2 uur geleden

De vertroostingen van de Heer

Bijbelgedeelte: Psalm 94

Leestijd: 6 minuten

Psalm 94 beschrijft op prachtige wijze hoe de godvrezende mens Gods troost kan ervaren te midden van lijden en rust kan vinden in “dagen van onheil” (vs. 13,19).

Het lijden waar de psalmist over spreekt, komt voort uit een godvruchtig leven te midden van een goddeloze wereld – een wereld waarin “de goddelozen van vreugde opspringen” (vs. 3), waarin zij “hooghartige taal spreken” tegen God en Zijn volk (vs. 4), waarin zij zichzelf verheffen (vs. 4), Gods volk “verbrijzelen” en Gods eigendom verdrukken (vs. 5), geweld gebruiken tegen de weerlozen (vs. 6) en God trotseren (vs. 7).

De omstandigheden waarin een christen zich bevindt, kunnen aanzienlijk verschillen van die van de psalmist, maar de troost en de leer van de psalm blijven van toepassing, want het blijft waar: “En ook allen die godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden” (2 Tim. 3:12). Bovendien kunnen we ontdekken, dat de meest smartelijke vorm van lijden ons wordt aangedaan door hen die beweren tot Gods volk te behoren. Dit was ook de ervaring van de apostel toen hij, vanwege zijn godvruchtige levenswijze, door iedereen in Azië werd verlaten en de tegenstand van valse leraars en de beledigingen van goddeloze mensen moest verdragen (2 Tim. 1:15; 2:25; 4:14).

Maar net als in de tijd van de psalmist, zullen zij die in gehoorzaamheid aan God willen wandelen, in de laatste dagen van het christendom ervaren, dat de tijd van lijden een tijd van zegen wordt. Als we deze zegen echter in tijden van lijden willen ontvangen, moeten we eerst elke gedachte loslaten om het recht in eigen handen te nemen en wraak te zoeken op hen die ons onrechtvaardig tegenwerken en beledigen. Welk lijden er ook komt, de gelovige moet zich onthouden van wraak. Wanneer het vlees wordt beledigd, is het altijd bereid om terug te beledigen, en wanneer het onrechtvaardig lijdt, is het bereid om te dreigen. En het vlees zou graag wraak nemen op allen die ons tegenwerken of ons beledigen met hun onbeschaamde woorden. Maar de godvrezende mens moet kwaad niet met kwaad vergelden, noch belediging met belediging. De Heer heeft het niet aan de gelovige overgelaten om te strijden tegen hen die zich verzetten – de wraak behoort de Heer toe (Ps. 94:1).

Zijn wij als gelovigen hulpeloos en hopeloos tegenover zulke mensen die “grof spreken” over anderen en over zichzelf opscheppen (vs. 4)? Verre van hulpeloos te zijn, laat de psalmist zien, dat we de grootst mogelijke bron van hulp bezitten: God Zelf is de bron van hulp voor de gelovige. Het geloof berust op het glorieuze feit dat niets aan de Heer ontgaat. Hij hoort de grove woorden, Hij ziet elke slechte daad, Hij kent elk verborgen motief. “Zou Hij die het oor plant, niet horen? Zou Hij die het oog vormt, niet zien? … Hij Die de mens kennis bijbrengt … kent de gedachten van de mens” (vs. 9-11).

Kwaadwillende mensen spreken misschien gemene dingen over godvrezenden en belasteren hen in het geheim, maar de Heer hoort, de Heer ziet, de Heer kent.

Bovendien zal de gelovige rijkelijk gezegend worden als hij beproevingen aangrijpt als een gelegenheid om zich tot de Heer te wenden. Hij zal erkennen dat alle beproevingen en lijden die ons overkomen, door de Heer worden toegestaan ​​en deel uitmaken van Zijn tuchtiging. Omdat hij door tuchtiging gezegend wordt, zal hij kunnen zeggen: “Welzalig de man die U bestraft, HEERE, en die U onderwijst uit Uw wet” (vs. 12).

De duivel probeert onze gedachten bezig te laten houden met beproevingen om onze ziel van de Heer af te leiden. Hij probeert onze harten te vullen met de brutale woorden en onrechtvaardige daden van onze tegenstanders, om ons te “verontrusten” en “bedroefd” te maken, zodat we, net als Hanna, met een bitter gemoed zouden klagen (zie 1 Sam. 1:10). Geloof daarentegen gebruikt beproevingen als een gelegenheid om ons tot de Heer te wenden, en zo niet alleen de duivel te overwinnen, maar ook zegeningen te ontvangen uit de beproevingen.

Wanneer we ons tot de Heer wenden, zullen onze tegenstanders en hun brutale woorden onze gedachten niet langer beheersen. In onze vertrouwde omgang met Christus zullen we erkennen, dat Hij beproevingen heeft toegelaten voor onze zegen. Op deze manier houden we de Heer tussen ons en de beproevingen, in plaats van de beproevingen tussen ons en de Heer te laten komen.

We erkennen, dat wanneer de Heer toestaat dat mensen onbeleefd spreken en ons kwaadwillig behandelen, Hij deze beproeving zal gebruiken om veel in onze gedachten, woorden en gedragingen te corrigeren die, naar Zijn oordeel, niet met Hem in overeenstemming zijn. Hij houdt er niet van om te straffen; Hij ziet echter in dat de beproeving noodzakelijk is. Hierdoor wordt het onherkende kwaad in ons eigen hart blootgelegd, zodat we ons vlees kunnen beoordelen en met Job kunnen zeggen: “Daarom veracht ik mijzelf” (Job 42:6). Het is één ding om de waarheid van de leer te erkennen, dat er niets goeds in het vlees woont; het is iets anders om deze waarheid in Gods aanwezigheid uit eigen ervaring te leren kennen.

Als we verder kijken dan de huidige beproeving en daarachter de hand van de Heer zien, Die zich om ons bekommert en ons wil zegenen, dan zal dat onze ziel tot rust en stilte leiden. In plaats van onrustig en verbitterd te zijn, zullen we “rust voor dagen van onheil” vinden (vs. 13). Hanna ervoer dit ook tijdens haar zware beproeving: toen ze zich tot God wendde en haar ziel voor Hem uitstortte, was haar gezicht niet meer hetzelfde (1 Sam. 1:15,18). Haar omstandigheden waren niet veranderd, maar iets in haar wel: door haar ziel voor de Heer uit te storten, vond haar verbitterde ziel vrede.

Bovendien leren we door de liefdevolle tuchtiging van de Heer niet alleen het kwaad in ons eigen hart te ontdekken en te veroordelen, maar herkennen we ook de goedheid en genade van het hart van de Heer. Daarom is de godvrezende mens in de rest van de psalm (vs. 14-20) volledig gericht op de Heer en op alles wat Hij in Zichzelf is:

  • Ten eerste erkent hij, dat de Heer weliswaar kan straffen, maar Zijn volk niet zal verstoten of Zijn erfdeel zal verlaten (vs. 14). Zo kan de apostel in zijn tijd de gelovigen er ook aan herinneren, dat de Heer heeft gezegd: “Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten” (Hebr. 13:5).
  • Ten tweede erkent hij, dat de Heer zijn helper is. Als ik niet zelf wraak neem op mijn vijanden “Wie zal voor mij opkomen tegen de kwaaddoeners? Wie zal zich voor mij opstellen tegen wie onrecht bedrijven?” (vs. 16). De ervaring van de psalmist geeft antwoord op deze vragen, want hij zegt: “Als de HEERE niet mijn Helper was geweest, had mijn ziel bijna in de stilte gewoond” (vs. 17). Zo kan de apostel, die beseft dat de Heer de godvrezenden nooit in de steek laat, vol vertrouwen zeggen: “[De] Heer is mij een helper <en> ik zal niet vrezen” (Hebr. 13:6).
  • Ten derde beseft de mens die de Heer vreest, dat hij niet alleen hulp nodig heeft vanwege zijn vijanden, maar ook dat hij hulp nodig heeft vanwege zijn eigen zwakheid. Daarom zegt hij: “Toen ik zei: Mijn voet wankelt, ondersteunde Uw goedertierenheid mij, HEERE.”

Zo ervaart de psalmist tijdens zijn beproeving de prachtige waarheid, dat de Heer ons niet verlaat, dat de Heer onze hulp is en dat de Heer ons zal steunen. De profeet Jesaja verbindt deze drie zaken ook wanneer hij zegt: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u … Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt” (Jes. 41:10).

Wanneer we ons lijden zo voor God brengen, zullen we niet alleen “rust voor dagen van onheil” ontvangen, maar ook de “troost” van de Heer ervaren. We zullen beseffen, dat Hij met ons is om ons te helpen in ons lijden en ons te steunen in onze zwakheid. Zo moet de “menigte van mijn gedachten” die de ziel probeert te verontrusten, plaatsmaken voor de vertroostingen van de Heer, die de ziel met vreugde vervult.

Wanneer de Heer voor het hart staat en de ziel vervuld is met Zijn vertroostingen, verdwijnt alle vrees voor het kwaad. De apostel zou later ook kunnen zeggen: “… en u in geen enkel opzicht door de tegenstanders laat afschrikken” (Fil. 1:28). Zij mogen samenspannen tegen de ziel van de rechtvaardige, maar de Heer is Zijn “vesting” tegen elke aanval van de vijand en Zijn “toevlucht” in elke storm. De Heer zal Zijn volk nooit verstoten, ook wanneer Hij de goddelozen op Zijn tijd ombrengen zal (vs. 20-23).

 

© www.bibelstudium.de; Hamilton Smith

Online sinds 21 april 2014.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW