8 maanden geleden

Het boek Jozua (07) – Een kleine overdenking: bevrijding van toorn

Exodus 12 vers 13;  Jozua 3


“En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.”

Voordat we nadenken over de oversteek van de Jordaan, lijkt het goed om even stil te staan bij de beelden van het Pascha en de Rode Zee. We moeten niet vergeten, dat de doortocht van de Jordaan dicht op die van de Rode Zee zou zijn gevolgd, als Israëls ongeloof er niet was geweest. Dus de 40 jaar van woestijnzwerftocht was een invoeging van het ongeloof van Israël te midden van de raadsbesluiten van God. De drie beelden gebeurden op verschillende tijdstippen, maar ze wijzen allemaal op het ene werk van de Heer Jezus Christus, en moeten daarom samen worden beschouwd.

Bij het leren van de Goddelijke waarheid is het onmogelijk twee stappen tegelijk te zetten. Theorieën kunnen intellectueel worden beheerst, maar de ziel kan geen stap verder zetten in Gods richting, tenzij de Heilige Geest Die in ons woont haar daartoe in staat stelt. Zulke stappen zijn echte vorderingen, en God sterkt ons door Zijn Woord om verder te gaan in Zijn waarheden. En elke waarheid die we met God leren is een stap naar nieuwe kennis van God in Zijn Woord.

Israël bereikte Kanaän pas nadat zij de Jordaan waren overgestoken; en zij bereikten de Jordaan pas nadat zij de woestijn waren doorgetrokken; en zij gingen de woestijn pas binnen nadat zij de Rode Zee waren overgestoken; en zij staken de Rode Zee pas over nadat zij Egypte hadden verlaten. Stap voor stap leidde God hen verder.

We zullen deze stappen kort bekijken, te beginnen met die welke hen uit Egypte leidde.

Veel gelovigen zijn op dit moment wat hun ervaringen betreft in Egypte – dat wil zeggen, in de wereld als een huis van slavernij, verlangend naar verlossing, en om vrij te zijn in de geest. Zij zijn duidelijk niet ervaren in Kanaän, en vechten niet de strijd van God op het door Hem aangewezen strijdtoneel in de hemelse gewesten.

Het bericht van het land Kanaän, dat vloeide van melk en honing bereikte Israël in hun slavernij, in hun ketenen, toen zij lijfeigenen waren en niet dachten aan bevrijding, noch hadden zij ooit gedacht aan zichzelf als het leger van de Heer, dat de zeven volken zou overwinnen die het land Kanaän bezaten en groter en sterker waren dan zijzelf.

De Israëlieten waren slaven, en de genadevolle woorden van de Heer tot hen door Mozes en Aäron in hun ellende klonken hun als muziek in de oren. Zo is het ook met de nog heerlijker boodschap van eeuwige genade aan de zondaar die onder de druk van de slavernij ligt. Het evangelie is voor zo iemand een onvoorstelbaar mooie melodie van Goddelijke liefde. God heeft de zondaar lief, God kijkt vol barmhartigheid naar hem zoals hij is. Ja, “God bewijst Zijn liefde tot ons,” zelfs toen wij nog zondaars waren, zelfs toen wij nog slaven van Satan waren. De onuitsprekelijke goedheid van God, Die ons liefhad toen wij nog slaven waren van Satan en kinderen van de ijdelheid van deze wereld, en Zijn genade die tot onze wanhopige zielen sprak van zegen en rust, sporen de geest aan tot dankbare en verwonderde eerbied voor Zijn naam. Israël boog het hoofd en aanbad toen zij deze boodschap hoorden. En dat doen wij ook als we het goede nieuws van God voor ons horen.

Maar deze vreugde mag niet worden verward met de stille zekerheid van de verlossing, noch met het besef van absolute vrijheid in Christus van slavernij. Diepe droefheid volgt vaak op zulke vreugde. Satan is nooit bereid ook maar één van zijn slaven te laten gaan. Hij probeert hen met al zijn macht vast te houden, en de ervaring van zijn macht leidt tot ellende die als oceaangolven over de ziel rolt. Vaak wordt de macht van Satan zo sterk gevoeld, dat het de zondaar, wanneer nieuwe openbaringen van de genade van God aan hem worden voorgesteld, die nog heerlijker zijn dan die welke eerst uit de hemel tot hem kwamen, net zo gaat als Israël, toen zij “naar Mozes niet luisterden door hun moedeloosheid en om de harde slavenarbeid” (zie Ex. 6:9), in plaats van door het Woord getroost te worden.

Maar voor God leven en voor God strijden en toch een knecht in de geest zijn, is onmogelijk. Men kan niet tegelijkertijd een christelijke strijder zijn en de strijd van de Heer voeren en kreunen onder de last van geestelijke ketenen zonder te weten of men verlost is of niet. Mannen die zijn “gevangen in ellende en ijzer” (Ps. 107:10), strijden niet voor God. Voor deze strijd is geestelijke vrijheid nodig. De Goddelijke volgorde is eerst onze ketenen te verbreken en ons te bevrijden, en ons dan tot Zijn strijders te maken om de vijand te bestrijden en anderen te bevrijden.

Wij kunnen zelf niet ontsnappen aan de greep van de vijand, noch kunnen wij in eigen kracht vluchten uit de wereld waarvan hij de god is. God alleen kan redden, en Hij zal redden, want het is Zijn doel om te zegenen. Wat de ervaringen van Israël ook mogen zijn, de Heer heeft gezegd: “Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen” (Ex. 7:16). Geen macht in de hel of op aarde zal Zijn voornemen dwarsbomen.

Juist op het moment van de diepste moedeloosheid van het volk gaf de Heer Mozes en Aäron een bevel aan de kinderen van Israël en aan Farao, koning van Egypte (de realiteit van de macht van de onderdrukker werd door God erkend, niet minder de realiteit van Satans macht vandaag); en het bevel luidde: de kinderen van Israël uit het land Egypte te brengen (Ex. 6:12). En op welke manier moesten de slaven eruit gebracht worden? Als ontsnapte slaven? Nee, “naar hun legereenheden” (vs. 25), met alle waardigheid van het leger van de Heer.

Hoe leidde God Zijn volk dan eruit? Door het bloed van een geslacht lam. De slavernij van Israël werd beëindigd door bloed: door de dood werden zij bevrijd van de dood. De enige weg van God tot verlossing van de slavernij en het oordeel van deze wereld is door het bloed, dat Zijn Zoon aan het kruis vergoten heeft. Het einde van de mens in deze wereld is de dood: de dood van Christus is het begin van God voor Zijn volk. Het begin van Israël, hun nationale geboortedag, vond plaats in het land Egypte. God vindt in Zijn genade de zondaar en geeft hem vrijheid als hij nog in deze wereld is en van deze wereld en onder haar oordeel en onder haar heerschappij is. Als we nog van de wereld zijn en onder haar oordeel, worden we eruit getrokken, worden we verlost voor God.

God zei tegen Israël: “Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan.” De zekerheid van Israël was gebaseerd op wat God zag en zei. God keek niet naar het aantal personen, dat zich in het huis zou kunnen bevinden, maar Hij keek naar het bloed daarbuiten. God keek niet naar de toestand van de personen die door het bloed beschermd werden, maar naar het bloed dat hen beschermde. Elke leeftijdsgroep van eerstgeboren zonen werd beschermd door het bloed van het Lam, want zowel de volwassen man als de baby’s hadden het beschermende bloed even hard nodig, en allen waren even veilig onder de bescherming ervan.

De gezinnen aten van het op het vuur gebraden lam, maar het was niet het eten van het lam in hun huizen, maar het bloed aan de buitenkant van hun deuren, dat de engel aan hen deed voorbijgaan. Wij zijn niet verlost vanwege onze gemeenschap met Christus, maar omdat Christus voor ons gestorven is. Inderdaad, zij hadden niet van het lam kunnen eten als zij het niet voor zichzelf hadden geslacht; zo kan niemand gemeenschap hebben met de lijdende Christus, tenzij hij Hem eerst werkelijk en oprecht in zijn hart als Heiland aanneemt: “… tenzij u het vlees van de Zoon des mensen eet1 en Zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf” (Joh. 6:53). Het hele gezin, kind of vader van het gezin, heeft van het Lam gegeten; en iedereen, jong of oud, die Christus heeft ontvangen, is op gelijke wijze gezegend met de hoogste zegeningen, want de Heer Jezus zegt: “wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh. 6:56).

Zij aten het lam met ongezuurd brood en met bittere kruiden; maar God keek niet naar het ongezuurde brood of naar de bittere kruiden die zij aten toen de vernietiger die nacht door het land trok; God zag het bloed.

Heiligheid is passend voor de verloste ziel. “Want ook ons Pascha, Christus is geslacht; laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde [broden] van oprechtheid en waarheid” (1 Kor. 5:7-8). En als wij ons in ons hart voeden met Christus, Die voor ons het vuur van de Goddelijke toorn verdroeg, Die Zijn kostbaar bloed voor ons vergoot en Die voor ons stierf, dan kunnen wij niet anders dan de zuurdesem (het kwaad) uit ons huis bannen. Toch zijn wij niet verlost door onze heiligheid, maar door het bloed van Christus.

Wanneer de verloste zondaar denkt aan het lijden van de verlossing voor hem, kan hij niet anders dan zijn bittere kruiden eten, want onze zonden hebben Hem geslagen, onze ongerechtigheden zijn op Hem gelegd – ja, Hij droeg ons lijden en onze smarten, en de straf tot onze vrede was op Hem. Een diep, diep besef van wat onze zonden de Heer hebben gekost, moet altijd gepaard gaan met onze aandacht voor Zijn lijden voor ons. Toch zijn niet de bittere kruiden, maar Zijn bloed onze losprijs. Noch ons berouw, noch ons verdriet, maar Hijzelf is de prijs die betaald is voor onze verlossing.

Onze zekerheid hangt af van wat God in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid te zeggen heeft over het kostbare bloed van Christus. De Eeuwige, de Heilige is verheerlijkt ten opzichte van de zonde door de dood van Jezus. Het kostbare bloed van de Zoon heeft God eer en heerlijkheid gebracht. Hoe klein zijn wij, hoe armzalig zelfs onze gedachten over de eeuwige verlossing die Christus heeft bewerkt. God gaf Israël een teken: “het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft.” Het was een teken, dat zij niet konden zien, want het was buiten hun huizen. Daar was het voor God te zien, niet voor hen.Zij sloten de deuren en verlieten hun huizen niet tot de ochtend (vs. 22). De zoekende ziel zoekt een teken, en God presenteert Christus “als een genadetroon door <het> geloof, in Zijn bloed” (Rom. 3:24-25). Niemand kan dit bloed zien. Het is een onzichtbaar teken. Het ongeloof zoekt een teken in de toestand van de ziel, een ervaring van vreugde in het hart. Christus, ons Pascha, werd 2000 jaar geleden voor ons geofferd, en God zag toen het bloed, en vandaag verkondigt God aan iedereen die Zijn woord door geloof aanneemt: “als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan.”

De eerste stap van Israël in de vrijheid was na het Pascha. Pas toen gingen de deuren van hun huizen open. Ze liepen door hun met bloed besmeurde deuren uit de ketenen in de vrijheid. Boven elk hoofd en aan beide zijden van elke bevrijde persoon was het bloed, toen het volk de slavernij van Egypte voorgoed verliet.

Zij verlieten het land van slavernij; Kanaän lag voor hen; de slaven van de farao waren het leger van de Heer geworden.

 

NOOT:
1. In vers 53 staan ‘eet’ en ‘drinkt’ in de aoristus, zodat ze slaan op een feit dat eenmaal plaatsvindt; in vers 54 en 56-58 staan ze in het praesens, zodat ze daar slaan op gebeurtenissen die nog steeds voortduren.

 

H. Forbes Witherby; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 13.06.2013.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW