BIJBELGEDEELTE: JOHANNES 5 VERS 26-27
“Want zoals de Vader leven in Zichzelf heeft, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf” (vs. 26).
Hier staat de Heer Jezus voor ons als Mens, aan Wie de Vader iets gegeven heeft. De Vader heeft Hem, als Mens, gegeven om leven in Zichzelf te hebben. In Johannes 1 vers 4 zien we, dat in Hem, als het eeuwige Woord, het leven was; het Woord werd gekenmerkt door het bezit van leven. In 1 Johannes 5 vers 11 zien we, dat het eeuwige leven in de Zoon van God is. Ook wij bezitten het eeuwige leven, maar we hebben het niet in onszelf, maar in Hem; Hij is ons leven (Kol. 3:3-4).
Hier hebben we de gedachte, dat de Vader aan de Mens Jezus geeft wat Hij altijd al bezat als het eeuwige Woord: het leven in Zichzelf. En we zagen in vers 25, dat Hij, als Zoon van God, dit leven vervolgens ook aan anderen geeft. God gaf Hem ook dit recht als Mens, niet alleen om het leven in Zichzelf te hebben; maar ook als Mens kan Hij dit leven nu aan anderen geven. Zo verheerlijkt de Vader de Zoon!
Als we deze uitspraak vergelijken met Johannes 6 vers 53, zouden we kunnen concluderen, dat we door het vlees van de Mensenzoon te eten en Zijn bloed te drinken (dat wil zeggen, door ons in geloof te verenigen met een dode Christus), ook leven in onszelf zullen hebben. Maar we moeten voorzichtig zijn met dergelijke generalisaties; Johannes 6 vers 35 presenteert hier een andere gedachte dan vers 26. In Johannes 6 vers 35 wordt leven gezien als een vast, waar bezit in onszelf, dat door ons heen stroomt, maar niet als essentieel of zelfvoorzienend in ons – dat geldt alleen voor de Heer Jezus. En daarom kan alleen de Heer Jezus dit leven schenken; wij kunnen dat niet.
Vraag: In 1 Korinthe 15 vers 45 wordt de Heer Jezus beschreven als een levend makende Geest, en in Johannes 20 vers 22 blaast Hij na Zijn opstanding leven in Zijn discipelen als de levendmakende Geest. Hierdoor ontvangen zij dit opstandingsleven, dit leven in overvloed. Is er een verband tussen dit vers 26 en het handelen van de Heer in Johannes 20 vers 22?
Antwoord: De discipelen in Johannes 20 vers 22 waren de eersten die dit leven ontvingen. Ze hadden al eerder leven gehad; ze waren wedergeboren, maar het was leven op de bodem van het Oude Testament, geen leven in overvloed, geen opstandingsleven. Ze waren gelovigen, maar ze hadden nog niet wat wij vandaag ontvangen bij onze bekering (bijv. Ef. 2:5). Dit is precies wat de Heer hun gaf in Johannes 20 vers 22. Hij deelde met hen het leven, dat Hij bezat als de Opgestane. In deze scène brak het uur waarover gesproken werd werkelijk aan. In de Zoon als Mens op aarde werd het eeuwige leven openbaar, maar het kon niet aan zondige mensen worden gegeven – ook niet aan hen die geloofden -totdat de kwestie over de zonde volledig was opgelost op Golgotha tot bevrediging van een heilige God. Daarom moest de Heer door de dood heengaan, en vervolgens, als de Opgestane, deelde Hij dit opstandingsleven met Zijn discipelen en daarmee ook met ons. Terwijl Paulus het eeuwige leven meer voorstelt als een resultaat van het werk van de Heer (bijv. 2 Tim. 1:10) [alleen in Kol. 3:4 spreekt hij over Christus, ons leven], zien we in Johannes pas echt, dat dit leven een Persoon is (1 Joh. 5:20). Hoe weinig beseffen we eigenlijk, dat we een leven hebben ontvangen, dat niet alleen in de Zoon is (1 Joh. 5:11), maar juist de Zoon Zelf is. Wanneer we dit leven ontvangen, dan hebben we de Zoon, en alle heerlijkheid die met Hem verbonden is, is ons deel! Schepselen kunnen niet dichter bij God komen dan door de Zoon van God als hun eigen leven te hebben. Wat een rijkdom, wat een genade!
Wat betekent het eeuwige leven in zijn volheid voor ons? In het huis van de Vader zijn en de Heer Jezus zien! Niets meer, maar ook niets minder. Dan zullen we ten volle genieten van het eeuwige leven, zonder enige verstoring of onderbreking. Christus, ons leven – wat een rijkdom!
“… en Hij heeft Hem macht1 gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is” (vs. 27).
Dit vers beschrijft een tweede reden waarom de Heer Jezus het oordeel ontvangt. In vers 23 zagen we, dat dit gebeurt, opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Hier zien we, dat het tot Zijn persoonlijke waardigheid als Mensenzoon behoort, dat Hij ook het volledige oordeel zal voltrekken – omdat Hij Mens geworden is! Hij, Die altijd de Zoon was, was nu op aarde als Mens en was bereid Zich door Zijn schepselen te laten tegenwerken, zonder direct te oordelen, maar in plaats daarvan genade te tonen. Daarom gaf de Vader Hem deze macht; die was zo machtig voor Hem dat de Zoon, als Mens, Zichzelf had ontledigd en tot in alle eeuwigheid Mens zou blijven, dat Hij Hem daarom ook het volledige oordeel overgegeven heeft.
De Heer Jezus werd Mens, maar Hij heeft geen enkele Goddelijke eigenschap die Hem toebehoorde, verloren; alles behoort Hem nog steeds toe als de eeuwige Zoon. En hier stelt Hij het ons zo voor, dat Hij, als Mens, van Zijn God en Vader alles ontvangt wat Hem altijd al toebehoord heeft krachtens Zijn wezen als eeuwige Zoon.
Het eerste uur wordt gekenmerkt door het Woord van de Zoon van God, het tweede uur door het Woord van de Mensenzoon – en het is dezelfde Persoon. Hij is de eeuwige Zoon in de hemel, in de gedaante van God (Fil. 2:6), en het beeld van de onzichtbare God; Hij werd Mens als de Zoon van God; en Hij werd de Mensenzoon. Wanneer het om de Zoon als Mens gaat, staat Zijn goddelijkheid prominenter voor ons; wanneer het om de Mensenzoon gaat, staan Zijn menswording, Zijn vernedering en ware menselijkheid prominenter voor ons. En toch zijn in beide gezichtspunten ook Zijn beide wezenskenmerken aanwezig, want de Mensenzoon kan bijvoorbeeld zonden vergeven op aarde. Laten we deze onderscheidingen, die we kunnen waarnemen in het Woord van God, aanbiddend bewonderen en er met alle nederigheid en voorzichtigheid over nadenken, zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan de waardigheid en heiligheid van Zijn Persoon in gedachten of woorden!
Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 04.03.2019
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW