10 maanden geleden

Psalm 45 – “U bent veel mooier dan de mensenkinderen”

Bijbelgedeelte: Psalm 45

Psalm 45 is een lied van de liefde, waarin Christus als antwoord op het roepen van de godvrezende in Psalm 44 voorgesteld wordt. We zien hem in Zijn morele heerlijkheid als Degene, die machtig is in de strijd en uiteindelijk als de Koning die regeert in gerechtigheid. Het herstelde Israël wordt als beeld voorgesteld in de koningin.

Vers 2: Het hart van de koorzanger “brengt een goed woord voort”. Het is meer dan vol, het vloeit over, omdat het onderwerp van dit lied de Koning in Zijn schoonheid is. Zijn woorden zijn niet alleen een weergave van wat anderen al hebben gezegd. Hij spreekt over de heerlijkheden die hij zelf in de Koning ontdekt heeft. Zijn tong is de pen van een vaardige schrijver. Een leeg hart leidt tot een stille tong. Een overvloeiend hart leidt naar een vaardige tong, “want uit de overvloed van het hart spreekt de mond” (Matth. 12:34).

Vers 3: De psalmist wendt zich tot de Geliefde en drukt de gevoelens van de aardse bruid uit wanneer hij zegt: “U bent veel mooier dan de <andere> mensenkinderen”. De Koning overtreft iedereen in schoonheid en morele voortreffelijkheid. Zijn morele volmaaktheid vervult Zijn lippen met genade. “Genade is op Uw lippen uitgegoten”. De genade van Zijn woorden is het uitvloeisel van de liefde van Zijn hart. “Daarom”, zegt de psalmist – vanwege Zijn eigen heerlijkheid – “heeft God U voor eeuwig gezegend”. Anderen worden gezegend door Zijn werk en heerlijkheid; Hij is de enige onder alle mensen, die vanwege Zijn eigen heerlijkheid gezegend is.

Vers 4–6: Maar ondanks de voortreffelijkheid van deze Koning, werd Hij vanwege Zijn morele volmaaktheid door de mensen vijandig bejegend, die weigerden zich aan Zijn rechten als koning te onderwerpen. Hij kan Zijn troon alleen bereiken door het oordeel over Zijn vijanden. Daarom smeekt de godvrezende de Koning om Zijn zwaard aan te gorden voor de dag van de strijd. De Koning is niet alleen moreel volmaakt, maar ook almachtig – een “Held”.

Wanneer het zwaard is omgord, is de tijd van Zijn vernedering voorbij; de tijd van Zijn glorie en majesteit is begonnen. Als Hij in Zijn Majesteit naar voren komt als Degene, die machtig is in de strijd, zal Hij gelukkig voorttrekken, want Zijn wapens tegen de krachten van het kwaad heten: “Waarheid, zachtmoedigheid en gerechtigheid”. Hij zal de waarheid handhaven, de onderdrukten wreken en gerechtigheid vestigen. In de oorlogen van deze wereld besteden de aardse heersers weinig aandacht aan de waarheid; de zachtmoedigen worden vernietigd en te vaak heerst macht over het recht. Een bloeiend koningschap en een permanente troon kunnen met dergelijke middelen niet worden bereikt.

Hier zien we echter Iemand, Die niet de strijd voert om het land te veroveren of naam te maken voor Zichzelf, maar om het recht op te richten en de zachtmoedigen op aarde te zegenen. Met dergelijke motieven en doelen zal de Koning op de dag van de strijd door alle gevechtslinies van de vijand “rijden” en elke hindernis overwinnen. Volkeren zullen onder Hem vallen en Zijn vijanden zullen voor Hem worden neergeslagen, om nooit meer op te staan.

Vers 7-8: Zo zal Hij naar een troon komen die voor altijd zal bestaan, en van waaruit de scepter van rechtvaardigheid zal worden geleid. Ook in die dagen zal de Koning worden erkend als een goddelijk Persoon en als God aangesproken worden. De Koning is niemand minder dan de Zoon van God. Toch nam Hij een plaats in onder de mensen, heeft gerechtigheid liefgehad en goddeloosheid gehaat; en van Hem kan gezegd worden: “…daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen”. Rechtvaardigheid moet de grondslag van een koninkrijk zijn, dat voor eeuwig zou blijven bestaan, en vreugde en geluk zijn de gevolgen van deze rechtvaardigheid. Hoewel anderen de heerlijkheid van het koninkrijk zullen delen, zal toch Christus als Koning altijd de voorrang hebben.

We zagen zo de Koning in Zijn morele volmaaktheid (vs. 2); als de Held in de strijd die elke vijand overwint (vs. 3-5); en ten slotte als Degene, Die regeert in gerechtigheid, in de heerlijkheid van Zichzelf, en Die boven al Zijn metgezellen in koninklijke waardigheid verhoogd is.

Vers 9: Nu kunnen we de Koning in een andere heerlijkheid beschouwen: als de Bruidegom op de dag van Zijn huwelijk. Want net zoals de erkenning van Christus als de almachtige Koning wordt gevolgd door de bruiloft van het Lam (Openb. 19:6-8), zo wordt de komst van Christus om op aarde te heersen als de Koning der koningen gevolgd door het herstel van Israël als aardse bruid.

Hij droeg eens de klederen van vernedering; toen ging Hij ten strijde, gekleed in een met bloed gedrenkte mantel; nu zijn de dagen van Zijn vernedering voorbij, Zijn overwinningen zijn behaald en Hij verschijnt in kleding die de geur van alle genade draagt. Vreugde vloeit niet alleen voort uit Zijn troon (vs. 8), maar ook Hijzelf geniet van de vreugde van Zijn volk. Hij troont tenslotte op de lofzangen van Israël (Ps. 22:4).

Vers 10: De volkeren, die in het beeld van de “Koningsdochters” te zien zijn, zullen Hem hun eerbetoon brengen, maar de ereplaats zal gereserveerd zijn voor het herstelde Israël, dat we zien in het beeld van de Koningin die aan de rechterhand van de Koning staat (zie Jes. 54:5; Jer. 3:1; Hos. 2:19-20).

Vers 11–13: De psalmist gebruikt het beeld van een bruid om het herstelde Israël op te roepen om te kijken naar de nieuwe betrekking, waarin het volk ingevoerd wordt, en om het droevige verleden te vergeten met al zijn mislukkingen en ongeloof jegens de Heer. In die tijd roemden de leiders van het volk hun vaderen, terwijl ze Christus afwezen. Het herstelde Israël wordt gevraagd te erkennen dat het elke aanspraak op zegeningen als volk heeft verbeurd. Ze moeten nu leren, dat wanneer je zegeningen ontvangt, het alleen door Christus is en alleen in verband met Hem – die hun vaderen hebben verworpen. Ze worden gevraagd zich af te zonderen van het schuldige volk, om geheel voor Christus te zijn. Alleen op deze wijze  zal de Heer Zich in Israël verblijden en zal Israël de Heer huldigen.

Zo aan de Heer overgegeven, zullen ze aanzienlijke macht uitoefenen over de volkeren die hier door de “dochter van Tyrus” en “de rijken onder het volk” uitgebeeld worden. Ze zullen met hun geschenken komen om de gunst van het volk te verkrijgen, dat in de gunst van de koning staat. In dezelfde geest zegt Jesaja: “Ook zullen, zich buigend, naar u toe komen

de kinderen van hen die u onderdrukt hebben, en allen die u verworpen hebben, zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen” (Jes. 60:14).

Vers 14–16: Het herstelde volk van Israël heeft zijn eigen ereplaats in onderwerping en toewijding aan de Koning. De volkeren zijn met hun geschenken gekomen en onderwerpen zich daarmee aan Israël. Nu, nadat ze passend zijn gemaakt voor de Koning, worden het herstelde Israël en de bekeerlingen uit de volkeren, afgebeeld in de bruid en haar metgezellen, met blijdschap en vreugde tot Christus gebracht om een plaats van intimiteit en nabijheid voor Hem in te nemen – “Ze gaan het paleis van de koning binnen”.

Vers 17–18: In de laatste verzen van deze psalm horen we de stem van de Heer door de psalmist spreken. De Heer kondigt aan, dat het herstelde Israël, in plaats van terug te blikken naar zijn vaderen, die alle zegeningen hebben verbeurd, zich in hun kinderen verheugen, die als vorsten over de aarde zullen regeren. Boven alles zal Christus voor altijd verheven en geprezen worden. Andere namen zullen worden vergeten, maar de Naam van Christus zal in alle geslachten in gedachtenis blijven, en Hij zelf zal voor altijd en eeuwig bij de volken het Voorwerp van lof zijn.

Hamilton Smith; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 12.07.2010.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW