11 minuten geleden

Een korte studie over de komst van de Heer (4)

kommendesherrn.jpg


Het wachten op de Heer

 

 

Het is niet voldoende om de profetieën over de wederkomst van de Heer min of meer goed te kennen. Bovenal moet deze waarheid een praktische uitwerking hebben op ons hart en ons leven.

Waar wachten we op, waar hopen we op? De Opname, de glorie, het Koninkrijk? Nee, we wachten niet op een gebeurtenis, maar op een Persoon. Zoals een moeder die naar de haven gaat om haar zoon op te halen, die terugkeert van een lange militaire expeditie, die zich niet druk zal maken om de festiviteiten die de troepen te wachten staan, maar alleen verlangt haar zoon weer te zien en hem in haar armen te kunnen sluiten.

De Persoon die wij verwachten, is Iemand die we steeds beter moeten leren kennen. Eén van onze vooraanstaande broeders verwoordde het als volgt in een gedicht: “Aan het einde van de lange reis door de woestijn zult u eindelijk de rust ingaan, en het zal geen vreemdeling zijn die u ontvangt, maar een Vriend die u al lang kent.”

We kunnen de Persoon van Jezus Christus het beste leren kennen door het Woord van God; niet zoals wij Hem ons voorstellen, maar zoals het Woord van God Hem openbaart. In de evangeliën zien we Hem van plaats tot plaats reizen, bewogen door medelijden, verlaten, dorstig, en aan de andere kant wordt Zijn Goddelijke heerlijkheid en macht ontvouwd. In de oudtestamentische typen van Christus leren we verschillende aspecten van Zijn Persoon en Zijn offer kennen. In de Psalmen vinden we de gevoelens, die Zijn ziel bewogen. De brieven onthullen meer de resultaten van Zijn werk; evenzo leren we veel over Zijn Persoon. Openbaring geeft ons inzicht in Zijn heerlijkheid. Als we de Heilige Schrift onderzoeken, en dat op elke bladzijde doen, zullen we Christus leren kennen.

Maar aan de andere kant is er ook een andere manier om de Heer te leren kennen: een persoonlijke ontmoeting door oprecht, dagelijks contact met Hem. Op onze geloofsweg, en vooral in moeilijke tijden, ervaren we Zijn liefde, Zijn zorg, Zijn kracht en Zijn genade. We ervaren deze ook in vreugdevolle dagen, die we ontvangen uit Gods hand, uit wat Hij ons in overvloed wil geven. Genieten met Hem van wat Hij op onze weg plaatst, is ware vreugde. Een vreugde, die we niet uit de hand van de Vader kunnen ontvangen en die we niet met de Heer kunnen delen, is geen ware vreugde.

En dit is de Persoon op wie we “vandaag” wachten. Men moet dus op twee manieren klaarstaan:

  1. Allereerst moet iemand gered zijn; men moet olie in de lampen hebben, zoals de gelijkenis van de tien maagden (Matth. 25) laat zien. Men kan niet pas, wanneer de bruidegom komt heengaan om olie voor zichzelf te kopen.
  2. Ten tweede moet men bereid zijn Hem te dienen en te getuigen. De gelijkenis van de talenten illustreert dit: men moest tijdens de lange afwezigheid van de Heer gewerkt hebben, zodat zijn talenten vrucht konden dragen en zodat men uiteindelijk twee keer zoveel kon krijgen als het bedrag, dat aan hen was toevertrouwd.

Paulus was bereid om de Heer te ontmoeten toen hij zei: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd … Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven” (2 Tim. 4:7-8). Zullen wij met lege handen naar Hem toe gaan, zonder Hem gediend te hebben – hoe gering dat ook moge zijn – met dat, wat Hij ons heeft toevertrouwd?

Vooral in de gelijkenissen vinden we veel praktische richtlijnen en aanwijzingen over hoe we ons moeten gedragen tijdens de afwezigheid van de Heer Jezus. Het is nu de tijd van Zijn afwezigheid, de nacht, of die nu dichtbij of ver weg is, waarvan de gelijkenissen getuigen.

In Markus 13 vers 34 is de reis van de heer eerder kort, want hij arriveert de volgende nacht zonder de deurwachter van tevoren te laten weten of dat om middernacht, bij het kraaien van de haan of in de ochtend zal zijn. De barmhartige Samaritaan geeft de herbergier twee penningen om voor de gewonde man te zorgen: twee penningen symboliseren, dat hij spoedig zal terugkeren, ook al zegt hij tegen hem: “… en wat u meer ten koste mocht leggen, zal ik u vergoeden wanneer ik terugkom” (Luk. 10:35).

Andere gelijkenissen tonen een langere afwezigheid. In Mattheüs 25 vers 5 staat: “Toen nu de bruidegom uitbleef,” en in de gelijkenis van de talenten komt de heer na lange tijd (Matth. 25:19) terug om de rekening met zijn slaven te vereffenen. Niemand zal zich kunnen verdedigen door te zeggen, dat de tijd die de Heer hem gaf om zijn taak te volbrengen te kort was.

Tijdens de afwezigheid van de Heer is het daarom belangrijk om te arbeiden; de gelijkenissen van de talenten en de ponden wijzen hierop. Maar het is ook belangrijk om vrucht te dragen tijdens de afwezigheid van de Heer. De één droeg dertigvoudig, de ander zestigvoudig en de derde honderdvoudig. Het gezaaide zaad draagt ​​vrucht terwijl de Heer afwezig is: eerst de halm, dan de aar en later de het volle koren in de aar (Mark. 4:27-28).

Wat voor graan zullen we oogsten? Lege aren, halfvolle, of de “volle koren in de aren”? Johannes 15 spreekt over “vrucht dragen,” “meer vrucht dragen” of “veel vrucht dragen.” Vrucht dragen betekent niet per se de Heer dienen. Galaten 5 vers 22 zegt, dat de vrucht van de Geest “liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing” is. Vrucht dragen met iemands talenten of vaardigheden daarentegen duidt op een meer specifieke dienst voor de Heer.

De derde dienaar in Mattheüs 25 wordt niet veroordeeld omdat hij iets verkeerds heeft gedaan, maar omdat hij niets heeft gedaan. De dwaze maagden zijn verloren omdat ze verzuimden hun lampen met voldoende olie te vullen. En de ‘bokken’ aan het einde van het hoofdstuk worden ook veroordeeld omdat ze geen zorg droegen voor hen die de Heer dienden.

Numeri 32 vers 23 zegt: “Uw zonde u zal vinden” – geen specifieke zonde, maar het feit, dat zij niet deelnamen aan de strijd om Kanaän te veroveren.

In Mattheüs 22 en Lukas 14, in de gelijkenis van het grote feestmaal, lezen we dat de dienaren van de Heer herhaaldelijk werden uitgezonden om mensen uit te nodigen voor het grote feestmaal. In elke sociale kring, in alle klassen, op elke plek, moest de uitnodiging van de koning voor de bruiloft van zijn zoon, ondanks de weigeringen, steeds opnieuw worden doorgegeven. Pas toen de zaal vol was, verscheen de koning.

Maar deze uitnodiging moet ook worden aanvaard, en zodra men die aanvaard heeft, neemt men plaats aan tafel (Luk. 14:7-11). Welke morele plaats nemen wij in onder onze broeders? De Heer zag hoe zij “de eerste plaatsen uitkozen.” Stel je bijvoorbeeld een lange tafel voor. Helemaal rechts is de plaats van de gastheer, degene die de uitnodiging heeft gedaan. Hij zal komen en zijn plaats innemen, maar pas als alle plaatsen bezet zijn. Terwijl ze op de gastheer wachten, neemt iedereen de plaats in die hij of zij geschikt acht: sommigen gaan helemaal rechtsboven zitten, anderen – in de veronderstelling dat ze niet bediend willen worden – nemen onderdanig plaats helemaal linksonder. Dan, wanneer alle plaatsen bezet zijn, komt de gastheer; maar in plaats van helemaal bovenin te gaan zitten, waar de gasten zijn plaats verwachtten, gaat hij aan de andere kant zitten, links, bij degenen die nederig waren en niet bediend wilden worden, maar die net als hij wilden dienen. Niemand zal kunnen klagen, want iedereen nam de plaats in die hij of zij zelf had uitgekozen. Deze gelijkenis zegt: “Wanneer u wordt genodigd, ga dan op de laatste plaats aanliggen, opdat, wanneer hij komt die u heeft genodigd, hij tot u zegt: Vriend, kom hoger op” (Luk. 14:10).

Maar waar is de plaats waar de Heer de Zijnen verzamelt vóór de dag der heerlijkheid aanbreekt; waar moeten wij die plaats innemen? In die zin spreekt de gelijkenis in Lukas 10 vers 34-35 over de herberg waar de Samaritaan de gewonde man, die hij onderweg op zijn rijdier had verzorgd en verbonden, naartoe bracht. In de herberg is alles gereed om voor hem te zorgen; de redder heeft de nodige middelen verschaft en de herbergier is aanwezig. Ze wachten op de terugkeer van de Samaritaan, maar ze moeten daar samen blijven. Als de gewonde man zou vertrekken, zou hij alle middelen verliezen die zijn redder voor zijn genezing had voorbereid. De herberg is een beeld van de samenkomst van gelovigen, pelgrims en vreemdelingen op deze aarde. We willen “onze eigen bijeenkomst” (Hebr. 10:25) leren waarderen en te profiteren van de “zorg” van de Heilige Geest, van de hemelse Waard, die Hij aan de verzamelde zielen schenkt.

Op een dag zal de Heer terugkeren; maar laten we tot die tijd samen in de herberg blijven. Terwijl we op de Heer wachten, is het belangrijk waakzaam te blijven, want Zijn komst zal plotseling zijn. Veel gelijkenissen herhalen dit (Mark. 13:34-37; Luk. 12:35-38; Matth. 24:42-51; 1 Thess. 5:4-8). De trouwe slaaf blijft wakker tijdens de afwezigheid van zijn heer; hij zorgt voor eten voor degenen die in het huis van zijn heer verblijven, en hij doet dat op de “juiste tijd.” De “boze slaaf” daarentegen zegt in zijn hart: “Mijn heer blijft uit” (Matth. 24:48), en valt in slaap; hij begint zijn mededienaren te slaan, hij maakt ruzie met zijn broeders en vindt daar redenen voor; of hij “eet en drinkt met de dronkaards”: hij wordt aangetrokken tot de “wereld” en vindt daar zelfs zijn vreugde in. Hoe gemakkelijk kiest men zo’n pad zonder na te denken waar het naartoe leidt: “Een beetje slapen, een beetje sluimeren, een beetje liggen met gevouwen handen! Zo komt uw armoede over u als een wandelaar en uw gebrek als een gewapend man” (Spr. 6:10-11). Aanvankelijk enigszins aarzelend waagt men zich een beetje in de “wereld,” en geleidelijk aan sluit men vriendschappen, men verbindt zich en vindt daarin plezier.

En bovenal moet het licht branden gedurende de nacht van zijn afwezigheid. De brandende lamp mag niet onder een korenmaat verborgen worden, maar moet op de standaard staan, zodat “zij schijnt voor allen die in het huis zijn” (Matth. 5:15), “opdat zij die binnenkomen het licht zien” (Luk. 11:33). Wanneer een jongeman of een jong meisje tot de Heer is geleid, hetzij in het gezin of in de gemeente, dan is er licht voor degenen die in huis zijn; de bewoners zullen het verschil merken; en evenzo zullen degenen die het gezin bezoeken het licht zien schijnen in de bekeerling. Hoe belangrijk is het, dat dit licht schijnt in de kinderen van God, dat niets in hun leven een belemmering vormt voor hun medemensen, die misschien al van de Heer hebben gehoord. Het licht moet schijnen in de kinderen van God, zodat hun medemensen door het licht aangetrokken worden en ook het huis binnengaan als geredden.

Als er licht is in gezinnen, zal er ook licht zijn in de gemeente (gemeenschap): “… een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn” (Matth. 5:14). We hebben allemaal ’s nachts de lichten van steden en dorpen op een berg gezien. Maar we zouden niets gezien hebben als er niet in elk gezin een licht had gebrand. We zijn “uit de duisternis geroepen tot Zijn wonderbaar licht” (zie 1 Petr. 2:9).

“… omdat wij de tijd kennen, dat [het] uur voor u al [daar] is om uit [de] slaap te ontwaken; want de behoudenis is ons nu nader dan toen wij tot geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd en de dag is nabij. Laten wij dan … de wapens van het licht aandoen … en wijdt geen zorg aan het vlees om [aan] de begeerten [te voldoen]” (Rom. 13:11-14).

In de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester in Lukas 16 leren we hoe we moeten omgaan met “onrechtvaardige mammon,” [1] dat wil zeggen de materiële bezittingen die ons in meer of mindere mate zijn toevertrouwd: gezondheid, tijd, geld. Deze gelijkenis verwijst niet naar geestelijke rijkdom, maar naar onrechtvaardige rijkdom (mammon), die wordt omschreven als “het minste”, “dat van een ander.” In tegenstelling daarmee worden de geestelijke rijkdommen, het ware deel van de gelovigen, genoemd: “het ware,” “het uwe.” Onrechtvaardige rijkdom behoort ons niet toe; het is ons toevertrouwd alsof het een zakelijke transactie betreft. Het is belangrijk om het te beheren voor de Meester en het te gebruiken ten bate van Zijn volk: “… maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon.” Er zal een beloning zijn wanneer we “in de eeuwige tenten worden ontvangen.” Er wordt vaak gezegd: Men herkent een jongeman die de Heer liefheeft aan hoe hij met zijn vrije tijd en geld omgaat!

Al onze tijd en alles wat we bezitten behoort de Heer toe, en we hebben de verantwoordelijkheid om het voor Hem te gebruiken. In de praktijk hebben we het grootste deel van onze tijd nodig voor werk en het geld, dat we verdienen voor de noodzakelijke levensbehoeften. We moeten leren hoeveel tijd en geld we hieraan moeten besteden. Maar nog belangrijker is hoeveel tijd en geld er voor onszelf overblijft. Hoe weinig het ook mag zijn, het is het deel waarmee we “vrienden maken.” Het principe voor christenen is niet langer de tiende zoals in de Joodse wet, maar de vreugde van het geven aan de Heer van wat Hij ons heeft toevertrouwd. “Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief” (2 Kor. 9:7).

Openbaring 3 vers 11 geeft een essentiële vermaning voor de tijd van de afwezigheid van de Heer: “Ik kom spoedig, houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt!” De brief aan Philadelphia gaat in de eerste plaats over het vasthouden aan het Woord, de naam van de Heer. Maar deze uitdrukking “houd wat u hebt” omvat het hele leven van de gelovige: in staat zijn om “nee” te zeggen tegen de verleidingen van de wereld en het vlees, zoals Daniël (Dan.1:8); weten hoe “ieder van u zijn eigen vat weet te bezitten in heiligheid en eerbaarheid” (1 Thess. 4:4); of, indien nodig, vluchten zoals Jozef in Genesis 39 vers 10-12. Vasthouden betekent niet zich laten gaan!

Ten slotte is het een feit, dat de Heer grote vreugde schenkt aan het dienen van Hem en het vervullen van Zijn bijzondere hartenwens “totdat Hij komt”: “Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt” (1 Kor. 11:26).

Ondanks het verval van de gemeente, ondanks de vele verdeeldheid onder gelovigen, ondanks zoveel zwakheden en droevige omstandigheden die we om ons heen zien, kunnen en moeten we, ter wille van de werken van de Heer Jezus en omdat Hij het waard is om in herinnering te worden gehouden tot Zijn wederkomst, Zijn dood verkondigen door deel te nemen aan het avondmaal. Vaak worden we ontmoedigd door wat we in anderen zien of in ons eigen hart ontdekken. Maar we gedenken Hem niet omwille van anderen, maar vanwege Hem; en we zullen nooit waardig zijn om deel te nemen aan deze herdenkingsmaaltijd van de dood van onze Heer. Gods Woord zegt: “Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker” (1 Kor. 11:28), wat betekent, dat we de Heer de fouten moeten belijden die ons geweten openbaart. Het is essentieel om onszelf te onderzoeken en te oordelen. Het gaat er echter niet om weg te blijven van de maaltijd omdat men zichzelf onwaardig acht, of om deel te nemen omdat men zichzelf waardig acht (wat nog veel erger zou zijn!).

Maar wij zijn geroepen om van het brood te eten en van de drinkbeker te drinken: “… en zo eten van het brood,” dat wil zeggen ter herinnering aan Zijn oneindige genade en aan het volmaakte verlossingswerk, dat volkomen voldoende is om al onze fouten, alles wat we zijn en wat we niet zijn, te bedekken. We eten het brood en drinken de beker ter nagedachtenis aan Hem, dat alleen Hij het waard is om Hem te gedenken en Zijn dood te verkondigen. Als Hij komt, kunnen wij niet langer aan deze gedachtenis-maaltijd deelnemen. Het bruiloftsmaal van het Lam zal in de hemel plaatsvinden. Maar hier beneden, tijdens de nacht van Zijn afwezigheid, kunnen we Zijn dood tijdens het avondmaal verkondigen, veel beter dan met woorden – “tot Zijn gedachtenis” totdat Hij komt.

 

NOOT:
1. Een Aramees woord voor ‘rijkdom, geld’; hier als persoon voorgesteld.

George André; © www.soundwords.de

Online in het Duits sinds: 10.08.2014; geactualiseerd: 28.05.2024
Originele titel: “Courte étude sur la venue du Seigneur (4)”
Bron: www.bible-notes.org

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW