12 maanden geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (11)

Schriftplaatsen: Gen. 22:11-12

De engel van de Heer grijpt in

“Maar de Engel van de HEERE riep tot hem vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik. Toen zei Hij: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets …” (Gen. 22:11,12).

Tot dan toe had God zwijgend toegezien. Maar toen Abraham het mes al in zijn hand hield om zijn zoon te slachten, riep Hij hem twee maal vanuit de hemel bij zijn naam. De twee-malige vermelding van de naam onderstreept het belang van deze plechtige scène. God liet niet toe, dat Abraham de doodsteek uit zou voeren. Abraham was tot aan de uiterste grens gegaan. Maar God kon en wilde hem daarover niet verder laten gaan. God bespaarde de vader de smart, die Hij Zichzelf niet gespaard heeft, toen Hij Zijn eigen Zoon tot de dood gaf.

Toen de Zoon van God aan het kruis hing, werd geen stem uit de hemel gehoord, geen engel kwam tussenbeide en geen plaatsvervanger werd gevonden. God zweeg toen onze Heiland op het kruis met luide stem riep (Matth. 27:46, Mark. 15:34). Izak werd gespaard, maar God heeft Zijn Zoon niet gespaard, maar voor ons op Golgotha overgegeven. De dichter van het lied zegt het zo:

Hoe Hij riep – U gaf die nacht
Hem geen antwoord op Zijn klacht,
want U maakte Hem tot zonde,
opdat wij erbarming vonden.

Van de in totaal zeven gebeurtenissen in de Schrift, waar God een mens tweemaal bij de naam noemt, hebben we hier de eerste (verg. Gen. 46:2; Ex. 3:4; 1 Sam. 3:10; Luk. 10:41; 22:31; Hand.9:4).

De engel van de Heer

De “Engel van de HEERE” is een aanduiding die in het Oude Testament voor God Zelf – in de Persoon van de Heer Jezus – wordt gebruikt. De Heer Jezus openbaarde Zich op verschillende tijden in de gedaante van een engel (verg. Gen. 31:11-13; Gen. 16:7-11). Degene die hier tussenbeide komt vanuit de hemel om Abraham een halt toe te roepen, wist, dat Hijzelf eens het Offer zijn zou, zodra Zijn uur gekomen was.

Abraham moet zich ervan bewust zijn geweest, dat het de Heer was, Die tot hem sprak, want hij noemde de plaats “Jahweh-Jireh” dat betekent: De Heer zal voorzien. En toen de Engel van de Heer voor de tweede maal riep, gaf Hij hem beloften, zoals geen geschapen engel ooit had kunnen doen.

Want nu weet ik …

“… want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt”.

Natuurlijk wist God van te voren, dat Abraham Hem vreesde en Hem zijn enige zoon niet onthouden zou. Maar nu was het bewijs definitief geleverd. God had het als het ware met eigen ogen gezien, en de hele wereld kon zich ervan overtuigen, dat Abraham de beproeving van het geloof doorstaan had.

God bracht op deze plaats nogmaals naar voren, waaruit de beproeving voor Abraham bestaan had. Abraham had God gevreesd en hem zijn enige zoon niet onthouden. Hij was tevoren bevreesd om iets te doen, wat God onteerd zou hebben. God drukt hier Zijn stempel van erkenning en waardering uit voor de daad van geloof van Abraham. Hoe moet het Zijn hart verheugd hebben, om te zien hoe Abraham Hem door gehoorzaamheid had geëerd en door geloof verheerlijkt had! Hier werd de Schrift vervuld: “En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd” (Jak. 2:23).

Mij niet onthouden hebt

Abraham had God zijn enige zoon niet onthouden. Hij was bereid om het liefste wat hij had, aan God te offeren. En God heeft hem hiervoor hoog beloond. Hoe staat het daarmee bij ons? Hebben wij niet nog veel meer reden en oorzaak om God dat te geven, wat Hem toekomt?

De mens is een schepping van God. Om die reden alleen al heeft God, de Schepper, ieder recht op hem. Maar door de zondeval kwam de mens onder de heerschappij van satan, de overste en god van deze wereld (Joh. 12:31; 16:11; 2 Kor. 4:4). Sindsdien is de natuurlijke mens een dienaar van satan. Maar in de volheid van de tijd kwam de Heer Jezus naar deze aarde en heeft door de dood teniet gedaan hem, die de macht over de dood had, dat is de duivel, en heeft allen bevrijd die door angst voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren (Hebr. 2:14,15). Ieder die de Heer Jezus als Heer en Heiland aanneemt, wordt verlost en bevrijd uit de slavernij van satan. Zo iemand heeft een nieuwe Heer, Die nu in tweeërlei opzicht aanspraak op hem heeft: als Schepper, die hem geschapen, en als Redder, die hem verlost heeft. In die zin behoort  de gelovige zijn Meester toe in tweeërlei opzicht!

De Heer Jezus heeft ons geschapen en verlost uit de slavernij van satan. Hij heeft ons voor een prijs gekocht en betaald (1 Kor. 6:20). Zijn wij niet schuldig om Hem ons hele leven over te geven? Is Hij het niet waard, dat wij Hem het “beste” dat wij hebben, ter beschikking stellen (verg. Rom 12:1; Openb. 2:4)? Ja, Hij heeft daadwerkelijk aanspraak op ons, maar Hij wil dat we ons leven aan Hem vrijwillig overgeven. Alle terreinen van ons leven behoren Hem toe. Onze geest, onze ziel en lichaam moeten voor Hem zijn. Hoe jammer is het wanneer in ons leven gebieden zijn, die wij Hem onthouden! Het zou alleen maar tot onze eigen schade en verlies zijn!

Wordt DV vervolgd.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol