9 jaar geleden

Vergeving (2)

Deel 2

Het spijt mij

“Doch Gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, …  (Nehemía 9:17).

“Mijn verontschuldiging” schijnt het woord het zijn, dat het moeilijkst over de lippen komt”. Ieder weet uit ervaring, hoe moeilijk het vanuit menselijk oogpunt is, om vergeving te vragen. In een kleine serie zal het thema van wederzijdse vergeving behandeld worden, dat voor het samenleven als gelovigen zo “van levensbelang” is. In deze bijdrage gaat het erom, dat God ons gebiedt, elkaar te vergeven. Vergeving is niet naar goeddunken, maar het is de wil van God en het is Zijn gebod, dat wij het praktiseren.

De bijbel zegt heel duidelijk: Vergeeft elkaar!
Alle gelovigen moeten bepaalde karaktertrekken en gedragslijnen als een kledingstuk “aantrekken – daaronder zijn de volgende: “Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar, als de een tegen de ander een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zó ook gij (Kol. 3:13).Het wordt bevestigd door de omvangrijke oproep: “Maar weest ten opzichte van elkaar goedertieren, medelijdend, elkaar vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft” (Ef. 4:32).De Heer zei tegen Zijn discipelen: “En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zeven maal tot u terugkeert en zegt: Ik heb berouw, zult gij hem vergeven” (Luk. 17:4).Net zo onderwees Hij Petrus, die Hem vroeg: “Heer, hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal?” – “Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal” (Matth.18:21).Uit het “Onze Vader” kennen wij de bede: “En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren” (Matth. 6:12). Daar knoopt Jezus bij aan met het onderwijs: “Want als gij de mensen hun misdaden vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij de mensen hun misdaden niet vergeeft, zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven” (vs. 14-15).De Heer voert het voorbeeld van een mens aan, die juist grote schulden kwijtgescholden waren, maar die zelf op onbarmhartige wijze een veel kleinere vorderde. Tot straf werd hij werd hij dan weer voor zijn oorspronkelijke schuld tot rekenschap geroepen. Daarbij maakt Hij duidelijk: “Zó zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft” (Matth. 18:35).Hetzelfde onderwijs verbindt de Zoon van God met een gebedssituatie: “En wanneer gij staat te bidden, vergeeft als gij iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader, die in de hemelen is, uw misdaden u vergeeft. Maar als gij niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is uw misdaden niet vergeven” (Mark. 11:25-26).

Wanneer men de “grondtoon” van deze verzen op zich laat inwerken, valt op: altijd weer luidt het: “vergeeft!”, “u zult vergeven”, “als u niet vergeeft …”. Wij worden opgedragen te vergeven. De vergevende heeft de plicht. Er is geen opdracht, niet te vergeven. Het gebod luidt: “U zult vergeven”.

Deze verzen zeggen ook niet, dat wij louter een “vergevende houding” zouden moeten hebben (dat is immers al wat …), maar dat wij vergeven moeten. Bovendien moet de vergeving onbegrensd zijn (wat het aantal voorvallen betreft) en van harte gebeuren.

Voor de vergeving worden (in de regel) geen voorwaarden en beperkingen gesteld. Dat wij vergeven moeten als God, is geen beperking, maar een maatstaf; dit treft niet hen die belijden maar hen die vergeven. Daarmee wordt niet bedoeld, dat wij alleen te vergeven hebben, als God vergeven heeft of vergeven zou (?); of dat wij God-gelijk onze geloofsgenoten vergeving zouden kunnen verlenen – want wij kunnen alleen (een) zonde vergeven, die ons is aangedaan en daarmee de aardse verhoudingen in orde brengen. Maar wij moeten in de omgang met de zonden van onze mede-gelovigen dezelfde grenzeloze genade en liefde aan de dag leggen, die wij van Gods zijde genieten.

Wij moeten elkaar vergeven. En wel onbegrensd en van harte.

God vergeeft ons (alleen), als wij anderen vergeven

De Heer stelt meermalen het verband samen: Als wij anderen niet vergeven, vergeeft ook God de Vader ons niet (zie onder andere: Matth. 6; 18; Mark. 11). Zo verbindt hij de vergeving tussen mensen met de vergeving van God. Niet met de vergeving voor de eeuwigheid, maar daarmee, hoe God de Vader met mij omgaat in mijn dagelijks leven. Welke houding ik tegenover mijn medebrusters1 heb, krijg ik in mijn verhouding tot God, de Vader, te merken – ten goede, zowel ten kwade. Kan ik persoonlijk van God barmhartigheid verwachten, als ik zelf hardvochtig ben? De Heer zegt hier: “Neen”. Kan de ontbrekende vreugde en innerlijke onrust, die ik in mijn verhouding tot God bespeur, daarvan komen, dat ik van mijn broeder / van mijn zuster teveel verwacht om te kunnen vergeven? De Heer zegt hier: “Ja”.

Wij moeten anderen vergeven, als wij zelf de vergeving van God in het dagelijks leven beleven willen!

De volgende keer: De weg tot verzoening – het gaat niet zonder met elkaar te spreken.

NOOT VERTALER:
1. Medebrusters: In Frisse Wateren: medebroeders en medezusters.

Thorsten Attendorn

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW