15 jaar geleden

Martelaars (2)

In onze dagen is het voor sommigen het toppunt van het leven, of misschien moet men zelfs zeggen van de dood, namelijk “martelaar” zijn. Zonder daar nu verder diep op in te kunnen gaan in het kader van dit artikel, zijn er wel grote verschillen tussen Christen-martelaars en moslim-martelaars. Hiervoor verwijs ik u naar het eerste artikel over de martelaar Stefanus. Behalve Stefanus, wordt ook Petrus gerekend tot de Christen-martelaars. Wij wijzen u op de artikelen die al verschenen zijn over deze voor ons zo herkenbare apostel. Omdat het martelaarschap in onze dagen nogal “in” is, vestig ik nu uw aandacht op deze andere Christen-martelaar, Petrus. Vandaar het volgende (korte) overzicht uit de geschiedenis van Petrus.

Frisse Wateren

Petrus

Behalve Stefanus, wordt ook Petrus gerekend tot de Christen-martelaars. Wij wijzen u op de artikelen die al verschenen zijn over deze voor ons zo herkenbare apostel. Dit artikel geeft nog weer een ander beeld van hem.

Omtrent de voorrang van Petrus onder de twaalf apostelen kan geen twijfel bestaan. De Heer zelf gaf hem deze plaats. In de drie lijsten van de apostelen wordt hij telkens het eerst genoemd. Deze voorrang, zoals wij weten, spruit niet hieruit voort, dat hij het eerst de Heer leerde kennen. Hij was noch de eerste, noch de laatste in dit opzicht. Andreas, en waarschijnlijk Johannes, kenden de Heer voor Petrus. Laten wij hier met diepe belangstelling de eerste ontmoeting nagaan van deze geliefden, zoals Johannes ons die meedeelt (1:29-51).

Johannes de doper geeft getuigenis van Jezus als het Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt. Twee van de discipelen van Johannes de doper verlaten hem, en volgen Jezus. Een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. Deze vond eerst zijn eigen broer Simon, en zei tot hem: “Wij hebben de Messias gevonden – wat vertaald is: Christus. Hij leidde hem tot Jezus”. Dit was Petrus eerste leiding tot de Heer, tot Hem Die de eeuwige bron van zijn geluk zou uitmaken. En hoe betekenisvol was deze eerste ontmoeting. “Jezus zag hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Jona, jij zult Kefas heten – wat vertaald wordt: steen”. Van nature vatbaar voor indrukken; snel in het aangrijpen van een voorwerp, maar te snel in het weer loslaten daarvan door de werking van een nieuwe indruk, geeft hem de Heer in genade vastheid (een steen), hoezeer ook telkens zijn natuurlijke aard bovenkwam.

Het eerste dat Petrus zeer op de voorgrond brengt, is zijn prachtige belijdenis van Christus als de “Zoon van de levende God” (Mattheus 16:16). De Heer vertrouwde hem toen de sleutels toe van het koninkrijk der hemelen, en gaf hem de voornaamste plaats onder zijn broeders.

De kracht en de tegenwoordigheid van de Heilige Geest

Wij zijn geneigd het vierde hoofdstuk van de Handelingen te beschouwen als de glansrijkste dag in Petrus geschiedenis, zoals het tiende hoofdstuk de kroon op zijn dienstwerk kan genoemd worden. Gelijk dikwijls bij de apostel een mengeling van kracht en zwakheid, van uitnemendheid en gebrek valt waar te nemen, is het zeer belangwekkend zijn schreden te volgen door de eerste stormen heen, die de jonggeboren gemeente teisterden. Vergeten wij echter niet dat het grote geheim van de dapperheid, wijsheid en kracht bij de apostelen niet voortkwam uit hun natuurlijk karakter, maar uit de tegenwoordigheid van de Heilige Geest. Hij was bij hen en in hen, en werkte door hen. De Heilige Geest was de kracht van hun getuigenis.

Let in het bijzonder op viervoudige uitwerking van die tegenwoordigheid:

  • De moed, door Petrus en de anderen aan de dag gelegd. “Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tot hen: Oversten van het volk en oudsten [van Israel], als wij vandaag worden verhoord over een weldaad aan een ziek mens [en] door welk [middel] deze behouden is, laat dan aan u allen en aan het hele volk van Israel bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeer, die u hebt gekruisigd, die God uit de doden heeft opgewekt, door die [naam] deze gezond voor u staat. Deze is de steen, die door u, de bouwlieden, is veracht, die tot een hoeksteen is geworden. En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden” (Handelingen 4:8-12). De grote en plechtige kwestie tussen God en de oversten van Israel wordt hier uitdrukkelijk gesteld. Het kan niet duidelijker. Het getuigenis van God is niet meer bij de oversten van het volk, maar bij de apostelen van de verhoogde Messias.
  • De Heilige Geest is tegenwoordig onder de discipelen als zij vergaderd zijn. “En terwijl zij baden, werd de plaats waar zij waren vergaderd, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord van God met vrijmoedigheid”. Dit vers (31) leert duidelijk, wat al zo dikwijls gezegd is, dat de Heilige Geest bij de discipelen en in hen is. De plaats waar zij vergaderd waren, werd bewogen; dit bewijst Zijn tegenwoordigheid bij hen. Zij werden ook vervuld met de Heilige Geest, zodat Die in hen was, zodanig dat, naar wij geloven, voor een tijd aan het vlees geen ruimte gelaten was om te werken.
  • De grote betoning van kracht in de bediening. “En met grote kracht gaven de apostelen getuigenis van de opstanding van de Heer Jezus; en er was grote genade over hen allen” (vers 33). Genade en kracht kenmerken voortaan de apostelen.
  • Volkomen toewijding van de harten. “Want allen die eigenaars van landerijen of huizen waren, verkochten die en brachten de opbrengsten van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen”. In hoofdstuk 2 gaven de rijken zelf aan de armen; iets dat nauwelijks kan gedaan worden zonder belangrijkheid te verlenen aan de gever. In hoofdstuk 4 leggen de rijken hun geld aan de voeten van de apostelen. Dit feit zouden wij mogen beschouwen als een teken van meerdere nederigheid en groter overgegevenheid.

Ook hebben wij in dit rijke en leerzame hoofdstuk het vermaarde antwoord van Petrus en Johannes aan de Raad. “Of het recht is voor God naar u meer te horen dan naar God, moet u beoordelen” (vers 19). Van die dag af tot op het huidige ogenblik hebben de oprechte belijders van de Naam Jezus in deze woorden een gepast antwoord gevonden tot hun geloofsrechters en onderdrukkers. ‘Wat een verschil’, mogen wij wel uitroepen, ‘tussen de man die bij het vuur zat in de zaal van de hogepriester en de man die voorop staat in Handelingen 4; tussen de man, die bezweek voor een dienstmeisje en de man die de overste doet beven voor zijn machtig woord!’ En vraagt men een verklaring van dit groot verschil, dan ligt deze alleen in de tegenwoordigheid en de kracht van de Geest, Die noch bedroefd noch uitgeblust was geworden. Op dezelfde wijze wordt verklaard de zwakheid of de kracht van zovelen in onze dagen. Alleen de Geest van God maakt de kracht in de Christen uit. Mogen wij de gezegende toestand kennen van te leven, te wandelen en te werken in de zaligende en heiligende kracht van de Geest! “En bedroeft de Heilige Geest van God niet, met Wie u verzegeld bent tot [de] dag van [de] verlossing” (Efeze 4:30).

Het laatste deel

Wij zijn nu gekomen bij de laatste afdeling van het gewijd verhaal van de geschiedenis van Petrus. Van hoofdstuk 9:32 tot hoofdstuk 11:18 hebben wij een verhaal van zijn prediking en wonderwerken. Daar zien wij hem nog opnieuw in zijn volle apostolische gezag, en den Heilige Geest werkende door hem. Zijn zending was in die tijd grotelijks gezegend, zowel in de steden van Israel als in Cesarea. De hele stad Lydda en de streek van Saron schijnen tot ontwaking gekomen. De wonderen die Petrus deed en het evangelie dat hij predikte, werden door God gebruikt tot bekering van velen. Zo lezen wij: “En allen die in Lydda en Saron woonden, zagen hem en zij bekeerden zich tot de Heer” (vers 35). De zegen was algemeen. Ook in Joppe was, door de opwekking van Dorkas, een grote gemoedsbeweging, “en velen kwamen tot geloof in de Heer” (vers 43). In hoofdstuk 10, dat we al behandelden, worden de volken in de gemeente binnengevoerd. En nu, na zijn arbeid in die streken ten einde gebracht te hebben, keert Petrus naar Jeruzalem terug. Na het verhaal van zijn bevrijding uit de macht van Herodes in hoofdstuk 12, hebben wij geen voortgezette geschiedenis van de ervaringen van de apostel van de besnijdenis.

Herodes Agrippa

Daar Herodes Agrippa, de Idumese koning, zozeer voor onze ogen treedt bij de te behandelen geschiedenissen, willen wij het aandeel dat hij er in neemt, even aanstippen. Hij beleed grote ijver voor de wet van Mozes en had veel eerbied voor haar uitwendige onderhouding. Hij was uit dien hoofde altijd gereed, uit voorgewende vrome ijver, de zijde te kiezen van de joden tegen de discipelen van Christus. Dit was zijn staatkunde. Hij was eentype van de antichrist.

Omstreeks het jaar 44 probeerde hij zich aangenaam te maken bij zijn joodse onderdanen, door de onschuldige Christenen te vervolgen. Niet dat er enige liefde bestond tussen Herodes en de joden, want zij haatten elkaar van harte; maar in een punt troffen zij elkaar, namelijk in gemeenschappelijke haat tegen het hemels getuigenis. Herodes doodde Jakobus met het zwaard en wierp Petrus in de gevangenis. Het was zijn boos opzet hem daar te bewaren tot na het paasfeest en dan, wanneer een grote menigte joden uit alle delen van de wereld in Jeruzalem zouden zijn, een publieke vertoning te maken van zijn terechtstelling. Maar God bewaarde en verloste Zijn dienstknecht, in antwoord op de gebeden van de heiligen. Zij hebben oorlogswapens, waarvan de machten van deze wereld niets vermoeden. God liet toe dat Jakobus zijn getuigenis met zijn bloed bezegelde; maar Petrus wilde Hij bewaren tot het verder afleggen van Zijn getuigenis op aarde. Zo heerst God over alles. Hij is de Regeerder onder de volken, hoeveel zich de menselijke hoogmoed ook moge inbeelden. Van Hem is de kracht. Nietig is in werkelijkheid de inspanning van elke vijand, zodra Hij tussenbeide treedt. Herodes, beschaamd en in verwarring gebracht door een macht die zijn begrip te boven ging, veroordeelt de gevangenbewaarders ter dood, en verlaat Jeruzalem. Hij dacht er echter niet aan dat zijn eigen dood die van zijn gevangene zou voorafgaan.

Te Cesaréa, de heidense zetel van zijn gezag, verordende hij een luisterrijk feest ter ere van keizer Claudius. Scharen van de aanzienlijksten kwamen van alle kanten toegestroomd. De tweede morgen van de feestelijkheden verscheen de koning in een met zilver doorwerkt kleed van grote pracht, dat schitterde in de stralen van de zon, zodat de ogen van hen die samengekomen waren, verblind werden en aller bewondering werd opgewekt. Van zijn troon een toespraak houdende tot het volk, hieven zijn vleiers een geroep aan: “Een stem van God en niet van een mens!” In plaats van deze goddeloze vleierij tegen te gaan, aanvaardde Herodes haar. Doch het oordeel van God talmde niet. In de krachtige taal van de Schrift wordt ons gemeld: “En onmiddellijk sloeg een engel van [de] Heer hem, omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en stierf” (Handelingen 12:22-23). Door vreselijke inwendige pijnen aangegrepen, werd hij van de schouwplaats naar zijn paleis gebracht, waar hij zoals de ongewijde geschiedenis ons zegt, na vijf dagen in folterende zielsangst en de afzichtelijkste lichaamstoestand te hebben doorgebracht, de geest gaf.

De koningen en het geslacht van Herodes

Het is onze belangstelling waard van de reeks van deze koningen in het kort een overzicht te nemen. In het leven van de Heer, zowel als in de vroegste geschiedenis van de kerk, vinden wij ze telkens vermeld. Van onze jeugd af is in onze gedachten de kindermoord te Bethlehem verbonden met de naam Herodes. Opmerkelijk is het, dat Jozefus, de voorname geschiedschrijver van deze koning van Judea, van deze gebeurtenis niet spreekt. Waarschijnlijk was het doden van enige kinderen in een gering plaatsje, vergeleken bij de overige bloedige handelingen van Herodes, in de ogen van Jozefus niet belangrijk genoeg om er bijzondere melding van te maken. In Gods ogen was het echter anders. Zowel de veinzerij als de wreedheid in het trouweloze hart van de koning worden in de Heilige Schrift opgetekend. Gods oog waakte over het kindje aan Israel geboren, voor alle naties de enige bron van hoop. Zo werd de wreedaardige opzet van Herodes verijdeld. Herodes de Grote, de eerste Idumese koning over Israel, ontving het rijk van de Romeinse Senaat ten gevolge van de invloed van Marcus Antonius. Dit vond plaats omtrent 35 jaar voor Christus geboorte, en omtrent 37 jaar voor zijn eigen dood. Deze Idumeers waren een tak van de oude Edomieten, die, terwijl de joden in de Babylonische gevangenschap vertoefden en hun land woest lag, bezit namen van het zuidelijk deel daarvan, voor zover het de hele stam van Simeon en de halve stam van Juda betrof, en daar na die tijd bleven wonen. Na verloop van tijd werden de Idumeers door Johannes Hyrcanus overwonnen en tot het jodendom overgebracht. Na hun overgang werden zij besneden, onderwierpen zich aan de joodse wetten, en maakten deel uit van het joodse volk. Zodoende waren zij joden zonder van de oude stam van Israel te zijn. Dit gebeurde omtrent 129 jaar voor Christus. Zij waren stoutmoedig, listig en wreed als vorsten; bezaten veel staatkundig beleid, dongen om de gunst van Rome, en hadden bij alles de bevestiging van hun eigen stamhuis op het oog. Het was echter Gods wil, dat de Idumese dynastie zou verdwijnen, zoals ook met de verwoesting van Jeruzalem heeft plaats gevonden; en zelfs de naam Herodes schijnt onder de volken uitgestorven te zijn.

Behalve de slachting van de kinderen in Bethlehem, die verordend werd kort voor Herodes dood, had hij zijn handen gedoopt in het bloed van zijn eigen familie en dat van vele edelen uit de tak van de Asmoneers. Zijn wrede naijver tegen dit heldhaftig geslacht sluimerde nooit. Doch een van zijn laatste handelingen was het ondertekenen van het doodvonnis over zijn eigen zoon. Terwijl hij stervende was onder het blijkbare oordeel van God, evenals zijn kleinzoon Herodes Agrippa, richtte hij zich op in bed, gaf bevel tot de terdoodbrenging van Antipater (als troonopvolger onder de naam van Archelaus bekend), viel achterover, en gaf de geest.

Op gelijke wijze, helaas, stierf menige vorst: met de ene hand koninkrijken, met de andere doodvonnissen uitdelend. En wat daarna? In de naakte werkelijkheid van hun eigen zedelijke toestand moesten zij verschijnen voor Gods rechterstoel, waar geen purper hen beveiligt, maar het onkreukbare recht geoefend wordt.

De sekte van de Herodianen bestond wellicht uit partijgenoten van Herodes, en had vooral een staatkundig karakter. Het hoofddoel was de handhaving van de nationale onafhankelijkheid van de Joden tegenover de macht en eerzucht van de Romeinen. Waarschijnlijk wilden zij van Herodes, om hun doel te bereiken, partijtrekken. In het Evangelie worden zij voorgesteld als verbonden met de Farizeeërs, listig handelende tegen de Heer (zie Mattheus 22:15,16; Markus 12:13,14).

Doch wij moeten nu terugkeren tot de geschiedenis van onze apostel. In Handelingen 15, na een afwezigheid van vijf jaar, gedurende welk tijdsverloop wij niets vernemen van zijn verblijf of werk, verschijnt Petrus opnieuw voor onze ogen. Hij neemt een werkzaam deel aan de vergadering in Jeruzalem, en schijnt zijn oorspronkelijke plaats onder de apostelen en ouderlingen te hebben behouden.

Petrus te Antiochië

Wij zien uit Galaten 2 dat hij spoedig daarop een bezoek bracht in Antiochië. Niettegenstaande de beslistheid van de apostelen en de gemeente te Jeruzalem wordt Petrus door de zwakheid, die hem soms kenmerkte, tot een daad van veinzerij vervoerd. Het is heel wat gemakkelijker een kwestie in beginsel uit te maken, dan een genomen beslissing in de praktijk uit te voeren of toe te passen. Petrus had werkelijk in de Jeruzalemse vergadering ten aanhoren van allen verklaard, dat het evangelie dat Paulus predikte, door de openbaring die hem gegeven was, niet minder een zegen was voor de joden dan voor de volken. En terwijl hij in Antiochie alleen is, handelt hij volgens dit beginsel, wandelende in de vrijheid van de hemelse openbaring, en etende met die uit de volken. Zodra er echter zekere joodsgezinde Christenen van Jakobus in de stad komen, durft hij niet langer van zijn vrijheid gebruik te maken. “Hij onttrok zich en zonderde zich af uit vrees voor die uit [de] besnijdenis; en met hem huichelden ook de overige joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd meegesleept” (Galaten 2:12-13). Terecht roept een zeker schrijver uit: ‘Welk een arm schepsel is de mens! Wij zijn zwak in evenredigheid van ons gewicht voor de mensen. Zodra wij niets zijn, kunnen wij alles doen zonder de opinie van mensen te vrezen. Paulus, door Gods genade sterk en getrouw, blijft alleen oprecht en bestraft Petrus in aller tegenwoordigheid’ (Galaten 2:11,14).

Van die tijd af, 49 of 50 jaar na Christus, komt Petrus naam niet meer voor in het boek van de Handelingen; en zekere berichten omtrent de plaatsen waar hij verder gearbeid heeft, hebben wij niet. Uit zijn opschrift boven de eerste brief, door hem gericht aan de Hebreeuwse Christenen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië, zou men kunnen veronderstellen dat hij in deze streken gearbeid heeft. Zijn tweede brief is van veel latere dagtekening, en moet geschreven zijn kort voor zijn dood. Dit blijkt uit hetgeen hij in het eerste hoofdstuk zegt: “Daar ik weet dat het afleggen van mijn tent aanstaande is, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij duidelijk heeft gemaakt” (1 Petrus 1:14; zie ook Johannes 21:18,19).

De juiste tijd van Petrus bezoek te Rome is een onderwerp geweest van veel twistgeschrijf tussen roomse en protestantse schrijvers van alle eeuwen. Doch wij mogen nu voor uitgemaakt houden, dat hij deze stad niet bezocht tot kort voor het einde van zijn leven. Het jaar van zijnmartelaarschap is evenmin zeker. Hoogstwaarschijnlijk was het omstreeks 67 of 68, toen hij ongeveer 70 jaar oud geweest zal zijn. De brand van Rome door Nero gesticht, wordt door Tacitus opgegeven als te hebben plaats gehad in juli 64. Spoedig daarop brak de vervolging tegen de Christenen uit; en onze apostel ontving, terwijl deze vervolging duurde, de eer van de martelaarskroon.

Hij werd veroordeeld tot de kruisdood de vreselijkste en tegelijk schandelijkste dood. Doch hij verzocht zijn beulen de gunst om niet op de gewone wijze gekruisigd te worden, maar met het hoofd naar beneden, zeggende dat hij onwaardig was te lijden in dezelfde houding, waarin zijn gezegende Heer en Meester voor hem geleden had. Zijn verzoek werd toegestaan en hij werd met het hoofd naar beneden aan het kruis gehecht. Hetzij dit nu een feit of een verdichtsel is, het is althans in overeenstemming met het vurig temperament, zowel als met de diepe ootmoed van de grote apostel.

Bron: Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (deel I)

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW