14 jaar geleden

Ruth (23)

Deze doorlopende overdenking is ontstaan uit voordrachten en zijn voor de praktijk bedoeld. Moge de Heer ons door deze eenvoudige overdenking rijkelijk zegenen! – Het ligt mij op het hart daarop te wijzen, dat men uitleg over het Woord van God alleen met de Bijbel en onder gebed leest.

De genade van God

Dank voor Zijn oneindige genade

“In Uw genade wil ik roemen, die zondaars zalig maakt en vrij.

Uw liefde onuitputtelijk noemen, want wie, o God, heeft lief als Gij.

Genade brengt van boze wegen de zondaar naar des Heilands kruis;

en U komt hen in liefde tegen, als kwam een enige zoon naar huis”.

Met welk een overgave zou Ruth – na alle ervaren genade – dit lied gezongen kunnen hebben. Zoals al gezegd is: het boek Ruth is het boek van de genade. Voordat wij verder gaan willen wij nog eens aan de reddende, leidende en bewarende genade van God die wij op de weg van Ruth vinden, herinneren.

Die eens vreemdeling was, werd uit Moab weggeleid en hoort nu bij het volk van God. Zulk een verandering moet men persoonlijk beleefd hebben. Zij was een begenadigde en ieder die uit de duisternis in het licht gekomen is, heeft de reddende genade ervaren.

Maar wat in eigenlijke zin “genade van God” betekent, laat zich aan de hand van menselijke voorbeelden nauwelijks verklaren. Zij stelt niet een eenvoudige gratiebesluit voor, op grond waarvan strafgevangenen een deel van hun straf, of misschien de gehele, wordt kwijtgescholden. De verlosten zijn op grond van de Goddelijke barmhartigheid, maar ook op grond van de Goddelijke gerechtigheid begenadigd. God is door het vergoten bloed en de dood van Zijn geliefde Zoon aan het kruis met het oog op de zonde volkomen bevredigd geworden. De verlosten staan in Christus als gerechtvaardigden voor God alsof er nooit een vlek aan hen zou zijn geweest. “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Korinthe 5:21). God heeft de Heer Jezus tot dat gemaakt, wat wij als natuurlijke, zondige mensen waren en heeft ons tot dat gemaakt wat Hij is. Dat is genade in Goddelijke volkomenheid.

Hebben alle lezers die genade beleefd? Zijn allen eens met hun schuld tot God gekomen en hebben zij in Zijn licht vanwege de persoonlijke toestand en hun zonden belijdenis gedaan? Was er ooit in onze harten een oprecht erkennen van het verloren zijn en de overtuiging dat de heilige God ons met recht verdoemen moest? Hebben wij allen, ieder persoonlijk, in waarheid de toevlucht genomen tot de Heer Jezus als onze Heiland en Redder? Hij is de enige Middelaar tussen God en mensen. Zijn verlossingswerk op Golgotha is de enige grondslag voor onze redding. Het is een heel persoonlijke aangelegenheid tussen een ziel en de Heer Jezus, Hem in kinderlijk geloof als Degene aan te nemen Die voor ellendige zondaars alles goed heeft gemaakt.
Hoe langer wij op de weg van het geloof met de Heer Jezus hebben gewandeld, des te meer moeten wij een verdiept begrip over de grootte van de ons vergeven schuld verkrijgen. Daar horen ook alle zonden na onze bekering bij, en helaas zondigen wij nog iedere dag.Dat brengt ons weliswaar niet in de toestand van verlorenheid terug – God zij daarvoor geprezen, want onze positie als gerechtvaardigden is voor eeuwig onveranderlijk – maar daardoor moet onze waardering van de overvloedige genade vergroot worden.

Helaas kennen vele verlosten deze genade van God slechts onvolkomen. Zij schrikken er niet voor terug zich te verbeteren, het meest door eigen, wettische inspanningen. Maar daartoe is niemand in staat en God verlangt dit ook niet. Daardoor komen zij in oefeningen zoals die in Romeinen 7 beschreven zijn. Hun weliswaar oprechte maar nutteloze inspanningen leiden ertoe, dat zij tenslotte in plaats van zich in hun heil te verheugen, uitroepen: “Ik, ellendig mens”. Het is een wonderbare kant van de genade van God die zulke zielen uiteindelijk daarheen brengt niet in zichzelf te zien, maar hun hele vertrouwen uitsluitend op de Heer Jezus te stellen. In onszelf ontdekken wij niets goeds, maar de Heer heeft volkomen voldaan aan onze totale verantwoordelijkheid voor God. Overstromende vreugde vervult iedere gekwelde ziel wanneer zij haar volledige bevrijding van iedere wettische eis leert verstaan en erkent dat het vlees onverbeterlijk boos is en blijft. Wij dragen het levenslang in ons maar het kan een zonde die daarom nog gebeuren kan, onze positie als “gerechtvaardigd voor God” niet meer veranderen. Dat is het grote ogenblik van een ziel waar zij jubelend begrijpt dat zij van de zonde, de wet en ook van het vlees, de oude natuur, bevrijd is. “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn; want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood” (Romeinen 8:1).

Dat is de grondslag waarop de Geest van God in dit wonderbare hoodstuk (Romeinen 8) heerlijke waarheden ontvouwt. Juist deze zijn voor onze geloofsweg van grote betekenis omdat zij de grondslag van onze vrede zijn. God is voor* ons! Noch zichtbare noch onzichtbare krachten of machten zijn in staat ons van de liefde van God te scheiden. Hun die God liefhebben moeten alle dingen meewerken ten goede; hun die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Dat zijn wonderbare, heerlijke feiten die onze harten vertrouwen en vrede schenken en zo uitermate geschikt zijn ook de leidende en bewarende hand van God in ons leven te erkennen en te verheerlijken.

De genade heeft ook nog een bijzondere kant in het priesterschap van Christus. Daarin gaat het niet om vergeving van zonden noch om bewaring voor de zonde of om herstel, ook niet om vroegtijdige waarschuwing bij een dreigende misstap (zoals bij Petrus) maar zij heeft veel meer met onze zwakheden te doen. Dit wordt veroorzaakt door de ontoegankelijkheid van de menselijke natuur en de moeilijkheden op de geloofsweg. Daarom zijn wij niet altijd in staat op de hoogten van het geloof te wandelen. Hoe snel zijn wij moedeloos en geneigd om op te geven.

In deze oefeningen heeft de Heer Jezus als onze Hogepriester medelijden met ons omdat Hij dat Zelf als mens op deze aarde heeft leren kennen (Hebreeen 4:14-15). Maar wij worden aangespoord: “Laten wij daarom met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot tijdige hulp” (Hebreeen 4:16). Dat is de genade van de voorzorg van God voor onze geloofsweg.

Twee hulpmiddelen heeft Hij ons gegeven:

  1. Het Woord van God (Hebree├źn 4:12-13) en
  2. het priesterschap van Christus (vers 14-16).

Welk een liefde, de Heer Jezus bidt nu boven – ook voor ons!

Ja, Hij bidt nu voor de Zijnen.
O, dat doet ons harte goed!
Wat ons bitter toe mag schijnen,
wordt door dit bewustzijn zoet.
Elke smart helpt Hij ons dragen,
elke strijd kan Hij verstaan.,
en Hij hoort ons als wij klagen,
en met zorgen tot Hem gaan.

Wanneer wij bij Jezus, onze geliefde Heer, in de heerlijkheid zijn, zullen wij Hem in volmaaktheid voor Zijn liefde en genade roemen en Hem in alle eeuwigheid prijzen.

Wordt D.V. vervolgd.

De Schriftplaatsen van deze overdenkingen zijn aangehaald uit de Statenvertaling 1991 (Oude Testament) en uit de z.g. Voorhoevevertaling 4e druk (Nieuwe Testament), tenzij anders vermeld.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW