12 jaar geleden

1 Thessalonika 4 (11)

Waarover gaat het deze keer? Over heiligheid van de gelovigen met het oog op zedelijke onreinheid (vers 1-8). Over de broederliefde (vers 9-10). En over een rustige wandel en het arbeiden voor eigen behoeften. Stuk voor stuk actuele onderwerpen voor onze tijd. Juist deze dingen worden in het zogenaamde Christelijke Nederland met voeten getreden. Toch verandert het Woord van God niet en de gedachten van God over deze dingen zijn ook niet veranderd. Zien we niet de verschrikkelijke gevolgen van de hoererij in onze dagen? Vreemd gaan is helemaal in en wordt zelfs met een bepaalde romantiek overgoten om de mensen ook maar zover te krijgen. Listen van de satan? Ja!!! Hoe staat het met de liefde onder de gelovigen? En het met eigen handen werken? Wat het laatste betreft leven wij zeker in een zeer onrechtvaardige wereld. Wat kunnen we, ja moeten we doen? Terug tot het Woord van God! Terug naar God Zelf! …

Hoofdstuk 4:4-12

Vers 4-5: 4. “Dat ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in 5. heiliging en eerbaarheid (niet in begerige hartstocht, zoals de volken die God niet kennen) …”

Sommige uitleggers denken bij de uitdrukking “eigen vat” aan de echtgenote van een gelovige (vergelijk 1 Korinthe 7:2; 1 Petrus 3:7), anderen aan het eigen lichaam (2 Korinthe 4:7). Wij willen hier niet over deze vraag beslissen en denken aan beide. In ieder geval gaat het om dat, wat God ons toevertrouwd heeft en wat wij tot Zijn eer gebruiken mogen.

Onder de heidense volkeren was de zonde van hoererij toentertijd zeer verbreid, zodat de gevoelens van de mensen geheel afgestompt waren. Het “hoogbeschaafde” Griekenland maakte daarop geen uitzondering, zoals de profane geschiedsbeschrijving ons bevestigt. En ziet het vandaag in het Christelijke westen veel anders uit? Wat voor vijftig jaar nog ondenkbaar scheen, is vandaag algemeen gebruikelijk. Wat mensen die God niet kennen volledig normaal mag lijken, is het voor ons bepaald niet. En wij willen de verzoekingen voor ons niet onderschatten.

Denk aan het lichtende voorbeeld van de jonge Jozef in Egypte, en lees nog eens Genesis 39:7-23!

Vers 6: “[en] dat men zijn broeder geen onrecht aandoet en hem bedriegt in die zaak; want [de] Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en ernstig betuigd hebben”.

De broeder onrecht aandoen of bedriegen: Wie zich met een getrouwde vrouw inlaat, zondigt niet alleen tegen God en deze vrouw, maar vooral ook tegen haar echtgenoot. Zijn rechten worden met voeten getreden, hij wordt bedrogen. Wat een ellende is over hele gezinnen en gemeenten door zulke boze dingen gekomen, om maar te zwijgen over de schade voor het getuigenis voor de Heer voor de mensen, die Jezus nog niet als hun Heiland kennen. De Heer zal de zaak van de bedrogen broeder opnemen. Zulke zonden blijven niet ongeoordeeld.

Hoe mooi de vrijheid onder de kinderen van God is, wan zij vormen immers samen een grote familie, de familie van God, zo duidelijk moeten wij ook de gevaren van zondige verzoekingen binnen de brusterkring onder ogen zien. Dit ernstige punt heeft de apostel al tijdens zijn oponthoud in Thessalonika naar voren gebracht. Het lag hem zeer na aan het hart, zodat hij hier de gelegenheid benut, nog eens met alle duidelijkheid daarop in te gaan.

Vers 7: “Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging”.

Kinderen van God zijn geroepen om vrij te zijn (Galaten 5:13); God heeft hen tot Zijn eigen koninkrijk en tot Zijn eigen heerlijkheid geroepen (2:12). Zij zijn in heiligheid geroepen. Hoe kan God het dulden, dat Zijn kinderen weer in zonden verstrikt raken, voor wie Zijn Zoon aan het kruis gestorven is? Bij de bekering heeft God alle zonden van ons afgewassen (1 Korinthe 6:11). De weg van elke gelovige begint, als God hem als zondaar roept, dat betekent dat God hem door het evangelie roept. Wie deze roep volgt, God heiligt hem voor Zich. Vanaf dit ogenblik is een mens bekwaam om in tot God in de hemel, in Zijn heilige tegenwoordigheid binnen te treden. Deze heiligheid moet hem daarom tijdens zijn hele leven kenmerken.

Vers 8: “Daarom, wie dit veracht, veracht niet een mens, maar God, die u zijn Heilige Geest heeft gegeven”.

Met dit vers komt de apostel tot de afsluiting van deze inhoudsrijke uiteenzettingen en ook tot het hoogtepunt van zijn argumentatie: Wie de duidelijke aanwijzingen van de apostel, het gebod van de Heer en de wil van God in deze zaak veracht1, veracht God. God is het, die ons mensen geschapen heeft, en Hij is het ook die de huwelijksbetrekkingen tussen man en vrouw ingesteld heeft. Wie dit minacht, minacht de Gever van deze betrekkingen.

Bovendien heeft God ons Zijn Heilige Geest2 gegeven. De Geest van God woont in de gelovigen die daardoor de tempel van de Heilige Geest zijn. Leest u maar in dit verband 1 Korinthe 6:12-20, in het bijzonder vers 19.

Vers 9-10: 9. “Wat nu de broederliefde betreft, hierover hebt u niet nodig dat wij u schrijven; want zelf bent u door 10. God onderwezen om elkaar lief te hebben; want u doet dat ook jegens alle broeders in heel Macedonië. Maar wij vermanen u, broeders, daarin nog overvloediger te zijn”.

Wat de briefontvangers nauw met elkaar verbond, was het gemeenschappelijk geloof in Jezus Christus en hetzelfde Goddelijke leven, dat zij door de nieuwe geboorte ontvangen hadden. Bovendien hebben zij allen de Heilige Geest. Johannes schrijft ongeveer veertig jaar later van de broederliefde: “Wij weten dat wij uit de dood zijn overgegaan in het leven, omdat wij de broeders liefhebben (1 Johannes 3:14). Men kan een echte Christen daaraan herkennen, dat hij de broeder liefheeft. Wanneer het nieuwe leven in een gelovige zich ontvouwt, is broederliefde het natuurlijke gevolg. Aan de andere kant schrijft Johannes: “GOD is LIEFDE” (1 Johannes 4:8,16). En wie deelgenoot van de Goddelijke natuur geworden is, zoals Petrus het uitdrukt (2 Petrus 1:4), in hem werkt dit leven op dezelfde wijze.

Daarom is verder onderwijs niet noodzakelijk. In deze zin waren de gelovigen door God “geleerd”3. Vandaar onderscheiden we een “innerlijk” weten en een kennis, die wij “uiterlijk” – door het leren kennen en opnemen van de waarheid van het Woord van God – ontvangen. Beiden zijn noodzakelijk en vullen elkaar aan.

Maar wanneer het gaat om het in de praktijk brengen, is er altijd nog een “rijkere groei”.

Of wij daar een uitzondering op vormen?

Vers 11-12: “… en er een eer in te stellen rustig te zijn en uw eigen zaken te behartigen en met uw handen te werken, zoals wij u hebben bevolen, opdat u betamelijk wandelt tegenover hen die buiten zijn en van niemand [iets] nodig hebt”.

Nu volgt zonder elke onderbreking een vermaning, die in nauw verband staat met het voorafgaande. Vanzelfsprekend waren er bij de wederzijdse broederliefde storende factoren, die daaruit bestonden dat enkelen:

  • geen rustig leven leidden,
  • geen geregeld werk zochten en
  • daardoor het getuigenis voor de Heer schaadden en dan
  • door anderen financieel ondersteund moesten worden.

Meenden zij misschien dat zij meer bijbelkennis dan hun broeders hadden, dat zij geestelijker of trouwer waren dan anderen? Of meenden zij dat werken tijdverspilling is, omdat de Heer spoedig komen zou? In ieder geval was dit gedrag naast al het andere de oorzaak, aan te sporen tot de wederzijdse broederliefde.

Van niemand iets nodig hebt: Verstonden zij de broederliefde zo, dat de anderen hen ondersteunen moesten? Dat was zeker een verkeerde voorstelling van de broederliefde. De broederliefde geeft, zij verwacht niet van anderen. Op dit punt was de apostel een mooi voorbeeld. Hij werkte “nacht en dag” om niemand lastig te vallen (hoofdstuk 2:9), maar om anderen zelfs nog iets te kunnen geven.


 

Vragen en aansporingen tot verwerking:

  1. Welk verband bestaat er tussen liefde en heilgheid?
  2. Waar wordt in het nieuwe testament overal de opname behandeld?
  3. Wat zegt het nieuwe testament daarover, waartoe gelovigen geroepen zijn?
  4. Bewijs uit het nieuwe testament dat gelovigen de Heilige Geest ontvangen?
  5. Hebben de gelovigen ten tijde van het oude testament de Heilige Geest inwonend?
  6. Wat is een zeker bewijs daarvoor, dat een mens opnieuw geboren is?
  7. Wat is het onderscheid tussen ‘kennis’ en ‘weten’?
NOTEN:
1. Andere vertalingsmogelijkheden van het hier gebruikte Griekse woord atheteo zijn: ter zijde schuiven, verwerpen.
2. Let er op dat Hij hier de Heilige Geest genoemd wordt. Daardoor ligt de nadruk erop dat Gods Geest ons tot een geheiligd leven leiden wil.
3. Van het volk Israël dat in het duizendjarig rijk weer hersteld zal zijn, staat er dat ook zij “van de HEERE geleerd” zullen zijn (Jesaja 53:13; vergelijk Johannes 6:45). Daarbij gaat het om het werk van God in het innerlijk van deze mensen, wanneer ook zij nieuw leven ontvangen zullen hebben.

Wordt D.V. vervolgd.

Werner Mücher, © Folge mir nach

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW