2 weken geleden

Wie is mijn hulp en bron? …

Psalm 121

In deze prachtige psalm vinden we de ervaringen van een gelovige die in beproevingen en verleidingen op het pad van het geloof zijn hulp en een nooit falende bron in de Heer vindt.

1. Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.
2. Mijn hulp is van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
3. Hij zal uw voet niet laten wankelen, uw Bewaarder zal niet sluimeren.
4. Zie, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren of slapen.
5. De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw schaduw aan uw rechterhand.
6. De zon zal u overdag niet steken, de maan niet in de nacht.
7. De HEERE zal u bewaren voor alle kwaad, uw ziel zal Hij bewaren.
8. De HEERE zal uw uitgaan en uw ingaan bewaren, van nu aan tot in eeuwigheid.

Vers 1-2

Het eerste vers roept de vraag op: “Vanwaar zal mijn hulp komen?”1.

De godvrezende man wordt met beproevingen en moeilijkheden geconfronteerd. Hij wordt er zich van bewust, dat hij in zichzelf geen kracht heeft om de omstandigheden het hoofd te bieden. Hij heeft hulp nodig. De grootste bron van zwakte bij een beproeving is vaak het zelfvertrouwen dat ons ertoe brengt te denken, dat we de moeilijkheid alleen of in onze eigen wijsheid tegemoet kunnen treden. Het gaat ons in beproevingen en verzoekingen soms net zoals bij Petrus. We moeten door bittere ervaringen leren, dat we geen kracht in onszelf hebben. Bij elke stap hebben we een Helper nodig die ons ondersteunt en ons door de beproeving heen loodst.

Op het moment dat de psalmist beseft, dat hij hulp nodig heeft, rijst de vraag in zijn ziel op: “Vanwaar zal mijn hulp komen?” Hij kijkt naar de bergen, die onbeweeglijk zijn. Zo zijn er ook mensen in de wereld die erg stabiel en krachtig en onaantastbaar voor een vijand lijken. Maar kunnen we een schepsel vertrouwen zoals wij zijn? De profeet Jeremia zegt ons: “Voorwaar, tevergeefs verwacht men het van de heuvels, en de menigte van de bergen (door het luidruchtige aanroepen van de afgoden). Voorwaar, in de HEERE, onze God, is het heil van Israël” (Jer. 3:23). Wetende dat hij hulp nodig heeft en dat de hulp van mensen tevergeefs is, wendt de godvrezende man zich af van het schepsel tot de Schepper. Gelukkig zegt hij: “Mijn hulp is van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft“.

Vers 3

Eén gedachte die steeds terugkeert in deze psalm is de voortdurende zorg van de HEERE. Het woord ‘bewaarder’  kenmerkt deze verzen.

Door naar de Heer te kijken, leert de gelovige ten eerste dat hij in alle gevaren bewaard wordt. In dagen dat we worden bedreigd door plotselinge gevaren die tot verwoesting kunnen leiden, is het troostrijk om bemoedigd te worden door de woorden: “Wees niet bevreesd voor plotselinge angst of voor verwoesting door goddelozen, als die komt, want de HEERE is je hoop, Hij zal je voet bewaren voor gevangenschap” (Spr. 3:25,26).

Wanneer we onze ogen van de Heer afwenden en ons met de voorbijgaande welvaart van ongelovigen bezighouden, zullen we zoals Asaf in Psalm 73 moeten zeggen: “Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden, mijn schreden waren haast uitgeschoten” (Ps. 73:2). Maar als we naar de Heer kijken en ons in Hem verheugen, zullen we kunnen zeggen, zoals Hanna: “Hij zal de voeten van Zijn gunstelingen bewaren …. want een man is niet sterk door eigen kracht” (1 Sam. 2:9).

Het pad waarop we moeten gaan, kan soms ruw zijn, de vijand kan zich tegen ons verzetten met zijn listen en valkuilen; we kunnen met veel verzoekingen te maken krijgen en er kunnen moeilijkheden ontstaan. De Heer kan al deze beproevingen toelaten, maar één ding zal Hij nooit toestaan: dat de voeten van degenen die op Hem vertrouwen, afgewend zullen worden van het pad dat naar de heerlijkheid leidt. Zo vinden we in de volgende Psalm het antwoord op de woorden: “Hij zal uw voet niet laten wankelen”. Degene die God vreest kan met volledig vertrouwen zeggen: “Onze voeten staan binnen uw poorten, Jeruzalem” (Ps 122:2).

De laatste woorden van de Heer aan Petrus waren: “Volg mij”. Hijzelf heeft de weg geëffend voor de gelovige christen. Als we Hem volgen door onze blik op Christus te richten als de nooit falende Hulp, zal dit ons brengen in het centrum van de heerlijkheid, waar Hij al is heengegaan.

Vers 3-5

Wie in eenvoudig geloof op de Heer ziet, zal ervaren dat Zijn zorg nooit ophoudt. Een apostel kan in slaap vallen op de berg van de verheerlijking in aanwezigheid van een heerlijkheid die te helder is voor de natuurlijke mens. Hij zal ook in slaap vallen in de tuin van Gethsémané in het aangezicht van een nood, die voor ons ondraaglijk is (Luk. 9:32; 22:45). Een gelovige die op een verkeerd pad is, kan in een diepe slaap verzinken, zoals Jona ooit deed, en niet opmerken hoe de Heer aan het werk is door een hevige wind op de zee te werpen. Noch de storm, noch het zinken van het schip, noch de angst en het beven van de ongelovige mensen van de wereld, kon Jona’s slaap verstoren. Dat is hoe wij zijn!

Maar er is Iemand, die de Zijnen die in de wereld zijn, liefgehad heeft (verg. Joh. 13:1)2. En Hij houdt van hen met een liefde die in alle stormen van het leven tot het einde toe, nooit ophoudt om voor hen te zorgen.

Wanneer we naar de Heer opzien en om hulp vragen, zijn we er zeker van dat het altijd beschikbaar is. Een vriend die rechts van ons staat, is iemand tot wie we ons elk moment kunnen wenden. Zo kon David zeggen: “Ik stel mij de HEERE voortdurend voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet” (Ps. 16:8). De ongelovige, die op zichzelf vertrouwt, “spreekt in zijn hart: ik zal niet wankelen”. Maar het oordeel van God zal hem treffen (Ps. 10:6,16). Maar hij die op de Heer aan zijn rechterhand vertrouwt, kan zeggen: “Ik zal niet wankelen”. Ja, hij kan nog verder gaan en op de belofte van de Heer: “Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten”, met vol vertrouwen zeggen: “De Heer is mijn helper en ik zal niet vrezen; wat zal een mens mij doen?” (Hebr. 13:5,6).

Hoe goed om te weten dat ik een Vriend heb, waar ik altijd terecht kan. Hij heeft alle wijsheid om me in elke moeilijkheid te leiden. Hij heeft alle macht om tegenstand te overwinnen, maar Hij heeft ook alle mededogen om in elke nood te geven, alle genade voor elke zwakheid en barmhartigheid voor elke behoefte.

Vers 6-7

De gelovige, die zijn hulp van de Heer verwacht, is er zeker van dat hij te allen tijde beschermd wordt. In een wereld waar er altijd weer oorlogen tussen volkeren zijn, worden we voortdurend blootgesteld aan gevaren, zowel “overdag” als “bij nacht”. De Heer zegt niet tegen de Zijnen: “U zult deze verschrikkingen niet tegenkomen zoals de anderen”. Integendeel, Hij zegt: “Als u Mij tot uw toevluchtsoord maakt en vertrouwt op Mij, dan zult u zult niet vrezen voor het beangstigende van de nacht, voor de pijl die overdag aan komt vliegen, voor de pest, die in het donker rondgaat, voor het verderf dat midden op de dag verwoest” (verg. Ps. 91:5,6,9).

Bovendien wordt de gelovige die op de Heer ziet en zijn hulp van Hem verwacht, voor alle kwaad beschermd. Het kwaad kan vele vormen aannemen: slechte gedachten, slechte ideeën, slechte woorden, slechte daden en dergelijke, die het boze doen. De gelovige christen, gezegend met elke geestelijke zegen in de hemelse gewesten, wordt op bijzondere wijze door de “geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten”, die achter de schermen werken, vijandig bejegend. Maar als de gelovige op de Heer ziet, zal hij, in de kracht van Zijn sterkte, in staat zijn elke listige aanval van de vijand in de boze dag te weerstaan en zo stand te kunnen houden tegen het boze (Ef. 6:10-13).

In een wereld waarin we niet weten wat de volgende dag zal brengen, is de gedachte troostrijk dat iemand die de hulp van de Heer verwacht, kan zeggen: “Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; zijn hart is standvastig, hij vertrouwt op de HEERE” (Ps. 112:7). De apostel Paulus waarschuwde ons dat we in een tijd leven, waarin “boze mensen en bedriegers3 zullen van kwaad tot erger voortgaan” (2 Tim. 3:13). Tijdens zijn leven ontmoette hij zulken, die “hem veel kwaad berokkenden”. Maar vertrouwend op de Heer, kon hij zeggen: “De Heer zal mij redden van elk boos werk en behouden voor Zijn hemels koninkrijk” (2 Tim. 4:14,18).

Vers 8

Degenen die hun hulp van de Heer verwachten, kunnen in alle omstandigheden op Zijn nooit falende zorg rekenen. Het “uitgaan” en het “ingaan” betekent zoveel als “het komen en het gaan”, en spreekt over de veranderende omstandigheden die onze onrustige wereld kenmerken. De Heer kon tegen Zijn discipelen zeggen: “Komt uzelf [met Mij] afzonderlijk naar een woeste plaats en rust wat. Want er waren er velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten” (Mark. 6:31).

In zijn barmhartige zorg wil de Heer ons in deze drukke wereld rust schenken. Maar op deze aarde zal het uitrusten slechts voor een korte tijd (“en rust wat”) zijn. Deze woorden geven aan, dat het drukke leven weer verder gaat. We moeten nog een poosje wachten op de eeuwige rust: “Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God”. Van degenen die in deze rust zijn ingegaan, wordt gezegd: “… en hij zal geenszins meer daaruit weggaan” (Hebr. 4:9; Openb. 3:12). In de tussentijd kunnen we op de Heer zien en onze hulp van Hem verwachten. Dan zullen we ervaren, dat Hij ons in deze hectische wereld waarin ook wij werken en ons moeten bewegen, onder alle omstandigheden zal behoeden.

Ten slotte spreekt de psalmist over de duur van het behoeden van de Heer: “van nu aan tot in eeuwigheid”, dat betekent door alle tijden heen. De psalmist had zeker het duizendjarig rijk op het oog. De christen kan deze woorden een bredere toepassing geven door te denken aan de gelukzalige eeuwigheid in het huis van de Vader. Daar, waar de Heer Jezus ook heen ging om een plaats voor Zijn hemelse volk te bereiden, zullen we met Christus zijn en zoals Hij zijn.

Hij kan van Zijn schapen zeggen: “En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand” (Joh. 10:28). In de gelijkenis van Lukas 15 vindt de Heer Zijn verloren schaap, legt het op Zijn schouders en komt naar huis. Niets minder dan Zijn huis is goed genoeg voor Zijn schaap. We kunnen verdwalen, maar Hij vindt Zijn schapen. Hij behoedt hen in Zijn kracht terwijl ze door deze wereld gaan, en zal ze allemaal naar huis brengen opdat zij altijd bij Hem zullen zijn.

Uit deze prachtige psalm leren we, dat wanneer we op de Heer vertrouwen en de hulp van Hem verwachten, we het volgende vinden:

  • Hij zal ons beschermen tegen alle gevaren;
  • Hij is in voortdurende zorg om ons;
  • Zijn hulp is altijd beschikbaar;
  • Hij zal ons te allen tijde bewaren;
  • Hij zal ons beschermen tegen alle kwaad;
  • Hij zal ons onder alle omstandigheden beschermen;
  • Hij zal voor eeuwig bij ons zijn.
VOETNOOT:
1. Veel moderne vertalingen sluiten het eerste deel van dit vers af met een punt en vertalen het tweede deel van dit vers als een onafhankelijke vraag: Vanwaar zal mijn hulp komen? SV en HSV volgen echter de accenten van de Masoretische tekst die beide delen bij elkaar houden. Het alternatief wordt echter wel in een noot vermeld. Schrijver gaat uit van: “Vanwaar zal mijn hulp komen?”.
2. De tekst luidt: “Vóór het feest van het pascha nu heeft Jezus, die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde”. Bij ‘tot het einde’ kunnen we ook denken aan ‘ten volle’.
3. Lett. ‘tovenaars’; verg. vs. 8.

 

Hamilton Smith; © www.haltefest.ch

Jaargang: 2003 – bladzijde: 91.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM