13 jaar geleden

De theologie van Rome (1)

Om de leer, de praktijken en de afgoderij van de Rooms-Katholieke kerk te kunnen begrijpen en doorgronden, is het zeer zinvol om naar haar geschiedenis te kijken. Waarom heeft de Rome nog steeds zo veel invloed op de moderne mens?

Wij stappen nu over de drempel van de dertiende eeuw. De grote mannen en de bewogen tijden van de twaalfde eeuw zijn voorbijgegaan. Vanwege het verband tussen deze en de hervorming in de zestiende eeuw verdienen zij onze belangstelling in hoge mate. Een nieuw geslacht, een ander soort van mensen treedt nu op de voorgrond. De tijd brak aan, waarin, naar wij geloven, de getuigen voor God en Zijn waarheid een bijzondere plaats in onze geschiedenis vragen. Doch vooraf kan het niet ondienstig zijn aan onze lezers enkele theologische uitspraken en gebruiken van de Rooms-Katholieke kerk uit die tijd voor te houden, omdat het blijken zal, dat door middel hiervan deze getuigen werden geoordeeld, en het pausdom zijn macht verkreeg over het leven en de vrijheid van hen, die geloofden in God en in Zijn Christus.

De zeven sacramenten

In het Nieuwe Testament, waar alles duidelijk en eenvoudig is, lezen wij van niet meer dan twee instellingen aan de verlosten geschonken, namelijk de doop en het avondmaal. In de Griekse en Latijnse kerken echter was dit getal zeer vermeerderd en door vele godgeleerden verschillend bepaald. Er was geen sprake meer van Goddelijke openbaring, maar van menselijke verbeelding. Sommigen spreken van niet minder dan twaalf sacramenten; doch in de westerse kerk werd het mystieke getal zeven ten slotte vastgesteld in overeenstemming met het denkbeeld van de zevenvoudige werking van de Heilige Geest. Deze waren: de doop, de confirmatie of bevestiging, het avondmaal, de boete, het laatste oliesel, de priesterordening en het huwelijk. Zo werd de strik gespannen voor de voeten van de getrouwe discipel van Christus. Het deed er niet toe, hoe oprecht iemand Gods Woord geloofde en gehoorzaamde; als hij de sacramenten van de kerk en haar talloze ceremoniën niet achtte, liep hij gevaar als ketter aangeklaagd en gestraft te worden. Aan de andere kant gaf het niets, of Gods Woord geheel en al werd geminacht, als men maar gehoorzaamheid aan de kerk betoonde. Voor hen, die echter de Heer volgde naar Zijn Woord, was geen ontkomen mogelijk. Het net was wijd uitgespreid.

De transsubstantiatie

Het zou een hopeloze poging zijn om te proberen al de menselijke toevoegsels op te tellen, die bij de uit- wendige godsdienstoefening behoorden. Door de pausen in het openbaar en door de priesters in het geheim waren van tijd tot tijd tal van nieuwe gebruiken, plechtigheden, heilige dagen en feesten ingevoerd. Geen priesterlijk uitvindsel maakte echter zulk een opgang en had zoveel invloed op de gemoederen als de transsubstantiatie. In de geschriften van de Griekse en Latijnse kerkvaders is geen spoor van dit leerstuk te ontdekken. Eerst in de achtste eeuw werd er enig teken van aangetroffen. In de negende eeuw – een eeuw van grote duisternis – schijnt de monnik Pascasius een bepaalde vorm aan dit monsterachtige bijgeloof gegeven te hebben. In de elfde eeuw werd het krachtig tegengestaan door Berengarius van Tours, en behendig verdedigd door Anselmus van Canterbury. Het bleef een twistappel tussen de geleerden tot aan het vierde Lateraans concilie in het jaar 1215. Toen kreeg het een plaats in de rij van de vastgestelde leringen van Rome’s kerk. Door een bepaling van genoemd concilie werd uitgemaakt, dat wanneer de dienstdoende priester de wijdingswoorden uitspreekt, de sacramentele grondstoffen van brood en wijn veranderd worden in de zelfstandigheid van het lichaam en bloed van onze Heer. “Het lichaam en bloed van Christus”, zo luidt de verklaring, “zijn werkelijk vervat in het sacrament van het altaar onder de stof van brood en wijn; het brood wezenlijk veranderende in het lichaam van Jezus Christus, en de wijn in Zijn bloed door de kracht van God, werkende door middel van de dienstdoende priester. De dus bewerkte verandering is zo wezenlijk en volkomen, dat de grondstoffen Christus bevatten geheel en al, met Zijn Godheid en mensheid, ziel, lichaam en bloed, met al hun bestanddelen”. Van toen af werd aan het gewijde brood van het avondmaal Goddelijke eer bewezen. Belangrijke veranderingen werden ook omtrent dezelfde tijd gebracht in de wijze van toedienen van het sacrament. De gewijde wijn achtte men gevaar te lopen van ontheiligd te worden door de baard, die in de kelk doopte; door de zieken, die niet in staat waren de inhoud door te slikken; en door de kinderen, die hem licht konden vermorsen. Daarom werd de kelk aan de leken en de zieken onthouden, en de avondmaalsviering door kinderen geheel afgeschaft; ten minste door de Latijnen; de Grieken behielden ze tot op heden. De vreselijkste bijgelovigheden volgden vanzelf op de vaststelling van de transsubstantiatie-leer. Bij zeker gedeelte van de misbediening gekomen, heft de priester de hostie – de gewijde ouwel – in de hoogte, en op hetzelfde ogenblik valt het volk er voor op de knieën ter aanbidding. Bij sommige gelegenheden wordt de ouwel in een schone doos geplaatst, en in plechtige optocht door de straten gedragen, terwijl iedere voorbijganger er de knie voor buigt ten teken van verering. In Spanje wordt de priester, die de hostie naar een stervende heendraagt, vergezeld door een man die een schelletje doet klinken; en op het geluid daarvan zijn allen, die het horen, verplicht neer te knielen en in die houding te blijven, zolang zij het schelletje horen. De priesters maken het volk wijs, dat de levende God in de vorm van brood woont in dat doosje, en van plaats tot plaats kan gedragen worden. Deze samenknoping van ongerechtigheid, godslastering en afgoderij heeft de lankmoedige God nu reeds meer dan duizend jaren verdragen!

De Mariadienst

De verering van de maagd Maria had haar oorsprong in de mystiek-vrome geest, die in de vijfde eeuw zozeer de overhand nam. Vóór die tijd vindt men geen spoor van de Mariadienst. Bijna gelijktijdig – tegen het eind van de vierde eeuw – werd ontdekt en alom verteld, dat er in de tempel te Jeruzalen maagden geweest waren, aan God gewijd, en onder wie Maria was opgegroeid, de belofte van eeuwige kuisheid afgelegd hebbende. Deze nieuwe leer voerde tot de verering van Maria, als het ware ideaal van de ongehuwde staat, en was tegelijk een wettiging van het op zich nemen van de verplichting om uit godsdienstige beweegredenen maagd te blijven. Weldra werd het gewoonte om op Maria de benaming toe te passen van “Moeder Gods”, die aanleiding gaf tot de Nestoriaanse geloofstwist. Maar ondanks alle tegenstand werd de Mariadienst doorgezet; en in de vijfde eeuw begon men beelden en schilderstukken van de maagd met het kind Jezus in haar armen in al de kerken te plaatsen. Zodoende werd zij in korte tijd een voorwerp van aanbidding, en de Mariadienst een hoofdkenmerk van de Rooms-Katholieke eredienst. De dagelijkse dienst voor Maria en de feest- en verjaardagen, tot haar eer gewijd, werden in 1095 door Urbanus II op het concilie van Clermont bevestigd.

De Mariaverering was nu een gevestigde leer en praktijk in de Rooms-Katholieke kerk, en bleef dit tot op de huidige dag. Rooms-Katholieken mogen trachten te ontkennen, dat zij Maria vereren met de aanbidding, waarop God alleen recht heeft; maar in hun gebedenboeken beslaan de aanroepingen van de maagd een voorname plaats. Geen gebed wordt veelvuldiger uitgesproken dan het “Ave Maria” of “Wees gegroet, Maria”, hetwelk achter enige woorden uit de groetenis van de engel Gabriël als toevoegsel heeft: “Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaren, nu en in het uur van de dood. Amen”. Onder de talrijke namen, haar gegeven, behoren de volgende: “Ark van het verbond,” ,,Poort van de hemel”, “Morgenster”, “Toevlucht van de zondaren”, en dergelijke, die duidelijk te kennen geven, welke afgoderij met Maria gepleegd wordt in de kerk van Rome. De rozenkrans, dat is een snoer kralen, dienende om gebeden af te tellen, bestaat uit vijftien decaden. Elke decade bevat tien Ave Maria’s, voorgesteld door even zoveel kleine kralen, voorafgegaan door een Pater Noster (onze Vader), afgebeeld door een grotere kraal, en besloten door een Gloria Patri (Ere zij de Vader). Het Rooms-Katholieke brevier of algemene gebedenboek, waaruit elke priester dagelijks in afzondering, op straffe van doodzonde, een gedeelte lezen moet, gebruikt de volgende sterke uitdrukkingen met betrekking tot de maagd: “Indien de storm van de verzoeking opsteekt, indien u op de rots van de verdrukkingen stoot, zie op de ster, roep Maria aan. Indien u heen en weer geslingerd wordt op de golven van hoogmoed, eerzucht, verstrooidheid of lust, zie op de ster, roep Maria aan. Indien boosheid of gierigheid of de begeerlijkheid van het vlees uw ziel in beroering brengen, zie op Maria. Indien u verontrust wordt door de grootte van uw zonden of de verontreiniging van uw geweten, verschrikt vanwege de ijselijkheden van het oordeel; indien u verzwolgen zou worden door de draaikolk van de treurigheid of de afgrond van de wanhoop, denk aan Maria – in gevaren, in twijfelingen, denk aan Maria, roep Maria aan”. Zo volkomen werd de dienst van Maria de dienst van de Christenheid, dat elke hoofdkerk, bijna elke ruime kerk haar afzonderlijke kapel bezat, “aan Maria toegewijd”.

Uit deze aanhalingen is duidelijk bewezen, dat Maria niet alleen aangesproken wordt als bemiddelaarster bij haar Zoon, maar als zelf aanbidding waardig. En dit zijn kalme voorbeelden, vergeleken bij de wilde taal van een ridderlijke verering, die gevonden wordt in sommige lofzangen en gebeden tot eer van haar. De eigenschappen van de Godheid worden haar toegekend, en zij wordt voorgesteld als koningin van de hemel, tronende tussen cherubijnen en serafijnen. De leer van de onbevlekte ontvangenis was slechts het natuurlijk gevolg van dit toenemende eerbetoon aan Maria. De Room-Katholieke kerk heeft daarom niet lang geleden deze leer vastgesteld, en voor het geloof verplicht gemaakt.

De aanbidding van de heiligen

De oorsprong van de aanbidding van de heiligen, kan beschouwd worden als samenvallende met die van de Mariaverering en als een vrucht van dezelfde akker. Het een staat ook met het ander gelijk; alleen wordt Maria ver boven de schaar van de heiligen en martelaren gesteld vanwege haar bijzondere heiligheid en haar grote invloed in de hemel.

Het lijdt geen twijfel, of de eerbied, die in de eerste eeuwen van het Christendom bewezen werd aan de getrouwe getuigen en martelaars voor Christus, voerde tot het gebruik van de aanroeping van heiligen om hun tussenkomst te verwerven. Een verklaarbare toegenegenheid werd tot een bijgelovig eerbetoon, en eindigde in een bepaalde aanbidding. De overgang van eerbied tot aanbidding is niet groot en ongemerkt. Vandaar de waarschuwing van de apostel: “Kinderen, bewaart uzelf voor de afgoden”. Volgens dit woord is het duidelijk, dat ieder, die de persoon van Christus niet voor zich heeft als het allesbeheersende voorwerp van het hart, een afgod bezit. De apostel had te voren gesproken over ons heerlijk standpunt en onze zegening in Hem, zeggende: “Wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven” (zie 1 Johannes 5:20-21). Het eeuwige leven bezittende in Hem, ja één gemaakt met Hem, wat ons standpunt voor God betreft, heeft Hij er werkelijk aanspraak op ons enige voorwerp te zijn. Elk ander voorwerp is een afgod. Zelfs de beste Christen verkeert in gevaar van te veel huldebetoon jegens een geliefkoosde leraar of voorganger.

Uit dit kleine begin ontwikkelde zich door de listigheid van de priesters een groot en machtig stelsel, dat ten laatste verbazende schatten aan de kerk opbracht. Bedevaarten met haar boetgeld en vrijwillige offers behoren bij het stelsel. In de vroegste tijd was het de gewoonte bijzonder heilige godsdienstige verrichtingen te laten plaats vinden bij de graven van de heiligen en martelaren. Doch toen de duisternis groter werd en de geest van bijgeloof toenam, was dit niet genoeg. In de vierde eeuw werden prachtige kerkgebouwen gesticht boven hun eerst zo nederige grafplaatsen; en zelfs werd een of ander gewaand overblijfsel van de heilige bewaard binnen het gebouw dat tot zijn eer was opgericht. Meestal verzekerde men, dat het lichaam van de wonderdoende heilige begraven lag onder het hoogaltaar; en dat de tussenkomst van zulke heiligen van buitengewone kracht was. Duizenden stroomden toe om de wonderen te aanschouwen, die aan anderen geschiedden, of om zelf van de wonderen te profiteren, die door de invloed van de relikwieën tot stand werden gebracht. Vooral in de zesde eeuw verrees een ongelooflijk aantal tempels aan heiligen toegewijd, en vermenigvuldigden zich de feesten, die hun gedachtenis levend moesten houden.

Volgens Milman en anderen werd de aanbidding van heiligen zo algemeen, dat men gevaar liep ze over het hoofd te zien vanwege hun menigvuldigheid of liever ontelbaarheid. “De overvolle almanak had bijna geen dag aan te wijzen voor de nieuwe heilige, of men moest in botsing komen met de een of andere oude heilige, die er voor afgezet diende te worden. Het Oosten en het Westen wedijverden met elkaar in vruchtbaarheid. Doch van de talloze heiligen uit het Oosten werden vergelijkenderwijs weinigen aangenomen door het Westen; en vele vermaarde personen, die in het Westen met alle devotie geëerd werden, vonden geen gunst in de ogen van het Oosten. Nochtans levert de menigvuldigheid van de heiligen een bewijs voor de algemeenheid van de afgoderij”. De roep over de een of andere nieuwgevierde heilige, als bijvoorbeeld Thomas van Canterbury, trok een tijd lang de handel en het profijt van andere plaatsen af. Hieruit ontsproot de noodzakelijkheid om een nieuwe prikkel op te sporen, waardoor de stroom naar een andere kant verlegd werd. En dit is zo voortgegaan tot op onze tijd, waarin de bedevaarten naar Paray-le-monial ter aanbidding van “het heilige hart”, naar de grot van Lourdes, enzovoorts een aanvang genomen hebben. Indien wij beginnen met de dagen van Origenes, die het eerst op de heiligenaanbidding aandrong, en voortgaan tot op onze tijd, hebben wij een ruimte van ruim veertienhonderd jaar, gedurende welke de aanroeping van heiligen en bedevaarten naar hun gedenkplaatsen in zwang zijn geweest, zowel in de Griekse als in de Latijnse kerk. Het moet ons daarom niet verwonderen, dat de Mohammedanen in alle Christenen afgodendienaars menen te zien.

De meesten van ons kennen de namen van wat wij zouden kunnen noemen ”algemene heiligen”, zoals de vroegere kerkvaders en de beschermheiligen van de onderscheidene landen; doch het is inderdaad schrikwekkend bij een nauwkeurig onderzoek te zien, hoe ver zich deze afgoderij uitstrekt. Over de gehele omvang der Rooms-Katholieke kerk heeft elk land, elke gemeente en ieder persoon een tussenpersoon tot Christus, die de enige tussenpersoon is tussen God en de mens. Vele Katholieken kiezen tot hun beschermheilige degene, die de almanak (of agenda) op hun geboortedag aangetekend heeft. Deze heilige wordt dan beschouwd als de bijzondere voorspraak of begunstiger van de persoon of de gemeente, die hem koos. Men meent, dat hij, mens geweest zijnde, en alsnog menselijk medegevoel bezittende, minder opzien verwekt en meer toegankelijk is dan Christus, en van zijn invloed gebruik maakt ten gunste van de persoon of de gemeente, die hij beschermt. Toch wordt hij afgeschilderd als veranderlijk en licht beledigd. Rijke oogsten, overwinningen in de strijd, bevrijding van rampen, bewaring op reis en dergelijke schrijft men toe aan zijn of haar voorspraak; maar tegenspoed, verarming en nederlaag wordt aangemerkt als veroorzaakt doordat de heilige is beledigd en nog niet verzoend. Aan zijn relikwieënkast moet meer eer toegebracht en op zijn altaar meer geld geofferd worden.

Wordt D.V. vervolgd.

Uit: A. Miller, Algemene Geschiedenis van de Christelijke Kerk

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM