien angst voor de Islam? Voor alle duidelijkheid … ik lijd niet aan Islam-fobie. Toch is vooral ‘angst’ een wapen dat de Al Quaida in de strijd werpt. Toen een Joodse deserteur onlangs een zeer verwerpelijke, afschuwelijke aanslag pleegde op Arabieren, werd dit door de media extra uitvergroot; dat Palestijnen bij vaste regelmaat aanslagen plegen, blijkt dan opeens niet zo relevant meer. Niet dat we de aanslag van die Joodse kolonist goedkeuren, verre van dat. Als dit de teneur gaat worden van het gehele Joodse beleid ten opzichte van de Palestijnen, is de ramp niet te overzien. Wat we wel zien, is een toenemende haat naar de Joden toe. Dit volk in dit kleine landje aan de Middellandse zee is de brandhaard van geweld en doodslag, hoewel we momenteel Irak ook niet moeten vergeten. Maar ik wil het nu even betrekken op dat oude volk Israël. Zij zullen nog veel moeten meemaken. Het feit dat zij Jezus Christus, de van God Gezondene, niet hebben aangenomen als de beloofde Messias had, heeft (en zal) verregaande gevolgen (hebben).

Eerst nog een waarheid waarmee al eeuwen lang door verschillende volkeren geen rekening werd gehouden, met alle gevolgen van dien. Nu is dat nog zo, zeker de landen die door de Islam beheerst worden. De oude haat tussen Izak en Ismaël heeft daar ook mee te maken, denk ik. Deze waarheid vinden we in de Bijbel, het Woord van God, en luidt: “Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid [over] [u], heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan” (Zacharía 2:8). Misschien heeft paus Benedictus hier ook iets van begrepen en bezocht in 2005 Keulen als eerste Duitse paus een Joodse synagoge. Toch lijkt het er veel op dat deze nu al populaire paus politiek zeer begaafd is en goed laveren kan tussen de verschillende godsdiensten in onze dagen. Toch is hij zeer scherp en star in de Roomse leer dat er eigenlijk maar één godsdienst op aarde is, namelijk de Rooms-Katholieke. Dat veel jongeren op de “wereldjongeren-dagen” (ook in 2005) deze man zo aanbaden is onbegrijpelijk. Ongetwijfeld beschikt deze paus over een flinke dosis charisma. Toch neemt deze man een zeer “ongoddelijke” plaats in hier op aarde en staat toe, dat hij als mens zo verheerlijkt wordt, ja stimuleert dit zelfs. Ook deze man gaat voor eeuwig verloren als hij Jezus Christus niet als Heer en Heiland in zijn leven aanneemt. Daar helpt geen Rooms-Katholiek dogma aan. Datzelfde geldt voor de Jood, voor de Moslim, voor de … voor ieder mens. Je kunt niet om Jezus Christus heen. Nog minder kun je Hem vervangen hier op aarde, zoals de paus pretendeert. Maar we gaan nu verder met de Jood, want daar gaat het in dit artikel om.

De “ware Vredevorst”

Helaas zien de Joden die nu in het land Israël wonen nog steeds niet in, dat zij zonder de “ware Vredevorst” niet tot vrede zullen komen. Zij kennen en erkennen die ware Vredevorst als volk niet, nu niet en in het verleden niet, want deze ware Vredevorst is ruim 2000 jaar geleden gekomen. Deze ware Vredevorst is de Heer Jezus Christus, de beloofde “Messias”. De apostel Johannes getuigt: “Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen” (Johannes 1:11). En zo is het. Het volk Israël heeft haar Koning verworpen en Hem vermoord, door Hem te kruisigen. Petrus (en de andere apostelen) getuigen: “De God van onze vaderen heeft Jezus opgewekt, die u hebt omgebracht door Hem te hangen aan een hout” (Handelingen 5:30).

Ook getuigt Stéfanus zo heel duidelijk, toen hij als een gevangene voor de Raad (het Sanhedrin) stond: “… van Wie u nu verraders en moordenaars bent geworden … (Handelingen 7:52). Ook de “Christen-fundamentalist” de apostel Paulus – die na zijn bekering tot Jezus Christus geen ‘vleselijk’ geweld maar ‘geestelijke wapens’ gebruikte – getuigt: “Immers, Joden begeren tekenen en Grieken zoeken wijsheid, maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, voor Joden een aanleiding tot vallen … ” (1 Korinthe 1:22-23). En: “Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis” (Romeinen 9:32-33). Welnu, deze ‘Steen des aanstoots’ was de Heer Jezus Christus. Over Hem zijn de Joden gevallen. Hij is die “ware Vredevorst”, waarvan Jesaja al sprak: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam … Vredevorst” (Jesaja 9:5).

De Joden zijn dus zelf ook debet aan hun ‘netelige’ positie in deze wereld. Hebben zij ook niet zelf gezegd: “En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed over ons en over onze kinderen” (Mattheüs 27:25). We gaan nu de geschiedenis van het Joodse volk eens heel kort na, om te zien hoe dit alles ontstaan is en wat de Joden als volk nog zullen moeten ondervinden.

Geschiedenis van het Joodse volk

“Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het getal van de kinderen Israëls. Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve (Deuteronomium 32:8-9).

Ja, dit kleine landje temidden van die reusachtige buurlanden is onaantastbaar; zij vormt immers de oogappel van God. De geschiedschrijvers hebben geen oog voor het feit dat voor God Israël het Middelpunt van de aarde is, het Middelpunt van Zijn gedachten en plannen met betrekking tot deze aarde (als ik het wel heb ook geografisch). Dit stukje land aan de Middellandse Zee is van God, het is Zijn land en het centrum daarvan is Jeruzalem. Dit zal aan Israël als erfenis gegeven worden. Het land zal dan wel iets groter zijn als dat het nu is. De grenzen zullen dan wel een beetje anders liggen (zie Genesis 15:18; Psalm 72:8).

Palestijnen, Egyptenaren, Iraniërs, Irakezen, Turken … Engelsen, Russen, Duitsers, Nederlanders … blijf van de Joden af. Dit hebben zij helaas in het verleden niet gedaan, maar in de toekomst zal dit zeker wel zo zijn, wanneer het duizendjarig Vrederijk zal zijn gekomen. Voordat het echter zover is, moet het volk Israël nog veel verduren. En zij hebben al veel te verduren gehad.

In 1948 werd de staat Israël opgericht, nadat de Engelsen hun mandaat over Palestina beëindigden. Dat is nu (anno 2005/2006) al weer meer dan een halve eeuw geleden. De Israëli’s hebben zich inmiddels teruggetrokken uit de Gaza-strook. De Palestijnen vierden daarom hun feestje. Vooral de Hamas, een extremistische organisatie van de Palestijnen, is een fervente vijand van het Joodse volk en vormt een bedreiging voor de Joodse staat.

Veel jongeren kennen de geschiedenis van het Joodse volk niet. Wel, het was niet voor de eerste keer dat er daar in het Midden-Oosten een Joodse staat was. Als je daarover meer wilt weten, lees dan hun geschiedenis in de Bijbel. Dit vind je ondermeer in de boeken van de Koningen en Kronieken. Het rijk van David en Salomo was daar ruim drieduizend jaar geleden ook. Ook toen was het aanzienlijk groter dan nu. Ook zo’n tweeduizend jaar geleden – dus ten tijde van de Heer Jezus Christus – bestond dit land en wel onder de heerschappij van de Romeinen. Na de kruisiging van de koning van de Joden, de Heer Jezus Christus, werd Jeruzalem in het jaar 70 belegerd en verwoest door Titus, een Romeins veldheer. Van toen af aan zijn de Joden uit hun land verdreven en verstrooid over de hele wereld. Dit wordt wel ‘diaspora’ genoemd. Het joodse volk dreigde op te lossen in de andere volken waarheen zij verstrooid waren. Maar God heeft dit verhoed. Het Joodse volk bestaat nog altijd. Tweeduizend jaar lang verstrooid geweest over de hele aarde … maar sinds 1948 weer terug in Kanaän, hun land, dat wil zeggen een deel van hen. Een unieke gebeurtenis die zijn weerga niet kent.

De oorsprong

De geschiedenis van het Joodse volk begint bij Abraham. Abraham komt oorspronkelijk uit Ur der Chaldeeën – dat aan de Eufraat lag – het tegenwoordige Irak.

Hoe ging dat in zijn werk?

“De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal” (Genesis 12:1). Dit land heette Kanaän en heet nu Israël. Zoals we al in verband met de verlossing uit Egypte overdacht hebben, hebben de nakomelingen van Abraham heel lang in Egypte gewoond. Onder leiding van Mozes zijn zij uit Egypte teruggekeerd naar Kanaän. Het land komt al onder de Richters tot grote bloei. Richters waren de leiders van het Joodse volk na de terugkeer uit Egypte. Het volk wilde op een gegeven ogenblik, net als hun buurlanden, ook een koning hebben (een zeer slechte zaak om met deze wereld mee te willen doen; dat zie je dan ook hoe het bij de eerste koning gaat). Zo ontstaat, waarschijnlijk rond het jaar 1049 vóór Christus, het koninkrijk Israël. Koning Saul was de eerste koning. Daarna kwamen David en Salomo. In hun tijd floreerde het land geweldig onder de ‘zegen van de Heer’. De enorme rijkdom en wijsheid van Salomo is bekend. Hij was erg geleerd, of beter gezegd, had hij van God inzicht en verstand gekregen in vele dingen. Zoveel zelfs als na hem nooit meer gehad hebben. In zijn tijd kwamen er mensen naar Jeruzalem om deze schatten van Salomo te bekijken. De koningin van Scheba is daar een bekend voorbeeld van. Na de dood van Salomo valt het rijk uiteen in een noordelijk en in een zuidelijk deel. In het noorden het tienstammenrijk, Israël, en in het zuiden het tweestammenrijk, Juda en Benjamin. Vervolgens komt er een periode waarin het rijk in verval raakt.
Godsdienstig gezien raakt Israël in verval en komt het zelfs tot afgoderij (onder andere de Baälsdienst onder Achab). Tijdens het koningschap van Pekah, koning van Israël, werden in 732 vóór Christus de tweeënhalve stam (Ruben en Gad en de halve stam Manasse) alsmede de stam Naftali weggevoerd.

Door Sargon II, koning van Assyrië (721-705 vóór Christus) wordt het tienstammenrijk in ballingschap gevoerd, of eigenlijk beter gezegd, verstrooid.

Ballingschap

De ballingschap van Juda vond ná de wegvoering van het tienstammenrijk plaats in drie fasen, in drie verschillende tijdsperken. De eerste ving aan in het jaar 605 vóór Christus. Dit was bij het begin van de regering van Jojakim.

De tweede was in 597 vóór Christus tijdens de regering van Jojachin.

De derde in 586 vóór Christus, dat was in het elfde jaar van koning Zedekia’s regering.

De tien stammen werden verstrooid maar de twee stammen bleven bij elkaar. Zoals de Bijbel al voorzegd had, bleven de Joden in Babel – in het land van de Eufraat en de Tigris, het huidige Irak – wonen (Daniël 9:2; Ezra 1:1-3; Jeremia 25:11-12; 29:10). Behalve Daniël en Jeremia, waren er tijdens de ballingschap nog meer profeten.

In het jaar 536 vóór Christus kwam een eind aan de Babylonische ballingschap, die onder Nebukadnézar begon. De Perzen hadden een inval gedaan tijdens het in de Bijbel genoemde feestmaal (zie Daniël 5) van de laatste koning van Babel, koning Bélsazar. De nacht waarin dit feestmaal werd gevierd, werd tevens de laatste voor deze koning (vers 30). Volgens de Griekse literatuur heeft koning Cyrus, ofwel Kores zoals de Bijbel hem noemt, Bélsazar om het leven gebracht. In het jaar 538 vóór Christus krijgen de Joden van Kores toestemming om naar hun beloofde land terug te keren. Deze koning speelt dus een grote rol bij de terugkeer van de Joden en is zo een instrument in de hand van God. “Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neer te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden” (Jesaja 45:1). “Die van Kores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en [tot] de tempel: Word gegrond’ (Jesaja 44:28). Geleidelijk aan trekt het volk dan terug naar Kanaän.

Het eerste wat de Joden dan na hun terugkeer (in de zevende maand) doen, is de bouw van het altaar (Ezra 3). Daarna (in het tweede jaar) wordt begonnen met de herbouw van de tempel. Deze bouw ondervond veel tegenstand hetgeen resulteerde in een stagnering van 15 jaar. In het jaar 515 vóór Christus werd de herbouw – onder Zerubbabel (Ezra 5:2) – voltooid in het zesde jaar van koning Darius (dit is Darius I de Grote, die van 522-486 vóór Christus regeerde). Deze herbouw werd door de profeten Haggaï en Zacharía ondersteund (Ezra 5:1). Toch wordt het niet weer zo als ten tijde van de glorieuze tijden van David en Salomo. In de eerste plaats was het zo dat alleen de twee stammen (Juda) terug keerden en niet het tienstammenrijk die al eerder waren ‘verstrooid’. Ten tweede werd het land niet onafhankelijk omdat het deel bleef uitmaken van het Medisch-Perzische Rijk.

Om een en ander geschiedkundig beter te kunnen begrijpen, geven we nu eerst een kort overzicht van de vier wereldrijken die we in het boek Daniël vinden.

DE VIER WERELDRIJKEN

 

De droom

Dromen zijn bedrog. O ja? Toch de Heer heeft aan Nebukadnézar, koning van Babel, door een droom bekend gemaakt hoe de staatkundige ontwikkeling zou zijn. Dit kunnen we in Daniël 2 lezen.

God nu gebruikt Daniël om dit uit te leggen. De tovenaars, sterrenkijkers, wichelaars en Chaldeeën, niet de eersten de besten uit die tijd, waren niet in staat om de droom van Nebukadnézar voor te stellen, dus konden zij natuurlijk ook niets verklaren. We vinden daar een beeld die er als volgt uitzag:

  1. Het hoofd was van goud;
  2. de borst en armen waren van zilver;
  3. de buik en lendenen van waren koper;
  4. de benen van ijzer;
  5. voeten van ijzer en leem.

Dan staat daar Daniël tegenover de machtigste vorst van de wereld. Verdreven van huis en haard staat deze jongeman daar en mocht van de Heer deze koning zijn droom die hij had gedroomd vertellen alsmede de betekenis ervan uitleggen. Dan vraagt Nebukadnézar of Daniël in staat is hem de droom bekend te maken alsmede zijn uitlegging (vers 26). Daniël vertelt met grote vrijmoedigheid dat deze verborgenheid de geleerden, de sterrenkijkers, de tovenaars en de waarzeggers niet te kennen konden geven. Tegelijkertijd wijst hij op “God in de hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen”. Dit kon Daniël omdat hem die verborgenheid in een nachtgezicht geopenbaard was (vers 19). Daniël wist dat alleen de God van de hemel de beschikking had over de wijsheid en kracht, omdat het ook van Hem is en van Hem afkomstig is (vers 20). In zijn lofprijzing geeft Daniël God dan ook de eer. “De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijne is de wijsheid en de kracht. Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap aan hen, die verstand hebben; Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem. Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons de zaak van de koning bekend gemaakt” (vers 20-23).

Hier kunnen de geleerden van onze tijd veel van leren. Het zou veel nederiger maken wanneer in de wetenschap van vandaag rekening zou worden gehouden met God Die alle dingen geschapen heeft en Die alle draagt door het Woord van Zijn kracht (zie Kolosse 1:16; Hebreeën 1:3; 1 Korinthe 2:19-20).

Daniël kende zijn plaats en nam die ook in. Hij zegt: “Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom, opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten van uw hart zoudt weten” (vers 28).

De uitleg van de droom

Dan vertelt Daniël minutieus wat de koning in zijn droom gezien had, wat we hierboven puntsgewijs – het beeld – beschreven hebben. Dan legt Daniël het ook uit.

1. Het hoofd van goud: Het ‘Babylonische’ rijk (2:38);
2. de borst en armen van zilver: Het rijk van de ‘Meden’ en ‘Perzen’ daarna (2:39a);
3. de buik en lendenen van koper: Het ‘Griekse’ rijk (2:39b);
4a. de benen van ijzer: Tenslotte het ‘Romeinse’ wereldrijk (2:40). De benen van ijzer symboliseren de macht. Toen Christus geboren werd, stonden de Joden nog onder deze heerschappij. Ondertussen is dit rijk als het ware ‘slapende’. Het heeft geen macht meer. Maar er komt een herstel in de vorm van een ‘tien-statenbond’, voorgesteld door de tien tenen van ijzer en leem;
4b. voeten van ijzer en leem: Het hersteld Romeinse Rijk. In Openbaring 17:7-13 voorgesteld als een beest. Daarvan wordt gezegd: “Het beest dat u gezien hebt, was en is niet en zal uit de afgrond opstijgen …” (vers 8). Christus wordt in vers 45 voorgesteld als een “Steen”, Die zonder menselijk ingrijpen het beeld zal vermorzelen. Dit zal gebeuren wanneer Hij als de Koning der koningen op aarde zal verschijnen ná de opname van de gemeente en wel aan het eind van de laatste week van Daniël 9:25-27. Dan zal Hij het duizendjarig Vrederijk oprichten (Daniël 7:13-14; 18; zie verder Daniël 7:26-27; Openbaring 20:4). In de ogen van God zijn deze vier wereldrijken één geheel, het was ook één beeld.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW