2 weken geleden

Overdenking over 2 Thessalonika (7)

Aantekeningen bij de overdenking van de 2e brief aan de Thessalonikers

Vervolg hoofdstuk 2

 

“… die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is” (vs. 4).

Als vers 3 het karakter van de antichrist voorstelt, dan toont dit vers 4 zijn daden, wat hij doet. Vers 8 toont ons zijn einde, en vers 9 degene die achter hem staat: satan zelf, de antichrist handelt in de kracht van de duivel.

In het midden van de 70e week van Daniël, ongeveer 3½ jaar na de opname van de gemeente, zal in de tempel van Jeruzalem een beeld worden opgericht (Matth. 24:15; Mark. 13:14; Dan. 11:31; 12:11), en als hoogtepunt zal iemand zich volledig in de plaats van de ware aanbidding stellen en zich als God laten vereren. Dit is iets wat zo afschuwelijk en verschrikkelijk is in de ogen van de Heer, dat Hijzelf een hand zal nemen en hem in de poel van vuur zal werpen.

Ten eerste zal deze antichrist een duivels verzet en een duivelse zelfverheffing uitoefenen (Dan. 11:36), dit is de eigenschap van satan zelf (Jes. 14:13). Hij zal zich zelfs in de plaats van God stellen door niemand meer naast zich te dulden, alsof hij de bron van alle macht is.

In welke tempel zal de antichrist gaan zitten? Het Woord van God beschrijft vier tempels in Jeruzalem:

  1. De tempel van Salomo, die bij de inwijding was gevuld met de heerlijkheid van de HEERE (1 Kon. 8:10,11); de heerlijkheid van God vertrok later uit deze tempel (Ezech. 8:4; 9:3; 10:4; 10:18,19; 11:22,23) en hij werd verwoest;
  2. de tweede tempel was gebouwd door het teruggekeerde overblijfsel na de Babylonische gevangenschap, en bestond nog steeds ten tijde van de Heer Jezus (Ezra 3:10-13; Haggaï 1+2), er was 46 jaar aan gebouwd (Joh. 2:20), maar de Heer Jezus had al aangekondigd, dat er geen steen op de andere zou worden gelaten (Matth. 24:1,2);
  3. Openbaring 11 vers 1 vertelt ons, dat er een derde tempel zal komen; momenteel staat er nog een moskee op deze plaats, maar die zal tegen die tijd moeten worden afgebroken; dit is de tempel waarover hier wordt gesproken, waarin de antichrist zal zetelen, en waarin de slachtoffers en de spijsoffers zullen ophouden;
  4. ook deze derde tempel zal weer worden verwoest, want Zacharia profeteert dat een man die SPRUIT heet, de vierde tempel van de Heer zal bouwen (Zach. 6:12,13); deze vierde tempel is de enige die niet opnieuw zal worden verwoest. Ezechiël 40-48 beschrijft deze tempel van het 1000-jarig koninkrijk in detail.

“Herinnert u zich niet dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was?” (vs. 5)

Wij leren uit dit vers dat de leer over deze toekomstige gebeurtenissen deel moet uitmaken van de basiskennis, zelfs van de jongere gelovigen. Paulus was maximaal 4 weken in Thessalonika geweest, en in die korte tijd had hij deze dingen al aan de jonge bekeerde gelovigen meegedeeld. Zou dit voor ons niet ook een reden moeten zijn om nog jongere gelovigen in afhankelijkheid van de Heer over deze Schriftgedeelten te onderrichten?

Herinnering aan bekende waarheden is altijd nodig (2 Petr. 1:12,13; Judas :5), zelfs als we ze in beginsel kennen. Wij verlaten niets sneller dan de waarheid, daarom is herinnering aan het Woord van God noodzakelijk als de enige zichtbare autoriteit en openbaring van God.

“En nu, u weet wat [hem] tegenhoudt, opdat Hij geopenbaard wordt op zijn tijd” (vs. 6).

Er is ook nog iets op aarde waardoor het openbaar worden van de antichrist wordt tegengehouden. In vers 6 is het ‘wat’ tegenhoudt, en in vers 7 is het ‘Hij’ tegenhoudt. In dat ‘wat’ tegenhoudt kunnen we de gemeente zien. Het heeft God echter behaagd om niet aan te geven wat precies het middel is, waarmee Hij het kwaad in toom houdt. In het verleden hebben de broeders en zusters echter in dit ‘wat’ niet alleen de gemeente gezien, maar ook de door God aangewezen regeringen. Ook zij beteugelen nog de totale ontketening van het kwaad, want zij zijn een schrik voor het kwade werk (Rom. 13:1-4; 1 Petr. 2:13,14). Wanneer God na de opname van de gemeente ook deze regeringen en verordeningen zal wegnemen, zal niets deze ongebreidelde openbaring van het kwaad nog in de weg staan. Regeringen hebben van God het gezag gekregen (Joh. 19:11; Dan. 2:37; 4:22) om het kwaad te bestraffen, maar of ze dat ook waarmaken is een heel andere zaak. En hoe onrechtvaardig zij in veel gevallen ook handelden en handelen, zij vormen toch in zekere zin een barrière tegen het kwaad. Wanneer het zesde zegel wordt geopend, zullen deze autoriteiten zich verbergen in de holen en de rotsen van de bergen (Openb. 6:15) en zo ook de weg vrijmaken.

Taalkundige bijzonderheid: Normaal gesproken wordt in de neutrale vorm ‘wat’ in het Grieks altijd het meervoud gebruikt, die bedoeld is om iets onbepaalds in het algemeen aan te duiden. Slechts op enkele plaatsen wordt het ‘wat’ in het enkelvoud gebruikt, zoals hier. Dit verwijst eigenlijk naar één ding, niet naar verschillende dingen. Het is daarom de vraag of dit enkelvoudige woord werkelijk verwijst naar de veelheid van de regeringen in de afzonderlijke landen, die hoe dan ook nog door God gegeven zijn.

Naast deze taalkundige overweging, die eigenlijk al aangeeft dat we hier niet per se hoeven te denken aan de verschillende overheden, autoriteiten of machten, moeten we ook rekening houden met de volgende overweging: 150 tot 200 jaar geleden werden overheden inderdaad nog sterk beheerst door het christelijk denken, ze waren toen nog echte bolwerken van het christendom tegen de opkomende vrije geest en atheïstische stromingen. Maar dat is vandaag de dag enorm veranderd! Juist in het gebied waar later het Romeinse Rijk zal worden gevestigd, staan de regeringen onder atheïstische, anti-God en anti-Bijbelse invloeden; zij tolereren die niet alleen, maar voeren ze zelfs in. De huidige regeringen zorgen nog steeds voor een minimale orde, maar ze willen niet langer een werkelijk bewarende invloed uitoefenen; de openbaring van goddeloosheid wordt door hen niet langer belemmerd, maar juist aangemoedigd.

Ook het algemene christendom houdt het kwaad niet tegen, want we hoeven alleen maar te zien wat voor invloed er bijvoorbeeld van de grote kerken uitgaat. Ook zij bevorderen vrijwel alles wat goddeloos is, zonder zich er op enigerlei wijze tegen te verzetten. Maar de ware gelovigen, zij die echt vasthouden aan God, die bij de gemeente horen, hun invloed is vandaag de dag nog het enige dat een remmende werking heeft op het kwaad. De persoonlijke invloed die uitgaat van individuele gelovigen, op het werk of in de buurt, heeft menigmaal goddeloze grappen tot zwijgen gebracht en geleid tot een verandering van stemming – vaak zonder dat er een woord werd gezegd. Heb ik zo’n remmende invloed op de mensen om me heen?

Wij willen en kunnen de wereld niet veranderen, maar alleen al door onze aanwezigheid is er een ander karakter op deze aarde dat de ontwikkeling van het kwaad afremt. Wanneer deze invloed er niet meer is, zal het zijn als een dam die doorbreekt voor de ongebreidelde uitstorting van het kwaad! En te zijner tijd, een tijd die alleen door God zal worden bepaald (Hand. 1:7), zal dan de antichrist worden geopenbaard. En de Thessalonikers wisten precies dat deze tijden en tijdstippen in Gods hand zijn (1 Thess. 5,1).

“Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al; alleen hij1 die nu tegenhoudt, blijft totdat hij weggenomen wordt” (vs. 7).

De verborgenheid van de wetteloosheid is al aan het werk. Wetteloosheid is nauw verbonden met de wetteloze, de antichrist. De afval moet nog komen, maar we zien de voorbodes van de afval in onze tijd al heel duidelijk en krachtig in de ontwikkeling van onze maatschappij. Nu tonen deze ontwikkelingen zich in zekere zin in gemaskeerde vorm, maar daarna zullen zij zich openbaren in ongeremde ontplooiing van pure zonde. Wetteloosheid is de verwerping van al het Goddelijk gezag in leer en praktijk, en daarvan zal de wetteloze, de antichrist, zonder voorbehoud worden gekarakteriseerd. Hij erkent niets boven zichzelf en stelt zichzelf voor als God. De wetteloze zelf is nog niet openbaar, maar wat nu zeer werkzaam is in onze dagen is de verborgenheid van de wetteloosheid. Alle tendensen van de huidige tijd zijn erop gericht het gezag van God niet langer te erkennen. Maar de mensen beseffen niet, dat ze aan deze wetteloosheid meewerken. Daarom wordt het hier een verborgenheid genoemd, omdat het nog niet openbaar is (verg. 1 Joh. 4:3; 2:18). Het wezen van zijn werkzaamheid is nu al duidelijk waarneembaar, maar de verborgenheid zal pas geopenbaard worden als de wetteloze openlijk in het licht zal treden.

Deze verborgenheid van de wetteloosheid is inderdaad iets heel ernstigs, maar we mogen het in onze dagen stellen tegenover een andere verborgenheid: de verborgenheid van de godsvrucht (1 Tim. 3:16). Dit is niet de verborgenheid van de Godheid, maar de verborgenheid van een leven van toewijding en toewijding aan God. Het is geopenbaard in de Heer Jezus, maar het wordt zichtbaar in ons vandaag. Wat een contrast met wat zich dan volledig zal ontvouwen.

Met de gemeente bij de opname zal ook de Heilige Geest deze aarde verlaten, en dan zal hij die tegenhoudt er ook niet meer zijn. De wereld zal niets weten van de huidige aanwezigheid van de Heilige Geest en ook niet van de afwezigheid die zal volgen. Daarom is het voor ons gelovigen zo belangrijk om ons in deze tijd elke dag te laten leiden door de Heilige Geest en zo zichtbaar te maken, dat we niet besmet zijn door de geest van deze wereld. Door de Heilige Geest in ons leven te laten werken, zullen wij hemels licht om ons heen verspreiden en daarmee deze duistere ontwikkelingen nog tegengaan.

1 Johannes 4 vers 4 laat ons zien, dat wij de wereld hebben overwonnen omdat de Heilige Geest die in ons woont groter is dan de duivel die in de wereld is. En als de Heilige Geest bij de opname deze wereld mét de gemeente verlaat, is Hij daar niet meer als de sterkere, en satan kan dan al het kwaad doen, dat hem nu nog onmogelijk wordt gemaakt. Johannes 16 vers 9-11 laat zien, dat de komst van de Heilige Geest naar deze aarde het bewijs is dat de wereld onder het oordeel staat. Het feit van de aanwezigheid van de Geest van God op aarde is het bewijs, dat de wereld onder het oordeel staat. En op het moment dat de Geest van God deze aarde verlaat, zal dit oordeel komen. De komst van dit oordeel staat al vast, maar het zal pas beginnen op het moment waarop de Geest van God samen met de gemeente deze aarde zal verlaten. Het werk van de Heilige Geest op deze aarde zal dan ná de opname van de gemeente dezelfde vorm aannemen zoals het in oudtestamentische tijden werd geopenbaard.

Taalkundige eigenaardigheid: Vergelijkbare zinsconstructies, waarbij eerst iets in de onzijdige vorm, onzijdig [was], wordt aangeduid en vervolgens iets als mannelijks [de], vinden we bijvoorbeeld in 1 Johannes 5 vers 6,7: “En de is het Geest die getuigt [de getuigende, onzijdig] …. Want drie zijn er die getuigen [het getuigen, mannelijk].” Dezelfde getuige wordt eerst in de onzijdige vorm aangeduid en vervolgens als mannelijke. Ook in een ander verband in Mattheüs 13 vers 19+20 staat over het zaad, dat de goddeloze komt en “rooft weg wat in zijn hart was gezaaid [het gezaaide, onzijdig] … Hij nu die op de rotsachtige bodems is gezaaid [het gezaaide, mannelijk].” Hetzelfde voorwerp, het zaad van het Woord, wordt de ene keer in de onzijdige vorm en de andere keer in de mannelijke vorm gebruikt.

Kunnen we hieruit niet afleiden, dat het helemaal niet nodig is om hier in onze twee uitdrukkingen te willen scheiden? Het zou een aanwijzing kunnen zijn, dat het in beide gevallen om niets anders gaat dan de Geest van God. Omdat de Geest van God vandaag in de gemeente woont, is Hij er ook de werkende kracht, die tegenhoudt.

Na de opname van de gemeente is de Heilige Geest verdwenen. De Heer Jezus werd door de mensen op een bepaalde manier uit de weg geruimd, door Hem aan het kruis te hangen. Maar de Heilige Geest wordt niet weggenomen door mensen, Hijzelf verlaat deze aarde met de gemeente. Nu staat Hij de ongeremde ontwikkeling van het kwaad nog in de weg, en de wereld weet niets van wat er in de weg staat, vergelijkbaar met Bileam op zijn ezel, voor wie de engel van de HEERE in de weg stond en Bileam die niet herkende (Num. 22:22-31).

“… en dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en te niet doen door de verschijning van Zijn komst” (vs. 8).

Na de invoeging van de verzen 5-7 komt Paulus nu terug op de antichrist en laat dan ook meteen zijn einde zien. Wij hebben de Heilige Geest gezien als de werkende kracht in de gemeente en als de Goddelijke Persoon die tegenhoudt; maar wat houdt Hij precies tegen? Volgens de tekst gaat het niet om de ongebreidelde ontplooiing van het kwaad, maar om de persoon van de antichrist die te zijner tijd zal worden geopenbaard (vs. 6), de antichrist, de mens van de zonde, de zoon van het verderf, de wetteloze die dan zal worden geopenbaard (vs. 8). Het gaat er dus niet om, dat het kwaad in algemene zin wordt tegengehouden, maar dat heel specifiek deze antichrist nu nog wordt tegengehouden.

Er wordt dus tweemaal van hem gezegd dat hij geopenbaard zal worden. Dat betekent dat hij voorheen nog verborgen was. Het kan zijn dat hij nu leeft, maar hij is nog niet openbaar, het is niet bekend wie hij is. Maar in de laatste jaarweek van Daniël wordt zichtbaar wie deze man is. Nu is hij nog beheerst, geremd; maar dan zullen de sluizen opengaan en zal het kwaad in volle omvang in de boze uitstorten – wat dat betekent, daar kunnen wij ons helemaal geen voorstelling van maken.

De Heer Jezus Zelf spreekt meerdere malen over deze persoon. In Johannes 5 vers 43 is hij degene die in zijn eigen naam zal komen en door hen zal worden aangenomen; in Mattheüs 24 vers 23+24 noemt hij hem de valse christus. Alleen Johannes verwijst naar hem als de antichrist (bijv. 1 Joh 2:18,22; 4:3; 2 Joh. 7). Als de wetteloze zal hij zich op geen enkele wijze onderwerpen aan een hogere orde, hij zal handelen zonder enige verwijzing naar welke soort van wet dan ook.

De antichrist zal aan zijn einde komen door de adem van de mond van de Heer Jezus alleen, zonder het scherpe tweesnijdende zwaard uit Zijn mond. Hij zal samen met het hoofd van het Romeinse Rijk worden gegrepen en levend in de poel van vuur geworpen worden – meer dan 1000 jaar eerder dan de duivel en zijn engelen (Openb. 19:20; 20:10). In deze adem van Zijn mond zien we het gemak van het oordeel over de antichrist en beseffen we Wie werkelijk de macht heeft.

De antichrist zal dan na zijn openbaring in de helft van de 70e jaarweek van Daniël 9 vers 27 dan 3½ jaar kunnen werken, een activiteit die hier alleen in vers 4 van 2 Thessalonika 2 wordt beschreven. Zijn activiteit zoals we die kennen uit Openbaring 13 vers 11-17 en Daniël 9 vers 27 wordt hier helemaal niet genoemd. Vers 8 beschrijft dan zijn oordeel en zijn einde. Verteren betekent hier eigenlijk wegdoen of doden, door de adem van de mond van de Heer (Jes. 11:4; 30:33). Dan zal de mond van de antichrist, zijn godslasterlijke spraak, voor altijd tot zwijgen worden gebracht.

Dit zal gebeuren bij de verschijning van de komst van de Heer, bij Zijn zichtbare komst, die door de hele wereld gezien zal worden (Matth. 24:27), elk oog zal Hem dan zien (Openb. 1:7). God zal hun activiteiten dan niet langer dulden en deze mensen samen met het hoofd van het Romeinse Rijk al vóór het oordeel op de grote witte troon aan hun eeuwig lot overleveren.

“… hem wiens komst naar [de] werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen” (vs. 9).

De tijd van de zichtbare openbaring van de antichrist is na de werkzaamheid van satan, na alle energie van het kwaad. Nadat de duivel op de aarde is geworpen in Openbaring 12 vers 7-9, geeft hij zijn macht aan zowel het eerste beest, het hoofd van het Romeinse Rijk, (Openb. 13:4), als aan het tweede beest, de antichrist (Openb. 13:15).

En dan zal de antichrist op een nabootsende wijze de dingen doen die de Heer Jezus had onderscheiden toen Hij in de kracht van de Geest verscheen (Hand. 2:22). Bij de Heer Jezus waren deze machtige daden een bevestiging van God, bij de antichrist zijn het wonderen en tekenen van de leugen. De apostelen konden ze ook doen in de kracht van God (2 Kor. 12:12). Als zulke dingen tegenwoordig in charismatische kringen worden gepraktiseerd, dan moeten wij ons afvragen uit welke werkzaamheid deze dingen voortkomen.

“… en met allerlei bedrog van [de] ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen om behouden te worden” (vs. 10).

De antichrist zal op twee manieren werkzaam zijn. Hij zal geopenbaard worden door uiterlijke dingen (vs. 9), en hij zal handelen in een meer verborgen, innerlijke misleidingstactiek (vs. 10), in al het bedrog van de ongerechtigheid. Hij zal dus niet alleen de mensen gevangen nemen door uiterlijke krachtige daden, zodat ze niet van hem weg kunnen komen, maar ook door bedrog, wat het toppunt is van de ongerechtigheid. Maar hij zal het verkopen als waarheid, als gerechtigheid, en zal daardoor mensen gevangen nemen. In het bedrog van de ongerechtigheid zien we duidelijk de invloed van satan (Joh. 8:44).

Als we hebben gezegd, dat de antichrist misschien vandaag al leeft, dan geldt dat ook voor degenen die in dit vers worden voorgesteld dat ze eeuwig verloren gaan. Hebben zij de liefde van de waarheid niet aanvaard omdat wij hen de waarheid misschien niet liefdevol hebben voorgesteld? Er is nog een dag van goede tijding, laten we niet zwijgen en wachten tot de morgen licht wordt, anders zal ons schuld overkomen (2 Kon. 7:9)! Het is een oproep aan ons hart om niet nog meer gelegenheden om de waarheid te verspreiden onbenut te laten.

Niemand van hen die dan op aarde leven zal kunnen zeggen dat satan de schuldige is of dat de antichrist de schuldige is, omdat zij in de tijd van genade de liefde van de waarheid niet hebben aangenomen, anders zouden zij gered zijn. Ze zijn allemaal 100% verantwoordelijk voor hun eigen verlies. Zij hadden hun harten geopend voor alles behalve de waarheid van het Woord van God, de waarheid van het Evangelie. Daarom is op dit punt in vers 10 de tijd voor hen voorbij. Zij lieten – net als Farao – de vastgestelde tijd voorbijgaan (Jer. 46:17)! God heeft zich getoond in ieder mens in het huidige christelijke tijdperk; iedereen die ten prooi zal vallen aan deze antichrist heeft zijn tijd gehad en niet gebruikt, laat het voorbijgaan. Zij die nu de liefde van de waarheid niet aannemen, kunnen later het evangelie van het koninkrijk, dat na de opname zal worden verkondigd (Matth. 24:14),ook niet meer aannemen, omdat zij deze werkzame macht van het bedrog hebben ontvangen. Voor hen is er geen tweede kans!

Mensen gaan niet verloren omdat God hen daartoe bestemd zou hebben, maar omdat zij de liefde van de waarheid niet aannemen. Er is inderdaad een uitverkiezing tot heerlijkheid, maar er is geen uitverkiezing tot de verdoemenis, tot verloren gaan. En toch wordt van deze mensen hier gezegd, dat ze verloren zullen gaan. Dit betekent, dat als ze blijven zoals ze nu zijn, ze verloren zijn. Ze zijn al verloren (Luk. 19:10), tenzij ze zich bekeren in de tijd van de genade. Wat een contrast tussen het verloren gaan en het gered worden! Het lot van ieder mens is of het een of het ander, en het wordt bepaald door hóe wij met het Woord van het kruis zijn omgegaan (1 Kor. 1:18). Er zijn eeuwige gevolgen mee verbonden!

Het betekent niet, dat zij het geloof in de waarheid niet hebben aangenomen, maar dat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen. Het is geen kwestie van intellectueel begrip van de waarheid, maar van het begrijpen met het hart van de geopenbaarde waarheid van God in het evangelie. De natuurlijke mens kan de liefde van de waarheid niet aannemen (1 Kor. 2:14), maar moet opnieuw geboren worden. En dan komt het werk van God in de ziel en veroorzaakt een verlangen naar de waarheid om gered te worden. Alleen door geloof in de waarheid kunnen we gered worden. Het Woord van God spreekt zichzelf nergens tegen. Het nieuwe leven moet er zijn, wil het verlangen naar de liefde van God er zijn; en dan, wanneer men de waarheid, het evangelie, heeft geloofd, is men gered. Het is alleen een Goddelijk werk, dat ons van ongelovigen tot kinderen van God gemaakt heeft.

Voor wie geloof in de waarheid kent, dit geloof in de waarheid gaat over in liéfde voor de waarheid. God wil niet dat mensen verloren gaan, maar dat ze gered worden en tot kennis van de waarheid komen (1 Tim. 2:4). De waarheid laat de mens zien hoe heilig God is en hoe zondig de mens is, hoe verloren hij is en hoezeer hij verlossing en verzoening nodig heeft in de Heer Jezus, in Wie genade en waarheid zijn geworden (Joh. 1:17). Voor wie dit voor zichzelf aanvaardt, verandert het begrijpen van de waarheid in een liefde voor de waarheid. Maar velen hebben de duisternis meer lief dan het licht (Joh. 3:19), zij hebben geen liefde voor de waarheid, en daarom zullen zij op een dag door God verworpen worden.

Wat de christelijke waarheid betreft, deze staat in het Woord van God altijd in het enkelvoud, er zijn geen verschillende waarheden; de Heer Jezus is waarheid (Joh. 14:6), de Heilige Geest is waarheid (1 Joh. 5:6), en het Woord van God is waarheid (Joh. 17:17); waarheid is een goddelijke eenheid. De Heer Jezus is geboren en in de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en wie van de waarheid is, hoort zijn stem (Joh. 18:37). Als wij de gehele christelijke waarheid begrijpen, moet dit ook leiden tot een liefde voor de waarheid in ons, die zich uit in een praktisch leven in overeenstemming met deze waarheid.

 

NOOT:
1. Of ‘Hij.’

Achim Zöfelt; www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 08.10.2013.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW