Bijbelgedeelte: Johannes 5 vers 28-30
“Verwonder u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan: zij die het goede hebben gedaan1, tot [de] opstanding van [het] leven, en zij die het kwade hebben bedreven1, tot [de] opstanding van [het] oordeel” (vs. 28+29).
De Heer Jezus openbaarde deze voor ons bijna onbegrijpelijke waarheden aan ongelovige Joden. Begrepen ze er überhaupt iets van? Misschien zag Hij een klein misverstand in hen en daarom begint Hij dit vers met de woorden: “Verwonder u hierover niet … .” Wij bewonderen Hem ook in Zijn morele heerlijkheid, waarin Hij hier zulke diepe waarheden openbaarde aan degenen die Hem verwierpen en Hem wilden doden.
Deze twee verzen weerleggen duidelijk twee boze dwaalleringen in het Christendom. Ten eerste weerleggen ze de leer van de vernietiging, die stelt dat men na de dood ophoudt te bestaan; de Heer Jezus zegt, dat allen die in de graven zijn, zullen opstaan. Ten tweede weerleggen ze ook de leer van de alverzoening, volgens welke gevallen schepselen ooit met God verzoend zullen worden; maar de Heer Jezus zegt hier, dat er een opstanding van het oordeel zal zijn, en dit is een onveranderlijk, eeuwig oordeel, voor altijd gescheiden van God.
Dit vers gaat niet over het verdienen van de opstanding door goede werken; gerechtigheid uit werken wordt nergens in het Nieuwe Testament geleerd. Het goede in dit vers betekent de Heer Jezus in geloof hebben aanvaard en vervolgens de goede werken doen die voortvloeien uit het nieuwe leven (Ef. 2:10; Rom. 2:10); en het kwade is Hem hebben verworpen en in die toestand slechte daden hebben begaan. Het cruciale punt, of uitgangspunt, is zeker de vraag of iemand gelooft in de Zoon van God (Joh. 6:28-29), maar vanuit dit centrale punt volgen goede of slechte werken als gevolg. Daarom kunnen we deze woorden van de Heer niet beperken tot bekering of verwerping.
Aan de grote witte troon worden de doden geoordeeld op hun daden, niet alleen omdat ze geen geloof hadden. Hun hele leven wordt gezien als een zwarte lijst. Neem bijvoorbeeld de humanist Albert Schweitzer, de personificatie van goede werken; tenzij deze man zich op zijn sterfbed bekeert, is zijn hele leven van maatschappelijk werk verspilde moeite in het aangezicht van de eeuwigheid. Een stralend voorbeeld van een nobel mens, maar alles gedaan zonder God, alles kwaad in Gods ogen! Ons gevaar schuilt vaak in het beoordelen van dingen op hun resultaten of uiterlijke schijn, en dit kan ons volledig op een dwaalspoor brengen. God oordeelt naar motieven, naar de bron waaruit ze voortkomen en tot wiens eer ze zijn verricht.
De opstanding van het leven en de opstanding van het oordeel liggen minstens duizend jaar uit elkaar. De opstanding van het leven kent ook meerdere fasen:
- Het begon met de opstanding van de Heer Jezus, Die de eersteling is van hen die ontslapen zijn (1 Kor. 15:20+23);
- de volgende fase zal plaatsvinden bij de Opname van de gelovigen (1 Thess. 4:14-17), wanneer de gelovigen die in het tijdperk van genade zijn ontslapen en uit voorgaande bedelingen vanaf Adam komen, zullen worden opgewekt;
- de derde fase van de opstanding, die deze opstanding van het leven afsluit, omvat de gelovigen uit de grote verdrukking die in deze tijd als martelaren zullen sterven en zullen worden opgewekt vóór de vestiging van het 1000-jarig rijk (Openb. 20:4).
Daarmee is de opstanding van het leven, de eerste opstanding, voltooid. Het is een opstanding uit de doden, omdat degenen die in hun zonden gestorven zijn, nog steeds in hun graf zullen blijven liggen. Wie daaraan deel heeft, betreedt het rijk waar het eeuwige leven zich ten volle kan ontvouwen. En wanneer we levend worden opgenomen, zullen onze nederige lichamen worden veranderd om gelijk te zijn aan Zijn verheerlijkte lichaam (Fil. 3:21), en zullen we onmiddellijk naar het huis van Zijn Vader gaan (Joh. 14:2-3) om eeuwig de stroom van Vaders liefde voor Zijn Zoon te overdenken. In deze opstanding van het leven wordt het volle resultaat van het leven, dat de Zoon geeft (vs. 21) zichtbaar. Hij geeft leven aan de geestelijk doden door hun eeuwig leven te schenken; maar het volle resultaat hiervan wordt dan gezien in de opstanding van het leven.
Maar degenen die kwaad hebben gedaan, zullen bij deze wonderbaarlijke gebeurtenis niet opstaan; zij zullen in hun graf blijven. Pas aan het einde van het duizendjarig rijk, wanneer de hele wereldgeschiedenis tot een einde is gekomen, zal de opstanding van het oordeel van alle ongelovige doden plaatsvinden, wat in Openbaring 20 vers 14 de tweede dood wordt genoemd. Twee getuigenissen worden gebruikt om dit te illustreren:
- Het boek van het leven; wie daarin niet geschreven blijkt te zijn, zal geoordeeld worden (vs. 12 en 15);
- het boek van de werken; naar wat zij gedaan hebben, zullen zij geoordeeld worden (vs. 12).
Het oordeel treft de doden, die zich nooit bekeerd hebben; zij zullen hun eeuwige, laatste oordeel horen en in de poel van vuur geworpen worden – wat een vreselijk lot! Eeuwig gescheiden van elk spoor van licht en elke straal van liefde. De hel is waar God niet meer heen kijkt, zei broeder Adolf Henrich ooit.
In deze twee verzen wordt duidelijk dat God onderscheid maakt tussen rechtvaardigen en goddelozen (Mal. 3:18). Er zal een opstanding zijn van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen (Hand. 24:15). Allen zullen de stem van de Mensenzoon horen. We vinden een duidelijke aanwijzing hiervoor in Johannes 11 vers 43, waar de Heer Jezus Lazarus uit de dood en het graf roept. Wat een indrukwekkende roep zal dat zijn (1 Thess. 4:16)!
In het Christendom is het begrip van deze twee belangrijke kanten van de opstanding grotendeels verloren gegaan; het wordt bijna universeel als één feit behandeld. Maar het verband van het hele Nieuwe Testament maakt ondubbelzinnig duidelijk, dat deze twee verschillende soorten opstanding op totaal verschillende tijdstippen zullen plaatsvinden. Op het moment, waarop de waarheid over de Opname verloren ging, ging ook het licht op deze leer over de opstanding verloren. Al in de generatie na de laatste apostelen, ruwweg in de eerste helft van de tweede eeuw, werd de Opname terzijde geschoven en werd gezegd, dat de apostelen zich hadden vergist. En als de apostelen zich daar al in hadden vergist, dan konden latere gelovigen er zeker geen duidelijkheid over krijgen. En zo ging de waarheid over de Opname verloren. Men richtte zich op een leven op aarde totdat, ergens in de verre toekomst, de Heer zou komen om de eeuwigheid in te luiden. Hiermee verbonden is dan ook de overtuiging, dat wij gelovigen nog door de tijd van verdrukking moeten gaan, en vele andere dwalingen.
Tegenwoordig zijn er binnen de christelijke gemeenschap in Europa slechts enkele marginale groepen ware gelovigen die de waarheid van de Opname en de twee opstandingen nog kennen en geloven. De zogenaamde Middernachtsroep (Matth. 25:6) bracht ongeveer 200 jaar geleden onder de aandacht, dat de Heer zal terugkeren om Zijn bruid mee naar huis te nemen. Alle anderen geloven in een eenmalig eindoordeel en beschouwen deze waarheden als een bijzondere leer van de broeders. Er is echter geen andere leer over de toekomst waarin alle stukjes van het Woord zo wonderbaar in elkaar passen, als een puzzel, als die we hier hebben besproken. We vinden het daarom cruciaal, dat we het Woord van God grondig onderzoeken en doorzoeken, zodat we een vaste overtuiging krijgen over deze waarheden. We kunnen de wederkomst van de Heer voor de Opname elk moment verwachten; er hoeft geen profetische gebeurtenis aan vooraf te gaan. Daarna zal de hele toekomst zich ontvouwen zoals beschreven in de profeten van het Oude Testament en in de boeken van het Nieuwe Testament. Wat er na de Opname op aarde zal gebeuren, zal ware Christenen niet meer treffen. Wat mogen we dankbaar zijn, dat de Heer ons zoveel helderheid over deze zaken heeft gegeven! Het is aan ons om vast te houden aan dit beeld van gezonde woorden (2 Tim. 1:13).
“Ik kan van Mijzelf niets doen; zoals Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet Mijn wil zoek, maar de wil van Hem Die Mij heeft gezonden” (vs. 30).
Ook in het rijk waar de Heer, als Mens, in alle opzichten de bevoegdheid heeft gekregen om te oordelen, doet de Zoon alleen wat overeenkomt met de wil van de Vader en handelt Hij niet onafhankelijk. Hij had weliswaar Zijn Eigen wil, maar geen Eigen wil. Hij stelt echter nu deze Eigen wil niet op de voorgrond, maar aan de wil van Hem Die Hem gezonden heeft. Hij wil alleen wat de Vader altijd gewild heeft! Ook in dit opzicht is alles in volmaakte harmonie en overeenstemming met de Vader. Zijn oordeel is rechtvaardig; het is een Goddelijk oordeel, en daarover kunnen geen onderscheidende meningen bestaan.
Door deze hele passage heen voelen we, tussen de regels door, de wonderlijke, vertrouwensvolle verhouding tussen de Zoon en de Vader. In alle woorden die we hier van de Heer Jezus horen, resoneert de vreugde die Hij in Zijn Vader heeft. De Vader heeft de Zoon lief, de Vader verlangt ernaar de Zoon te eren, en omgekeerd is het enige verlangen van de Zoon om de Vader te eren – we kijken in aanbidding naar deze wonderbaarlijke relatie tussen Vader en Zoon. De gave van het eeuwige leven voor ons omvat het vermogen om de ene ware God te kennen, en Degene Die Hij gezonden heeft, Jezus Christus (Joh. 17:3). Het is een glimp van de hemel die we hier op aarde al kunnen genieten. Samen met de Vader aanschouwen we de Zoon en verheugen we ons in hoe Hij de Vader liefheeft en eert; en samen met de Zoon aanschouwen we de Vader, Die de Zoon eert en liefheeft (1 Joh. 1:3) – dit is wat ons voor eeuwig volledig zal bevredigen en al onze verlangens zal stillen; het zal het voorwerp zijn van onze eeuwige aanbidding!
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online seit dem 04.03.2019
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW