3 weken geleden

De zonen van Korach (1)

Numeri 26 vers 9-11:
9. De zonen van Eliab nu waren Nemuel, Dathan en Abiram. Deze Dathan en Abiram waren afgevaardigden van de gemeenschap, die tegen Mozes en tegen Aäron in opstand waren gekomen, samen met de aanhang van Korach, toen die tegen de HEERE in opstand gekomen was.
10. Maar de aarde had haar mond geopend en hen samen met Korach verzwolgen, toen zijn aanhang stierf, doordat het vuur tweehonderdvijftig mannen verteerd had. Zo waren zij tot een teken geworden.
11. Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.

 

1. Voorwerpen en getuigen van genade

“Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven” toen de aarde haar mond opende om hun vader en Dathan en Abiram te verslinden, en toen het vuur de 250 mannen verteerde “die tegen de HEERE in opstand gekomen waren” (zie Num. 26:9-11).

Korach, die er niet tevreden mee was een leviet en van de familie van Kahath te zijn, wiens rol in het heiligdom bijzonder kostbaar was, had Aäron benijd. In zijn hoogmoed zocht hij ook naar het priesterschap, een eer die niemand uit zichzelf neemt, “maar wordt door God geroepen, evenals ook Aäron” (Hebr. 5:4). Hij had ook leiders van Ruben opgeruid – dat wil zeggen, degenen die tot de stam behoorden die het geboorterecht naar het vlees konden doen gelden – om met hen tegen Mozes op te staan ​​en een aandeel in de leiding van het volk op te eisen. Deze “tegenspreking van Korach” (Judas vers 11), deze rebellie tegen degenen die de HEER heeft aangesteld, is de weerstand van het menselijk hart tegen God en tegen Zijn Christus, die ten allen tijde bestaat. De afval die voor onze ogen wordt voorbereid, zal deze tegenspraak tot een hoogtepunt voeren, wanneer de Antichrist “zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is” (2 Thess. 2:3,4). De vreselijke straf die ooit op Korach en de zijnen viel, is een beeld van het oordeel, dat de Antichrist en degenen die hem zullen volgen zal treffen. Zij zijn “een teken” geworden en blijven dat ook.

Hadden de zonen van Korach de daden van hun vader goedgekeurd? Of waren ze weggebleven van zijn tegenspraak? Hadden ze zich op het laatste moment met anderen teruggetrokken (Num. 16:27)? Zijn ze uit pure barmhartigheid gespaard? – Over dit alles wordt ons niets verteld. Maar het is een feit, dat ze voorwerpen van genade waren van dezelfde God, Wiens gerechtigheid hun vader sloeg. Degene die tegen Mozes zei, dat Hij “de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht”, toonde ook aan dat Hij de barmhartige en genadige God was (Ex. 34:6,7). Zelfs in de meest angstaanjagende scènes van Zijn oordelen – die overigens pas komen na enkele waarschuwingen, die Hij in Zijn lankmoedigheid geeft – getuigen degenen die ontkomen zijn van de barmhartigheid die triomfeert over het oordeel (Jak. 2:13). Dat is zo sinds de zondeval, bij de zondvloed, bij het oordeel over Sodom, en ook bij het gehele verloop van Gods wegen tegenover Zijn volk. Hij heeft hem altijd een overblijfsel nagelaten (zie Jes. 1:9), want er is een “overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade” (Rom. 11:5). Het toekomstige overblijfsel zal de kern zijn van de duizendjarige zegen. En wat zijn de christenen in een schuldige wereld die het oordeel tegemoet gaat? Wat is het getuigenis van Filadelfia temidden van het afvallige christendom? Er is dus altijd een overblijfsel dat in genade wordt gespaard tot eer van God. We weten, dat dit alleen zo kan zijn omdat de gerechtigheid van God is bevredigd door het werk van Christus: het is aan het kruis waar de genade van God op de meest wonderbaarlijke manier zich tegenover het oordeel verheft.

De nakomelingen van Korach waren zich er terdege van bewust, dat ze door genade aan de toorn ontkomen waren. Zo moeten ook wij, die kinderen van de toorn waren ons ervan bewust blijven dat we “vaten van de barmhartigheid” zijn (Rom. 9:23) en laten we niet uit het oog verliezen, dat we van Adam af in ons altijd de kiem van tegenspraak dragen.

Wat de Schrift over de nakomelingen van Korach vermeldt, toont de vrucht van genade in de volgende geslachten, maar het wijst ook op bepaalde inconsequenties. Enkele fragmenten van hun geschiedenis zijn tot aan hun gevangenschap in Babylon te vinden: twee of drie passages in het eerste boek van de Kronieken, samen met de psalmen die uitdrukkelijk aan de “zonen van Korach” toegeschreven worden.

2. Verschillende geslachten in dienst van het huis van God

De zonen van Korach zijn ware, aan het heiligdom toegewijde Levieten gebleven. Ze vervielen niet in de verwerpelijke eerzucht van hun voorouders. Ze worden in zoverre gezegend, als ze waardering hebben voor de gewoonlijk bescheiden plaats, die hun door genade gegeven was. Sommigen verwierven zich “een prachtige positie” van trouwe dienaren en zijn doorgegroeid naar bepaalde ambten.

1. Bewaker van de ingang

Uit 1 Kronieken 9 vers 19 en 20 leren we, dat de zonen van Korach vanaf de eerste generatie, aan het einde van de reis in de woestijn en ongetwijfeld ook in de eerste dagen van Israël in het land Kanaän, “in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang” geweest waren, en dat Pinehas, de zoon van Eleazar, “de verantwoordelijke leider van hen was.” Deze schijnbaar bescheiden dienst had in werkelijkheid de grootste betekenis; het bewaken van de uitgangen van het kamp van de Levieten rondom de tabernakel, was een taak van vertrouwen (zie Num. 1:53). Hun onderwerping aan Pinehas, de priester, een kleinzoon van die Aäron, die hun vader wilde verdrijven, wordt bijzonder benadrukt: het getuigt van hun onderwerping aan de Heer zelf, want Pinehas had laten zien, dat hij een ijverige verdediger van Zijn rechten was, zodat “de HEERE met hem was”.

2. Samuël en zijn nakomelingen

Ongeveer drie eeuwen later, toen het in Kanaän gevestigde volk in de verwarring van de tijden van de richters gevallen was, en het priesterdom gebrekkig en krachteloos bleek te zijn, heeft de Heer zich in één van de nakomelingen van Korach, een uitzonderlijke dienaar verwekt, Samuël, de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham (verg. 1 Sam. 1:1 en 1 Kron. 6:22-27,34-38). Hanna, zijn vrome moeder, had hem aan de HEERE gewijd om in Zijn huis in Silo te dienen, “zodat hij voor het aangezicht van de HEERE verschijnt en daar voor eeuwig blijft” (1 Sam 1:22-28). De Schrift vermeldt onder andere, dat de jonge maar ware Korachiet ’s ochtends de deur van dit huis opendeed (1 Sam. 3:15). Het is hier niet onze bedoeling om zijn roeping en bediening als profeet en richter in detail te onderzoeken; het volstaat eraan te herinneren, dat het Woord zijn persoonlijke gerechtigheid benadrukt, en het geeft hem een ​​ereplaats “onder hen die de Naam van de HEERE aanroepen” (Ps. 99:6; Jer. 15:1; Hebr. 11:32).

Maar deze schitterende zijde van de geschiedenis van de zonen van Korach leek – helaas! – geen voortzetting te hebben. De zonen van Samuël weken af ​​van de voetsporen van hun vader, en deze, zonder schuldig te zijn op de manier van de priester Eli, faalde daarin, dat hij hen benoemde als richters: de natuur kan alleen haar totale onbekwaamheid tonen, als ze zichzelf aanmatigt een dienst over te dragen of iemand met autoriteit te bekleden. Christelijke ouders wensen en vragen misschien, dat hun kinderen het voorrecht mogen hebben om in de gemeente een dienst uit te oefenen, maar ze hebben niet het recht om hen zo’n dienst toe te wijzen.

Gelukkig komt genade goed tot zijn recht wanneer de natuur opzij wordt gezet. In het koninkrijk oefenen de nakomelingen van Korach opnieuw de bescheiden maar belangrijke dienst van “wachters bij de ingang” uit, en ze zijn ook belast met andere bezigheden, de afstammelingen van Samuël zelfs met een speciale plaats. Voordat we het daarover hebben, willen we echter vaststellen, dat de Geest van God veel later, na de ballingschap in Babylon, behaagde eraan te herinneren dat “David en Samuël, de ziener” deze Korachieten in hun ambt hadden bevestigd (1 Kron. 9:22). De gedachte van God had deze “mannen van God” (1 Sam 9:6; 2 Kron. 8:14; Neh. 12:24,36) ertoe gebracht de reorganisatie van de levitische dienst op zich te nemen, waarin deze familie van dienaars haar plaats had, en dit al in de tijd van Samuël de ziener, toen de ark nog in Kirjath-Jearim was, maar de tabernakel en het altaar in Gibeon (1 Kron. 21:29; 2 Kron. 1:3). Daarna, toen de ark van het verbond naar Jeruzalem werd gebracht, bereidde de koning-profeet alles voor, zodat de dienst gevierd kon worden in de tempel die Salomo zou bouwen (1 Kron. 23-29).

3. Poortwachter en zanger

In dit grote tijdperk van “koninklijke pracht” (1 Kron. 29:25) werden hoofdzakelijk twee ambten met de Korachieten in verbinding gebracht, als de oude David, “verzadigd van dagen, rijkdom en eer” (vs. 28), zijn zoon Salomo tot koning maakte om te zitten “op de troon van de HEERE” (vs. 23-25).

Eerst en vooral was er de dienst van poortwachter. De details van deze bediening, zoals vastgesteld door David, worden gegeven in 1 Kronieken 26. De Merarieten, de Gersonieten, en onder hen de familie Obed-Edom, werden verenigd met de zonen van Korach. Dat was de tijd van orde, regelmaat, zekerheid, de tijd van bekwame en dappere mannen (vs. 6-8), maar ook van ijver. Hoe herinnert dit ons aan de vroege dagen van de gemeente, toen de kracht van de Geest de apostelen vervulde en de grote genade die op allen was, gepaard ging met het waakzaam handhaven van heiligheid, in de vrees van God en afscheiding van het kwaad!

Een ander ambt was dat van de zanger. De lofzang in het huis van God houdt verband met de dienst van wachter, die daarin uitgeoefend wordt. Hoe had de dienst kunnen plaatsvinden als het huis niet zorgvuldig was bewaakt, “zodat niemand die om welke reden dan ook onrein was, binnen kon komen” (2 Kron. 23:19). De Korachieten vormden een van de afdelingen van de Levieten die David als zangers had aangesteld (1 Kron. 15:16, 17); men vindt hen bij Salomo (2 Kron. 5:12), bij Hizkia (29: 12-14) en in Josia (35:15). Ze zongen voor het volk. Met hen waren de Gersonieten onder Asaf, de Merarieten onder Ethan (vermoedelijk dezelfde persoon als Jeduthun). De Korachieten waren ondergeschikt aan Heman, “de zanger”, vooral bekwaam en ijverig. Het is interessant op te merken dat deze Heman een zoon was van Joël, de zoon van Samuël (1 Sam. 8:2; 1 Kron. 6:33; 15:17); Hij wordt genoemd: “Ziener van de koning met woorden van God om de hoorn op te heffen”, en hij behoorde tot degenen die “voortdurend” loofden, hij, zijn veertien zonen en zijn drie dochters (1 Kron. 25:4,5, vergeleken met Psalm 84:5). Het is onwaarschijnlijk dat het dezelfde “wijze” Heman is die wordt genoemd in 1 Koningen 4 vers 31, de auteur van Psalm 88; en we willen niet speculeren over de identiteit van laatstgenoemden.

Laten we overigens hier bedenken, dat er grote voorzichtigheid in acht moet worden genomen als het gaat om het trekken van conclusies uit de geslachtsregisters van het eerste boek van de Kronieken, die God ons niet zonder ​​reden stukje bij beetje en door elkaar gegeven heeft. Maar het behaagt Hem, temidden van de totale verwarring, veroorzaakt door de onzorgvuldigheid van de mensen, deze stralen van Zijn genade schijnbaar onsamenhangend te laten schijnen, en daarmee bewijst Hij dat het onveranderlijk is.

4. Na terugkeer uit de Babylonische ballingschap

Hij toont het op opmerkelijke wijze aan door het feit, dat – zoals we al aangegeven hebben -, de plichten die eens aan de Korachieten werden gegeven bij de terugkeer uit de ballingschap worden opgesomd: zoals het eerste vers in 1 Kronieken 9 aangeeft heeft dit hoofdstuk betrekking, in ieder geval tot en met het 34ste vers, op het volk dat was teruggekeerd uit de Babylonische ballingschap (verg. Ezra 2 en Neh. 11). Het huis van God wordt herbouwd zonder de pracht van Salomo’s tempel te hebben, maar het altaar wordt op zijn plaats opgericht; een uit de ballingschap teruggekeerd en met de armen van het land verzameld overblijfsel, is daar aan de natiën onderworpen, zwak en arm, maar bemoedigd door deze trouwe God. De ambten van de Levieten, en vooral van de zonen van Korach, worden in hun verscheidenheid gepresenteerd, alsof alles nog in hun oorspronkelijke orde was, en hun waarde wordt, om zo te zeggen, versterkt door het verdriet van de tijd waarin ze worden bevestigd. Dit alles is voor ons vol lering en aanmoediging. In een tijd van verval, zoals we onze dagen vaak en terecht noemen, erkent de Heer een getuigenis op basis van wat Hij zelf heeft ingesteld. En Hij zal het in stand houden tot Zijn wederkomst.

Iedereen zou het op het hart moeten hebben om erbij te horen en de plaats in te nemen als de ware zoon van Korach, als een voorwerp van de genade.

De trouw van God had de families behouden, de ordening is die van het begin, overeenkomstig David en Samuël, en iedereen werkt volgens zijn eigen opdracht. Dit wordt ons meegedeeld in 1 Kronieken 9 vers 17-34.

Het ambt van poortwachter heeft nog steeds de hoogste prioriteit. Vier mannen werden over de poortwachters gesteld en Sallum was hun hoofd (vs. 17,18). Ze moesten in alle richtingen over de poorten waken (vs. 24). 212 “Poortwachters bij de deuren” (vs. 22) waren aan hen ondergeschikt, die weliswaar in hun dorpen woonden, maar ze moesten “van tijd tot tijd zeven dagen dienst met hen komen doen” (vs. 25). “Zij en hun zonen hielden de wacht bij de poorten van het huis van de HEERE, bij de tentwoning, overeenkomstig hun taken” (vs. 23). De voornaamsten “overnachtten rondom het huis van God, want deze taak rustte op hen; ook gingen zij over het openen van de poorten, en dat iedere morgen” (vs. 27).

We zullen nooit genoeg aandacht kunnen besteden aan het onderwerp dag en nacht bewaken van de poorten van Gods huis. Hoeveel wanorde en verontreiniging worden er door mensen en dingen ingebracht, die onze nalatigheid en onze tolerantie ongehinderd hebben toegelaten! En omgekeerd, hoevelen zijn er buiten gelaten, die toch de Heer opgenomen had!

Deze Korachieten, die moesten waken over wat het huis van God binnenging, waren ook verantwoordelijk voor het bewaren en goed gebruiken van wat het bevatte. De kamers waarover zij gesteld waren, bevatten de schatten (vs. 26), “Enkelen van hen gingen over de voorwerpen voor de dienst, want per aantal brachten zij die naar binnen en per aantal brachten zij die naar buiten” (vs. 28). Er waren degenen die verantwoordelijk waren voor alle voorwerpen in het heiligdom, anderen voor het heilige voedsel zoals meel, wijn en olie, voor de wierook en specerijen. Zij waren het niet die de wierook van deze specerijen mengden; dat was de taak van de priesters; ze hielden zich aan hun plaats als dienaars, maar hoe nuttig waren ze op deze plaats!

Hoe spreken deze dingen tot ons! Het zijn allemaal beelden van Christus, schoonheden en heerlijkheden van Zijn persoon, van de onmetelijke waarde van Zijn werk. Gevoelen we, zoals wij het zouden moeten, hoe ernstig en kostbaar het is om te waken over de heerlijkheid van deze Naam, Die over ons aangeroepen wordt en over de heiligheid van alles, wat hier op aarde ermee verbonden is?

Een van de zonen van Korach wordt speciaal genoemd: Mattithja, de eerstgeborene van Sallum (vs. 31). Hij was belast met het bakwerk. Wat een kostbare bezigheid is het met het oog op de aanbidding van God en het geestelijk voedsel van de kinderen van God met Christus bezig te zijn, die Zich in de volmaaktheid van Zijn heilige Mensheid overgegeven heeft! Anderen van hun broeders “gingen over het uitgestalde brood, om dat sabbat na sabbat klaar te maken.” (vs. 32). Ten slotte vervulden deze Levieten, naast hun functies in de kamers van het huis, ook die van zangers uit en waren voor dit doel vrijgesteld van andere diensten, want “de verantwoordelijkheid voor hun eigen werk rustte immers dag en nacht op hen’.

De totaliteit van deze verschillende activiteiten vereiste gehoorzaamheid, orde, trouw van de kant van de persoon aan zijn post, een hart voor het huis van God en voor de eredienst die daarin plaatsvond.

De familie van de Korachieten had dit hart. Het heeft zijn uitdrukking gevonden sinds de dagen van David en ongetwijfeld ook in de volgende periode in deze “Psalmen van de zonen van Korach”, waaruit in geïnspireerde klanken de gevoelens voortkomen die in hen door de profetische geest worden opgewekt. Ze werden niet alleen geroepen om te zingen, wat David, Asaf en anderen schreven; de psalmen die hun namen dragen, kunnen ook speciaal voor hen zijn geschreven; of, wat ons natuurlijker lijkt, kunnen door hen zijn gedicht, en ze hebben hun plaats gevonden in de geïnspireerde geschriften van God. Inderdaad, genade zou zichzelf niet schoner kunnen verheerlijken.

 

André Gibert; © www.haltefest.ch

Jaargang: 1972 – Bladzijde: 169

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW