7 maanden geleden

Het Johannes-evangelie (10c)

Vervolg bijbelgedeelte: Johannes 3 vers 11-21

 

Eeuwig leven

Het resultaat voor elke Israëliet die naar de koperen slang keek, was dat hij in leven bleef. Maar het resultaat voor iedereen die in de verhoogde Zoon des mensen gelooft, is echter nog veel meer. Het resultaat is niet alleen, dat hij in leven blijft, maar dat hij eeuwig leven ontvangt. Het is niet alleen een redding voor dit aardse leven, maar de hoogste zegen die een mens ooit kan ontvangen. Eeuwig leven is een gevolg van Gods openbaring in Zijn Zoon, maar bovenal een gevolg van Zijn verzoeningsdood. Iedereen die nu opnieuw geboren wordt, is levend gemaakt met Christus, met Hem Die verhoogd werd aan het kruis en gestorven is, Die begraven is en Die zegevierend is opgestaan. Dit is de nieuwe geboorte voor ons gelovigen, en daarmee verbonden is het geschenk van eeuwig leven. De nieuwe geboorte heeft nu een extra karakter gekregen in deze tijd van genade, want we hebben alles met en in Christus, en daarmee is de gave van het eeuwige leven verbonden.

Met betrekking tot het begrip eeuwig leven moeten we rekening houden met de samenhang waarin het wordt gebruikt, want het Oude Testament spreekt ook over eeuwig leven en leven in eeuwigheid (bijv. Dan. 12:2; Ps. 133:3). We moeten het eeuwige leven in het Oude Testament zien vanuit het oogpunt van de verwachting van de gelovigen die toen leefden: hun verwachting ging niet verder dan de tijd van het 1000-jarige koninkrijk.

Het eeuwige leven in het Nieuwe Testament krijgt zijn karakter, doordat we niet alleen de enige ware God kennen, maar ook Hem Die Hij gezonden heeft, Jezus Christus (Joh. 17:3). Gelovigen zijn in staat om door het geloof in de Heer Jezus de Zoon van de Vader te kennen en daarmee ook God als Vader. Alleen kinderen kunnen iemand Vader noemen, en zo dicht zijn we bij God gebracht. In 1 Johannes 5 vers 20 wordt het eeuwige leven gepersonifieerd in de Zoon – Hij is het eeuwige leven. Deze twee passages zijn de twee belangrijkste verzen die antwoord geven op de vraag wat eeuwig leven betekent in de nieuwtestamentische zin. Geen enkele gelovige in het Oude Testament kende deze twee kenmerken, zij kenden het leven niet in al zijn volheid, niet het leven in overvloed (Joh. 10:10). In de hemel zijn en de Zoon zien zoals Hij is, in een atmosfeer waar het leven zijn thuis heeft, zal de hoogste vorm van eeuwig leven zijn!

Er zijn ook zegeningen die gelovigen uit het Oude Testament en gelovigen uit het Nieuwe Testament gemeenschappelijk hebben. Als we denken aan de 24 oudsten in Openbaring (Openb. 4 + 5), dan vertegenwoordigen deze 24 oudsten alle gelovigen van alle tijden tot aan de opname van de gemeente, en ze bestaan uit 2 x 12 oudsten, de oudtestamentische gelovigen en de gelovigen van de genadetijd, maar ze hebben allen dezelfde plaats. Maar wanneer de bruiloft van het Lam plaatsvindt in Openbaring 19, bestaan deze 24 oudsten niet meer, dan is er aan de ene kant de bruid (de gelovigen van de genadetijd) en aan de andere kant de genodigden (de overige gelovigen).

Het is een enorme zegen om eeuwig leven te hebben! 1 Johannes 5 vers 11+12 zegt, dat “God ons eeuwig leven heeft gegeven, en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven.” Wij hebben de Zoon – een geweldige uitspraak! Als God Zijn Zoon geeft, wil Hij Hem op de een of andere manier met ons delen. We hebben gemeenschap met de Vader in het bezit van deze unieke Zoon. Dit is het doel van Zijn liefde: Hij wil Zijn gedachten en gevoelens over Zijn Zoon met ons delen. Het is ons nu al gegeven en we kijken uit naar de heerlijkheid wanneer we het ten volle zullen ervaren en genieten.

Alleen zij die in de Mensenzoon geloven zullen niet verloren gaan. Verloren gaan betekent dat de mens als zodanig al op weg is om verloren te gaan. In 1 Korinthe 1 vers 18 wordt de tegenwoordige tijd gebruikt om te spreken over hen die verloren gaan; dit betekent niet dat deze mensen in de toekomst verloren zullen gaan, maar dat ze nu al verloren gaan, dat ze al onderweg zijn. Ze wijzen het kruis af en zijn al op weg om verloren te gaan. We weten niet wat verloren gaan uiteindelijk inhoudt; er wordt ons verteld dat deze verloren mensen op een dag in de poel van vuur geworpen zullen worden (Openb. 20:15), maar wat daar uiteindelijk echt ten diepste mee gemoeid is, kunnen we niet zeggen – maar het moet verschrikkelijk zijn, want de toorn van God blijft op hen (vs. 36)! Ze zullen eeuwig van God gescheiden zijn.

Maar wat God geeft aan degene die in de Zoon des mensen gelooft, is veel meer dan niet verloren gaan, het is de gehele rijkdom van Zijn liefde. Het werk van de Heer aan het kruis is zo groot en veelomvattend in zijn resultaten en gevolgen, dat God alles geeft aan degene die in dit werk van de Zoon gelooft, zelfs het leven dat de Heer Jezus Zelf is (1 Joh. 5:20). Dit is wat ieder ontvangt die in geloof op de Heer vertrouwt (Joh. 5:24; 1 Tim. 1:16c).

Vers 14, waar de Heer Jezus wordt beschreven als de Mensenzoon Die moet worden opgeheven, staat precies tussen de hemelse dingen waarover de Heer spreekt in vers 13 en het eeuwige leven van vers 15. Het is een ontroerende gedachte, dat we eerst de volmaakte kennis van de hemelse heerlijkheid van de Heer Jezus vinden; maar die hemelse heerlijkheid zou nooit met enig mens gedeeld kunnen worden als Hij niet aan het kruis was verhoogd. En omdat Hij dit gedaan heeft, is eeuwig leven nu het resultaat voor iedereen die gelooft; eeuwig leven dat ons in staat stelt om van de hemelse dingen te genieten. Nu, kunnen door dit werk van het kruis ook anderen delen in deze sfeer van licht en liefde.

“Want zo1 lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (vs. 16).

Voor Maarten Luther was dit vers het kostbaarste vers in de hele Bijbel. Broeder Heijkoop heeft vaak gezegd, dat dit vers het bekendste vers in de Bijbel is, maar dat het toch het minst echt begrepen wordt. Misschien hebben we allemaal de diepte van dit vers nog niet helemaal begrepen. Laten we daarom, met Gods hulp, dit vers punt voor punt bekijken, het is een unieke opeenstapeling van uitspraken die niet groter kunnen worden, die de moeite waard zijn om op te sommen en in detail te benadrukken, ze laten de grootheid van God in dit vers zien:

  • God heeft de wereld liefgehad: de grootste Gever;
  • God heeft de wereld liefgehad: de grootste doelgroep;
  • God heeft de wereld liefgehad: het grootste motief;
  • dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf: het grootste geschenk;
  • dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf: de grootste daad;
  • opdat ieder die in Hem gelooft: de grootste uitnodiging;
  • opdat ieder die in Hem gelooft: de grootste Persoon;
  • opdat ieder die in Hem gelooft: de grootste beslissing;
  • niet verloren gaat: de grootste bevrijding;
  • maar eeuwig leven heeft: het grootste onderscheid;
  • maar eeuwig leven heeft: het grootste bezit;
  • maar eeuwig leven heeft: de grootste zekerheid.

Ten eerste wordt er over God gesproken, niet over de Vader. God als zodanig had de wereld lief. Zijn liefde was gericht op mensen, maar we lezen dat Hij de wereld liefhad – het betekent de mensen van deze wereld. Het is een ongeëvenaard wonder dat de Almachtige God de wereld liefhad, de wereld die Hem haatte, die nooit iets van Hem wilde. God heeft deze wereld liefgehad. De Schrift zegt niet, dat Hij dat vandaag de dag nog steeds doet, maar Hij heeft de wereld liefgehad en bewees Zijn liefde voor de wereld door het geliefde Voorwerp van Zijn hart te geven. Een hoger bewijs van Zijn liefde kon Hij niet geven. Hij heeft alles gedaan om Zijn liefde aan verloren mensen te bewijzen en zij hebben Zijn Zoon aan het kruis genageld. Hij heeft Zijn liefde voor de wereld op zo’n manier tot uitdrukking gebracht, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven (2 Kor. 5:19). De grootheid van de liefde van God wordt getoond in de grootheid van Zijn Gave. Als we willen weten hoe groot de liefde van God is, moeten we kijken naar Hem, die Hij gaf (1 Joh. 4:9)! God kan deze liefde niet opnieuw tonen, dus kunnen we vandaag de dag niet zeggen, dat God de wereld liefheeft.

 

Vraag: Kunnen we zeggen dat God de zondaars liefheeft, maar de zonde haat?

Antwoord: Niet alle vragen kunnen met ja of nee worden beantwoord. God wendt zich tot individuen en gaat achter hen aan – wat is dat anders dan liefde? Maar God drukt Zichzelf niet zo uit, dat Hij de zondaar liefheeft, zelfs in dit vers lezen we dat God de wereld, de mensen van deze wereld, heeft liefgehad. In 1 Johannes 4 vers 9 wordt met terugwerkende kracht gesproken over gelovigen die de liefde van God hebben ervaren. In Romeinen 5 vers 8 wordt liefde direct gekoppeld aan zondaars, ook hier wordt het met terugwerkende kracht gezegd. Misschien kunnen we deze vraag zo beantwoorden door te zeggen, dat de liefde van God zich richt op mensen, en terugkijkend begrijpen we dat we in de toestand van zondaars waren. Terugkijkend kunnen we net als de apostel Paulus zeggen: “… de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Gal. 2:20). Maar omdat de zondaar gebonden is aan zijn zonde, is het wellicht beter om niet te zeggen, dat God zondaars liefheeft.

Onze gedachten worden in dit vers naar Genesis 22 geleid, waar Abraham zijn zoon Izak offerde. De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt, dat hij zijn eniggeborene offerde (Hebr. 11:17). Bij dit voorval vinden we voor het eerst liefde genoemd in het Woord van God (Gen. 22:2) – een model van de liefde van de Vader voor de Zoon. De tweede keer hebben we liefde in Genesis 24 vers 67 – de liefde van de zoon voor zijn bruid, naar het voorbeeld van de liefde van de Heer voor Zijn gemeente. Dit is een absoluut verheven vorm van liefde; liefde die werkt op basis van bestaande relaties. Dat God mensen liefhad toen ze Zijn vijanden waren is al geweldig, maar de liefde van de Heer voor Zijn gemeente gaat al onze verbeelding te boven.

Abraham had destijds ook nog een zoon, Ismaël, maar Izak was de zoon die hij het meest liefhad, met wie hij een bijzondere band had. God demonstreert dus Zijn liefde voor de wereld door Zijn eniggeboren Zoon te geven, Hem Die Hij liefhad, Die in een unieke relatie met Hem stond. Hij Die handelt is God, en Hij handelt in liefde, en Hij toont Zijn liefde in de gave van Zijn eniggeboren Zoon. In de gelijkenis van de landman wordt de zoon beschreven als de enige geliefde zoon (Mark. 12:6). En hoewel de leerstellige interpretatie van Jeremia 12 vers 7 anders is, wordt de taal die daar wordt gebruikt vaak toegepast op de gave van God in Zijn Zoon; Hij heeft het Voorwerp van de liefde van Zijn hart in de handen van Zijn vijanden gegeven. We kunnen de diepte van deze liefde nooit meten; we zullen haar tot in de eeuwigheid bewonderen en aanbidden.

Wanneer gaf God de eniggeboren Zoon? Wij mensen kunnen alleen denken in termen van tijd en ruimte, maar bij God is er geen tijd. De raad hiervoor was al aanwezig in de afgelopen eeuwigheid, toen het Lam de Heer Jezus was Die bekend was vóór de grondlegging van de wereld (1 Petr 1:20). In de eeuwigheid had God altijd dit feit voor Zich, dat Hij de Zoon eens in de volheid van de tijd zou zenden (Gal. 4:4).

God heeft de wereld liefgehad. Hij schiep de wereld door de Zoon, en de mensen hebben zich tegen Hem gekeerd, en toch heeft God de wereld liefgehad. Dit laat ons zien, dat Gods liefde geen externe oorzaak nodig heeft. Er was niet de minste aanleiding in de wereld voor God om enige blijk van liefde aan de mensen te geven. Twee keer wordt ons in het Woord van God verteld, dat God liefde is (1 Joh. 4:8+16), in tegenstelling tot de uitspraak dat God licht is, die we maar één keer vinden (1 Joh. 1:5). Wanneer iets twee keer in Gods Woord wordt gezegd, is de tweede keer altijd een duidelijke bevestiging van de betekenis van die uitspraak.

Deze liefde van God is tot aan het tijdstip van de gave van Zijn eniggeboren Zoon, slechts in stukjes zichtbaar gemaakt; maar nu wordt deze liefde, die altijd in het hart van God is geweest, in haar volle omvang zichtbaar. God openbaart in de gave van Hem, Die uniek is in Zijn relatie met Hem, wat altijd in Zijn hart is geweest. Deze gave omvat niet alleen de komst van de Heer Jezus naar deze aarde, maar ook het kruis van Golgotha. En het doel van dit geven is, dat mensen het eeuwige leven kunnen ontvangen. Maar dit vers laat ook voor het eerst zien, dat er iets nodig is van de kant van de mens om deze gave van God het doel bij hem persoonlijk te laten bereiken: geloof in de eniggeboren Zoon van God.

Als het gaat om de eniggeboren Zoon, dan komt een heerlijkheid van de Heer Jezus tot uitdrukking in Zijn Godheid; als het gaat om de gelijkluidende uitdrukking van de eerstgeboren Zoon, wordt een heerlijkheid voorgesteld in Zijn mensheid. Als het om het aardse volk gaat, kwam Christus tot het Zijne en werd verworpen en afgewezen; als het gaat om de redding van de hele wereld, kwam de Zoon des Mensen en werd Hij aan het kruis verhoogd; als het gaat om de liefde van God, die zich volledig los van de behoeften van de mens openbaart, kwam de eniggeboren Zoon.

Vers 15 en het tweede deel van vers 16 hebben dezelfde formulering, maar de inleiding tot deze herhaling is anders. Vers 14 als inleiding op vers 15 laat de noodzaak van de zijde van de mens zien, daarom hebben we daar ook dit ‘moet.’ Het eerste deel van vers 16 daarentegen toont ons de kant van God, Zijn liefde; daarom hebben we hier geen ‘moet,’ maar een tweeledig feit: God heeft liefgehad en God heeft de eniggeboren Zoon gegeven; het gaat om de motivatie van Zijn Eigen hart. Bij dit vers gaat het ook niet meer,  zoals bij de nieuwe geboorte om de behoefte die we hadden, maar over hoe God wat er Zijn hart is in geheel zijn volheid openbaart. Hij geeft niet alleen naar wat wij nodig hebben, maar Hij geeft naar wat Hij Zelf is. In het eerste deel van vers 16 vinden we de kant van de verzoening, in het tweede deel de kant van de plaatsvervanging.

In Deuteronomium 4 vers 37 lezen we voor het eerst in het Oude Testament over Gods liefde voor mensen; daar is het de liefde van God voor Zijn aardse volk (ook Deut. 33:3). Nicodémus was bekend met het feit, dat God Zijn aardse volk liefhad, maar dat Hij de hele wereld liefhad, moet een geheel nieuwe gedachte voor hem zijn geweest. Ook wij kunnen keer op keer onder de indruk komen van Gods liefde tot alle mensen en van de unieke manier waarop Hij deze liefde heeft geopenbaard!

Een gezonde verkondiging van het evangelie en ook een evenwichtig persoonlijk getuigenis aan ongelovige mensen kan niet alleen op vers 16 gebaseerd worden, maar de verzen 14 en 15 behoren zeker ook daartoe. Deze drie verzen laten de beide kanten zien van een solide evangelische bediening: aan de ene kant moeten de behoeften van de mens aangepakt worden, maar aan de andere kant moet ook de rijkdom van de liefde van God voorgesteld worden. Met beide moet rekening worden gehouden en voor de zielen worden gebracht.

Drie keer in deze verzen vinden we de woorden: wie in Hem gelooft (vs. 15,16+18). God heeft alles gedaan, maar het is aan ons om het ook aan te nemen (Rom. 3:22). We geloven in Hem, Die alles heeft gegeven, en we geloven in Hem Die alles heeft gedaan! “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave” (2 Kor. 9:15), die Hij ook voor mij gaf en aan het kruis tot zonde gemaakt heeft! Zijn we ook dankbaar, dat we dit in geloof mochten aannemen?

 

NOOT:
1. ‘Zo’ slaat op de grootte óf de aard van Gods liefde.

 

Achim Zöfelt, © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 14.06.2018. [Samenvatting van Bijbelconferentie]

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, FW