3 jaar geleden

Psalm 126:5 – “Die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien”.

Een jong meisje was helemaal blind. In de kinderjaren deed zich een oogziekte voor dat steeds erger werd. Nu was ze volkomen hulpeloos. Hoe goed dat ze nog een liefdevolle trouwe moeder had. Deze zorgde aandoenlijk voor haar kind. Evenwel werd de moeder erg ziek. De dokter had geen hoop. Na enige tijd stierf de moeder. Het meisje was ontroostbaar en huilde zonder ophouden. Bij de begrafenis kreeg zij een huilbui en werd bewusteloos. Toen ze weer bijkwam kon ze weer zien. Ondanks het verdriet om haar geliefde moeder was haar vreugde groot. Zij had haar ogenlicht weer teruggekregen.

De doktoren schreven haar genezing toe aan de vele tranen die ze geweend had.

Door tranen ziende geworden. Is het ook niet vaak zo in het menselijk leven? Worden niet vele mensen eerst door leed en tranen ziende?

Hoeveel leed, tranen en tegenspoed moet God vaak zenden om mensen tot bekering te leiden? Ja, wanneer dan de ziel geen uitweg meer ziet, wanneer de innerlijke nood zo groot is vanwege de zonde, dan vloeien de tranen van berouw. Nadat de schuld beleden is, breekt ook door het geloof in de Gekruisigde het licht door. Het hart wordt vervuld met de vrede van God. Het bezit nu eeuwig leven. Het is uit de duisternis in Zijn wonderbare licht gebracht (1 Petrus 2:9).

Hoeveel tranen worden ook door kinderen van God geweend. De wereld is een tranendal. Maar de ogen welke in tegenspoed bittere tranen weenden, zien de liefde van de Heer en Zijn heerlijkheid in stralende glans.

Kommertranen, wenen in de nacht,
schitteren, als de morgen verschijnt,
dan als vreugdeparels in het licht
voor des Heilands aangezicht.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol