7 maanden geleden

Gouden appels in zilveren schalen (12)

Twaalfde dag

Tranen in Bethanië


“Toen Maria dan kwam waar Jezus was, zag zij Hem, viel aan Zijn voeten … Toen Jezus haar dan zag wenen en de Joden die met haar waren meegekomen, zag wenen, werd Hij verontwaardigd in de geest en ontroerd, … Jezus weende”
(Joh. 11:32-35).

Moet een christen  die rouwt zich voor zijn tranen schamen? Is het verkeerd voor gelovigen om te huilen bij het verlies van geliefden? Nooit, als wij, zoals Maria, wenen aan de voeten van Jezus. Onze Heer heeft een begripvol hart. Hij kent de diepten van ons verdriet beter dan onze dierbaarste vrienden. Als Hij onze tranen ziet komt Hij naar ons toe. En Zijn aanwezigheid is een grotere opluchting dan onze tranen.

De pijn van het menselijk hart is Hem bekend, hoewel Hij in de hoge is. Dit gold al van ouds. Toen Hizkia doodziek was, was Jehovah’s boodschap aan hem: “Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien” (2 Kon. 20:5). Het verdriet van de koning had de Heer en Zijn gezalfde bij elkaar gebracht, en het leven van Hizkia werd gespaard en zijn droefheid werd in liederen veranderd.

Maar het goddelijk medelijden met menselijk verdriet werd niet ten volle vertoond totdat de Zoon van God Zelf in deze wereld van tranen kwam. Nu hebben we in Hem de troostende kracht van goddelijke liefde gezien. Degenen die Zijn medelijden met de rouwenden zagen in de dagen van Zijn vlees, kunnen met de woorden van de profeet zeggen: “Voorwaar, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen” (Jes. 53:4).

Jakob, Jozua en Jeremia hebben nooit de openbaring van goddelijk medelijden gekend zoals die in Kapernaüm en Naïn en Bethanië werd gegeven. De godvruchtige en geduldige Job miste andere harten om zijn grote verdriet mee te delen, terwijl zijn oog zijn tranen tot God uitstortte, en zijn gezicht “rood van het huilen” was (Job 16:16,20).

Job ging zitten in de as, in stilte zich zeven dagen en zeven nachten overgevend aan zijn verdriet, terwijl zijn drie vrienden geen enkel woord van medelijden uitten. Bezwaard van hart had hij ook zijn eigen lippen verzegeld en werd zijn geest te gronde gericht (Job 17:1). In die droevige dagen wist de eenzame en zonder echte vrienden zijnde Job niets van de levende aanwezigheid van de Man van smarten, Die naar de rouwenden in Bethanië toekwam.

Maria zat alleen in huis in Bethanië, rouwend, overweldigd door verdriet, omdat het huis of huisgezin van Lazarus, dat de leidende aanwezigheid van haar geliefde broer had gekend, hem nooit meer zou kennen. Ze had zelf de steun en troost van haar geliefde broer verloren.

Maar behalve haar zusterlijke verdriet om Lazarus, was er een andere donkere schaduw op haar hart, als een wolk, die steeds donkerder werd naarmate dag na dag voorbijging en Jezus maar niet kwam. Waarom was haar gebed voor haar broer onbeantwoord? Ze stuurde een speciale boodschap naar de Meester. Waarom was Hij niet gekomen om het leven van Lazarus, Zijn “vriend” te behouden?

Verder zou een andere belangrijke overweging Maria’s verwarring en verdriet nog vergroten. Ze had geleerd dat Jezus de Gezondene was van God, de hoop van Israël. Was Hij als de lang beloofde Messias niet van plan Zijn koninkrijk te vestigen en glorieus te regeren in Sion?

Oh, waarom zou dan Lazarus, haar broer, waarvan zij wist dat Jezus hem liefhad (vs. 3), de prooi worden van de dood aan de vooravond van dat koninkrijk? Waarom zou hij, eerder dan anderen in Judea die minder godvruchtig waren, worden weggerukt van de komende vreugden van het leven onder de heerschappij van de lang beloofde Messias?

Waarlijk, een sterfgeval brengt zo velen vaak een duistere en raadselachtige gedachte in het piekerende hart, maar God zij dank, het brengt ook de Heer Zelf naar de rouwenden, zoals Hij kwam naar hen in Bethanië. Toen Maria de Heer zag, viel ze neer aan Zijn voeten in nederige verslagenheid en welkome opluchting.

Daar, waar ze eens zat Zijn woorden van waarheid en genade indronk, uit ze nu de klacht van haar ziel: “Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn” (vs. 32). In deze woorden lag een zekere waarheid, want zij geloofde dat de Heer macht had over de dood zelf; een klein misverstand, want ze had gedacht dat hij naar Bethanië moest komen om het leven van haar broer te behouden; ook een beetje onwetendheid, want ze wist niet dat de dood van Lazarus tot heerlijkheid van God was, en dat het een verrassing voor haar was om Lazarus uit het graf te zien komen.

Maar de Heer zag de tranen van Maria. Haar woorden van mild beklag accepteerde Hij net zoals ze werden geuit, en Hij maakte geen opmerking. Haar tranen ontroerden Hem echter en maakten Zijn innerlijke medelijden zichtbaar. Haar betraande ogen vertelden Hem over de diepten van haar verdriet veel meer dan alle woorden konden doen. Zelfs de joodse buren weenden ook, want snikken en tranen werken aanstekelijk.

Maar het verbazingwekkende wonder moest nog volgen. De gezegende en eeuwige Zoon van God sloot zich aan bij de wenenden. “Toen Jezus haar dan zag wenen, en de Joden  die met haar waren meegekomen, zag wenen … werd Hij verontwaardigd1 in de geest en ontroerd …. Jezus weende”2.

Hoe gezegend waren de tranen van Maria die de tranen van Jezus voortbrachten! Wat hebben we dit kortste en liefelijkste vers van alle lieflijke verzen van de Schrift lief: “Jezus weende2”. Tranen van zachtmoedig medelijden vertellen over de oneindige liefde van Zijn tedere hart, die ook belast was met de ontelbare smarten van een zuchtende wereld!

Hoewel Hij wist dat Maria binnen enkele momenten haar broer zou omhelzen die ze betreurde, vergoot Jezus toch “tranen” – tranen voor de rouwenden en tranen met de rouwenden, elke traan vertelde het verhaal van Zijn medelijden.

Kostbare gedenksteen van goddelijk medelijden opgericht in Bethanië voor de droevige jaren die nog zouden volgen! Tegenwoordig begraven talloze verdrietige mensen hun gestorven geliefden uit het zicht. Voor hen allen in hun droefheid, wisten zij het maar, “weende Jezus”.

Maar meer nog: diezelfde Jezus, de Zoon van God, wordt nog steeds “geraakt door medelijden met onze zwakheden”. Zodat we, terwijl we in Zijn onveranderlijke liefde geloven, getroost worden door de herinnering aan Zijn tranen in Bethanië en door de verzekering van zijn huidig medelijden van de troon hierboven. We herinneren ons ook Zijn belofte: “Ik zal u geen wezen laten blijven. Ik kom tot u” (Joh. 14:18). En wanneer Hij in het hart komt, kennen we Zijn medelijden en priesterliefde, en de troosteloze plaatsen van de ziel worden verkwikt door Zijn omringende aanwezigheid.

We know Him, as we could not know
Through heaven’s golden years;
We there shall see His glorious face,
But Mary saw His tears.

The touch that heals the broken heart
Is never felt above;
His angels know His blessedness,
His way-worn saints His love.

When in the glory and the rest
We joyfully adore,
Remembering the desert way
We yet shall praise Him more.3

NOTEN:
1. Zo ook in Mark. 14:5; in Matth. 9:30 en Mark. 1:43 vertaald door ‘streng verbieden’; eigenlijk het voelen óf uiten van krachtige afkeuring.
2. Eigenlijk ‘Jezus vergoot tranen’.
3. Voor hen die de Engelse taal beheersen een lied/gedicht. Het is nogal moeilijk om dit in het Nederlands begrijpelijk over te brengen, vandaar deze keus om het in het Engels te laten.

 

SLOT.

W.J. Hocking

Tweede druk, C.A. Hammond, 1945.
Bewerkt uit het Engels.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW