14 jaar geleden

Maarten Luther (15)

“Wij houden het geloof van Christus’ lichamelijke tegenwoordigheid in het avondmaal voor noodzakelijk ter behoudenis, en kunnen in gemoede u niet beschouwen als behorende tot de gemeenschap van de kerk”. “In dat geval”, antwoordde Bucer, “ware het dwaasheid u te vragen ons als broeders te erkennen. Wij geloven, dat uw leer tekort doet aan de heerlijkheid van Jezus Christus, die nu zit aan de rechterhand van God. Maar in aanmerking nemende dat u in alle dingen uw afhankelijkheid van de Heer erkent, geloven wij, dat u ter goeder trouw bent, en dat uw geweten u dringt de leer aan te kleven, die u belijdt; terwijl wij niet twijfelen, of u behoort Christus toe”.

Een voorstel tot verdraagzaamheid en eenheid

De conferentie was afgelopen, en men was geen stap dichter bij de eenstemmigheid gekomen. Filips en andere bemiddelaars trachtten ten minste een vergelijk tot wederkerige verdraagzaamheid en eenheid te krijgen. De godgeleerden werden achter elkaar in zijn geheim vertrek uitgenodigd; daar drong, smeekte, waarschuwde, vermaande en bezwoer hij hen. “Denk”, sprak hij, “aan het heil van de Christelijke maatschappij, en verdrijf alle tweedracht uit haar boezem”. Uit een staatkundig oogpunt was de toestand dreigend; Karel V en de paus verenigden zich in Italië; Ferdinand en de katholieke vorsten verenigden zich in Duitsland. Een vereniging van al de protestanten scheen het enige, dat hen redden kon. Dit geloofde Filips, en daarom spande hij zich bovenmate in om daartoe te geraken; maar de onhandelbare en heerszuchtige stemming van Luther stond hem in de weg.
De Zwitserse doctoren gingen hartelijk in op de wensen van de Landgraaf. “Laat ons”, sprak Zwingli, “onze eenheid uitspreken in alle dingen, waarin wij overeenstemmen; en laat ons voor het overige verdragen en ons herinneren, dat wij broeders zijn. Wat de noodzakelijkheid van het geloof in de Heer Jezus betreft, als de hoofdleer van de zaligheid, daaromtrent bestaat geen verschil”.
“Ja, ja”, riep de Landgraaf, “u stemt overeen, geeft dan een getuigenis van uw eenheid, en erkent elkaar als broeders”.
“Er is niemand op aarde”, zei Zwingli, “met wie ik ernstiger begeer verenigd te zijn dan met u”, waarop hij de doctoren uit Wittemberg naderde. Oecolampadius, Bucer en Hedio spraken hetzelfde.
Deze zeer Christelijke handelwijze, scheen voor het ogenblik de verlangde uitwerking te hebben. Menig hart was getroffen, zelfs onder de Saksers. “Erkent hen, erkent hen!”, riep de Landgraaf, “erkent hen als broeders”. Zelfs Luther’s hardvochtigheid scheen te wijken. Het levendige oog van Zwingli ziende, dat hetgeen hij hoopte een maatregel van inschikkelijkheid was, barstte uit in tranen van vreugde, naderde Luther, reikte zijn hand toe, en smeekte hem alleen het woord “broeder” uit te spreken. Maar helaas! dat warme hart moest op een wrede wijze worden teleurgesteld. Toen alle ogen gevestigd waren op de twee leiders, en alle harten vervuld met de hoop, dat de beide families van de Hervorming op het punt stonden om verenigd te worden, weigerde Luther koelbloedig de toegestoken hand met de snijdende woorden: “U bent van een andere geest dan wij”, hetgeen gelijk stond met de verklaring: “Wij zijn van de Geest van God; u van de geest van satan”. Deze woorden gaven aan de Zwitsers als het ware een elektrische schok. Hun harten bezweken telkenmale, als Luther ze herhaalde, en hij deed dit veelvuldig. Luther’s weigering om Zwingli hand te drukken”, zegt Cunningham, “waardoor deze waarlijk edele en moedige man in tranen uitbarstte, was zeer betreurenswaardig en vernederend, maar tevens ernstig en leerrijk, daar zij de bedrieglijkheid van de zonde en van het menselijk hart tentoonstelde op een wijze, zoals de wereld nooit aanschouwd had”.

Nu volgde een kort overleg tussen de doctoren uit Wittenberg, waarvan de uitslag in geen opzicht meer verzoenend was. Luther, Melanchton, Agricola, Brenz, Jonas en Osiander overlegden met elkaar.
Zich wendende naar Zwingli en zijn vrienden, zeiden de Saksers: “Wij houden het geloof van Christus’ lichamelijke tegenwoordigheid in het avondmaal voor noodzakelijk ter behoudenis, en kunnen in gemoede u niet beschouwen als behorende tot de gemeenschap van de kerk”.
“In dat geval”, antwoordde Bucer, “ware het dwaasheid u te vragen ons als broeders te erkennen. Wij geloven, dat uw leer tekort doet aan de heerlijkheid van Jezus Christus, die nu zit aan de rechterhand van God. Maar in aanmerking nemende dat u in alle dingen uw afhankelijkheid van de Heer erkent, geloven wij, dat u ter goeder trouw bent, en dat uw geweten u dringt de leer aan te kleven, die u belijdt; terwijl wij niet twijfelen, of u behoort Christus toe”.
“En wij”, zei Luther, “verklaren u nogmaals, dat ons geweten ons verbiedt u als broeders te erkennen”.
“Wel, doctor”, antwoordde Bucer, “indien u weigert als broeders te erkennen hen, die op enig punt van u verschillen, zult u niet geen enkele broeder in uw eigen rijen vinden”.
De Zwitsers hadden hun overredingskracht uitgeput. “Wij zijn ons bewust”, zeiden zij, “te hebben gehandeld als in de tegenwoordigheid van God”. Men was op het punt van te scheiden; zij hadden een waarlijk Christelijken geest geopenbaard, en het gevoelen van de conferentie was ten gunste van hen en hun leer. Luther, dit bemerkende en vooral de verontwaardiging van de Landgraaf ziende, scheen aanmerkelijk zachter gestemd te worden. Hij naderde tot de Zwitsers, en zei: “Wij erkennen u als vrienden; wij merken u niet aan als broeders en leden van Christus’ kerk; maar wij sluiten u niet uit van die algemene liefde, die wij zelfs aan onze vijanden verschuldigd zijn”.
Hoewel deze toegeeflijkheid niet veel meer dan een nieuwe belediging was, besloten de Zwitsers hetgeen hun aangeboden werd zonder tegenspraak aan te nemen. De Zwitsers en de Saksers schudden nu elkaars handen, en wisselden enkele vriendelijke woorden. De Landgraaf was verrukt, dat nog zoveel verkregen was, en riep dadelijk om een verslag van dit belangrijk resultaat. “Wij moeten aan de Christelijke wereld doen weten”, zei hij, “dat behalve wat betreft de wijze, waarop het lichaam en het bloed bij het avondmaal van de Heer tegenwoordig zijn, u in al de artikelen van het geloof overeenstemt”. Hiertoe werd besloten; en Luther werd verkozen om de artikelen van het protestantse geloof op te stellen.
Een “formulier van overeenstemming” werd onmiddellijk door Luther opgemaakt. Het bestond uit veertien artikelen, veelal van algemene aard, betreffende de Drie-eenheid, de menswording, hemelvaart, erfzonde, rechtvaardiging door het geloof, het gezag van de Schrift, de verwerping van de overlevering, en ten laatste het avondmaal, waarover gesproken werd als een geestelijk ziek voeden met het lichaam en bloed zelf van de Heer Jezus Christus. Op de dertien artikelen, zoals zij werden voorgelezen, spraken de Zwitsers hun hartelijk amen. En alhoewel de bewoordingen, waarin het veertiende gesteld was, hun voor tegenbedenkingen vatbaar toeschenen, zo kwamen zij overeen, daar zij enigszins duister waren en verschillende uitlegging toelieten, de artikelen te ondertekenen zonder verdere discussie uit te lokken. Dit belangrijk stuk ontving de handtekening van beide partijen op de 4e oktober 1529. De begeerte werd uitgedrukt om jegens elkaar een geest van Christelijke liefde te koesteren, en alle bitterheid te vermijden, terwijl ieder voorstond, wat hem toescheen de waarheid van God te zijn.
De belijdenis van Marburg werd nu naar de pers gezonden. Haar verschijning gaf aan de Saksers enige grond tot de verklaring, dat de Zwitsers Luther’s geloofsbelijdenis ondertekend hadden; dat zij al hun dwalingen hadden herroepen, behalve die aangaande het avondmaal. Dat zij bereid waren ook die terug te trekken, maar dat zij afgeschrikt waren uit vrees voor het volk, en dat zij geen ander bewijs tegen Luther’s leer hadden ingebracht dan hun eigen onbekwaamheid om er in te geloven. Dergelijke verhalen verspreidden zich snel naar alle zijden van Duitsland; maar het waren verzinsels. De lezer moet hebben opgemerkt, dat de moed en het vertrouwen van de Zwitsers toenamen, naarmate de strijd voortgezet werd, en dat hun eerlijkheid en welwillende gezindheid veel sterker waren dan de onredelijkheid en hooghartigheid van hun tegenstanders.
Donderdag 5 oktober, vroeg in de ochtend verliet de Landgraaf Marburg. De doctoren en hun vrienden volgden spoedig; maar de in het licht gestelde waarheid en de uitgedrukte gevoelens werden alom in Duitsland verbreid; en veler hart werd opmerkzaam gemaakt op de eenvoud van het Nieuwe Testament met betrekking tot de viering van het avondmaal.

Opmerkingen over de conferentie te Marburg

Met gevoelens van de diepste dankbaarheid en de meest ongeveinsde verootmoediging wensen wij een ogenblik stil te staan bij de tonelen, die te Marburg plaats vonden. Met dank aan God, dat Hij daardoor zulk een openbaarheid gaf aan de lering van de Schrift met betrekking tot het avondmaal maar met smart en verootmoediging over de bedroevende houding van hem, die daar zoveel invloed uitoefende. De leer, zo duidelijk onderwezen door de Zwitsers, was tot nu toe weinig in Duitsland bekend. Daar de consubstantiatie door Luther en zijn volgelingen aangenomen was, had men de betekenis en het doel van die heilige instelling niet begrepen. Aan alle zijden ontwaakte een grote belangstelling omtrent waarheden, die pas aan het licht waren gebracht, en die door tal van personen werden omhelsd. Ras verspreidden zij zich door heel Duitsland, en waren tot groten zegen voor duizenden zielen. Lambert, zoals wij zagen, werd bekeerd tot de inzichten van Zwingli; en de Landgraaf zelf verklaarde korte tijd voor zijn dood, dat hij er door de conferentie toe gebracht was de dwaling van de consubstantiatie te verwerpen.

Zo maakte God in Zijn goedheid deze onaangename redetwist dienstbaar aan de verspreiding van de waarheid en de vervulling van Zijn genaderijke bedoelingen. Weinig dacht Luther er aan, dat, terwijl hij, Luther, alleen bedacht was op zijn eer en goede naam, God bedacht was op de bevordering van de zaak van de Hervorming. Maar, helaas! wat is de mens, de gevallen, zelfzuchtige mens! Waar is nu de Luther van vroeger dagen? Waardoor was het hart, zo ruim, mild en bedachtzaam, zo spoedig vervallen tot de meest onverbloemde en onverdraagzaamste dweperij? Het antwoord ligt voor de hand – toen stond hij voor God in het geloof; nu stond hij als partijhoofd in hoogmoed. En dit verklaart niet alleen de wonderlijke verandering, die over Luther’s geest gekomen was, maar de onwaardige houding van menig uitstekend man van die dag af tot nu toe. Op de rijksdag van Worms en op andere plaatsen streed Luther nagenoeg alleen voor de waarheid van God tegen de leugen van de satan; maar in Marburg streed hij voor de leugen van de satan, in de vorm van zijn nieuw dogma, tegen de waarheid van God. Sommigen zullen wellicht zeggen, dat hij streed voor hetgeen naar zijn bewustzijn waarheid was, en in zekere zin was dit ook zo.

Doch men zal zich herinneren, dat hij zich verzette tegen elk vreedzaam onderzoek van de waarheid, tegen elk redelijk middel om tot goed begrip te geraken van de vier woorden “Dit is mijn lichaam”; en dat het bleek, hoezeer hij alleen er op uit was zijn eigen gezag als de voornaamste van zijn partij te handhaven. Noch Luther noch een van de andere Saksers openbaarde enige belangstelling voor de bevordering van het evangelie of voor de zegepraal der Hervorming. Het groot en heerlijk werk werd belemmerd en verdorven door het onzinnigste dogma, dat ooit aan de lichtgelovigheid van de mensen werd voorgesteld.

De houding en de gevaren van een partijhoofd in de dingen van God worden duidelijk uiteengezet in het navolgend oordeel van Waddington over Luther. “Te Marburg was Luther paus. Onder algemene toejuiching tot hoofd van de evangelische partij verheven, nam hij het karakter van een dwingeland aan; en zal men die rol vervullen in geestelijke zaken, dan is het nodig de onfeilbaarheid voorop te stellen. Gaf hij eenmaal toe op enig punt van de leer, bekende hij in een enkel geval, dat hij gedwaald had, dan zou de begoocheling ophouden en daarmee het gezag, dat er op gegrond was. Zo was het althans bij de grote hoop. Hij werd genoodzaakt door de plaats zelf, die hij innam, of wenste in te nemen, op de hoogste toon elke stelling te verdedigen, die hij vroeger aan het volk verkondigd had.
Over het geheel verloor hij door deze redetwist zowel aan invloed als aan goede naam. Door zijn heerszuchtige toon en bestudeerde drogredenen verzwakte hij de liefde en de eerbied van menigeen, die hem vroeger bewonderd had. Men begon minder hoog te denken van zijn bekwaamheden zowel als van zijn oprechtheid. In plaats van de toewijding en grootmoedigheid, die zo’n luister over zijn vroegste worstelingen verspreid hadden, scheen een snoevende aanmatiging zich van zijn geest meester te hebben gemaakt. En door het toegeven aan deze onedele hartstocht werd de mantel, waaronder Zwitserland en Duitsland samen gedekt hadden kunnen worden, in tweeën gescheurd. Hij bleef niet langer de goede geest van de Hervorming. Afdalende van dit heerlijke standpunt, waarop hij licht verspreid had over de hele evangelische Christenheid, was hij nu weinig meer geworden dan de aanvoerder van een partij, toen nog de uitstekende en machtige partij van de hervormers, maar in later tijd bestemd om tegenspoed en verbastering te ondergaan, waardoor de benaming van Lutheranen is overgegaan op, een weinig talrijke gemeenschap van de protestantse wereld”.

Wordt D.V. vervolgd.

Bron:
Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk, A. Miller.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM