3 maanden geleden

Dood, opstanding en heerlijkheid

Psalm 22, 23 en 24

Psalm 22

Onze Heer was helemaal alleen in de dood; dat is wat we zien in Psalm 22. Er was niemand bij Hem, niemand om Hem te bemoedigen, niemand om Hem te ondersteunen, niemand die de grootheid van Zijn toewijding en offer heeft aangevoeld. En het vreselijkste: God Zelf, Zijn God, wendde Zijn aangezicht van Hem af en liet Hem geheel alleen.

In vers 22 verandert het tafereel volledig: het moment is aangebroken waarop Hij voelt dat Hij bevrijd is van de hoorns van de wilde ossen en Hij is niet langer alleen. Nu wordt Hij omringd door degenen die door Hem verlost zijn. Nu heeft Hij een leger van bevrijde mensen rondom Zich, die met Hem deze bevrijding roemen. Hij verkondigt aan Zijn broeders de Naam van God. Hij was alleen, en nu heeft Hij broeders, een gemeente om Zich heen om Zijn bevrijding te prijzen. Hij toont Zich daar, zoals we Hem in Ezechiël 34 zien, als de ene Herder die een geweldige kudde om Zich heen verzamelt, als vrucht van het werk dat Hij aan het kruis volbracht heeft. Hij is door de opstanding bevrijd en als Opgestane uit de dood heeft Hij deze gemeente gevormd, die Hij eeuwig rondom en bij Zich hebben wil, om haar eeuwig Middelpunt te zijn.

Waar is deze gemeente? Wat is zij geworden? In Ezechiël 34 zien we in beeld wat mensen er van hebben gemaakt en welk oordeel zij tegemoet gaan, omdat zij de gemeente van Christus verstrooid hebben. Maar Hij zal Zijn doel realiseren. En wij, de Zijnen, zo zwak, zo geïsoleerd, zo verspreid in de wereld, in plaats van allen rondom Hem verzameld te zijn, wachten we op dit ogenblik waarop Hij wordt gewaardeerd en geprezen zoals Hij waardig is? Dan zullen zijn “broeders” hun mond openen om Hem te prijzen, om de grootheid van Zijn werk en de onmetelijkheid van Zijn liefde te verheffen.

Psalm 23

Wat vinden we in Psalm 23? Men neemt deze psalm vaak en terecht als een volledig beeld van de hele christelijke loopbaan, van het begin tot het einde, totdat we in het Huis van de Vader zijn. Maar we hebben hier iets veel kostbaarders: we zijn door de genade van de Heer op de meest intieme wijze met Hem, de Herder, verbonden. Hij heeft het pad van Zijn schapen gevolgd, heeft Zich gedurende de tijd van Zijn leven hier op aarde naar plaatsen begeven, waar Hij het kon leiden en rust kon geven. Hij weet wat rust is, Hij weet wat verkwikking van de ziel is en welke de paden van gerechtigheid zijn, waarin Hij de Zijnen leiden wil.

Hij weet ook wat het dal van de schaduw van de dood is. Het is verkeerd om de doodsschaduw met de dood te identificeren. Wanneer de dood komt, is het geen schaduw voor ons. De schaduw van de dood is slechts een beschrijving van deze wereld, waar we doorheen gaan: een donker dal waar we met elke stap de duisternis ervaren, die zijn schaduw op ons pad werpt. Onze Heer heeft diep gevoeld wat het dal van de schaduw van de dood is; gedurende Zijn hele leven, bij elke stap die Hij deed, zag Hij deze schaduw. Hij was hier, ging er doorheen en nam er kennis van, opdat, wanneer Hij ons als Herder daarin te leiden had, wij volledig gerustgesteld konden worden. Hij weet ons onder Zijn staf te houden, onder Zijn bescherming en weet ons het bewustzijn te geven, dat Hij bij elke stap die we nemen betrokken is, dat Hij ons nooit in de steek laat en ons geen ogenblik verlaat.

Maar er zijn ook vijanden, want de wereld is een vijand van hen die Christus toebehoren. De Herder maakt een tafel voor ons gereed in de ogen van een leger van vijanden, die zich voor ons legeren. En de vijanden kunnen geen stap dichterbij komen dan de Heer toelaat.

Dus het schaap dat de Herder navolgt heeft vreugde, rust, voedsel, veiligheid en is vol lof. Laat het ons niet gebeuren dat, al is het ook maar voor een moment, er een afstand ontstaat tussen de Herder en ons. Hij trekt Zich nooit terug en Hij wil niet dat wij van Hem weggaan. Hij laat ons ervaren: de Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets. In onze wandel en in ons getuigenis op aarde, verenigt Hij Zichzelf met ons. Al voor de duur van ons leven hier op aarde is onze woning bij Hem, als een voorsmaak van de eeuwigheid, waar we van Zijn tegenwoordigheid in de hemel genieten.

Psalm 24

En waarvan spreekt Psalm 24? Daar zijn we bij Hem Die in de uren van duisternis alleen was. Maar Hij wil dat wij in het licht, in de heerlijkheid, met Hem verenigd zijn, wanneer de poorten hun hoofden opheffen, wanneer er geen poorten zijn die hoog genoeg zijn voor de heerlijkheid en grootheid van Degene die ons leidt. Wij zullen bij Hem zijn, Hij zal Zich met ons verenigen in deze heerlijkheid: als Hij, de Koning der heerlijkheid, regeert, zullen ook wij met Hem regeren.

Henri Rossier; © www.haltefest.ch

Jaargang: 1981 – bladzijde: 292.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW