2 jaar geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (09)

Schriftplaatsen: Genesis 22 vers 9

De door God gekozen plaats

“En zij kwamen op de plaats die God hem genoemd had” (Gen. 22:9).

De plaats die God gekozen had, lag op een van de bergen in het land Moria (Gen. 22:2). Er wordt aangenomen dat op deze berg later de tempel van Salomo werd gebouwd, nadat David op Gods bevel daar een altaar gebouwd had, “op de plaats die David bepaald had” (2 Sam. 24:18; 1 Kron. 21:18; 2 Kron. 3:1,2). Izak, die op deze berg in beeld geofferd en opgewekt werd, is, zoals we reeds zagen, een voorafbeelding van de Heer Jezus, Die gestorven en opgewekt is.

Vinden we hier misschien een verborgen verwijzing naar de gemeente, de “heilige tempel in de Heer”, die gegrond is op de dood en opstanding van de Heer (Ef. 2:21)? De gemeente is op de “Rots” Christus gebouwd, de Zoon van de levende God (verg. Matth. 16:16,18; 1 Kor. 10:4). Niets en niemand kan dit fundament doen wankelen. Geeft deze gedachte ons niet troost en vertrouwen in een door rusteloosheid en wispelturigheid gekenmerkte wereld, wiens morele fundamenten wankelen en beven?

De naam “Moria” betekent “De HEERE zal voorzien”. Abraham steunde in geloof op deze belofte en werd niet teleurgesteld. Met deze toezegging van God ging hij de moeilijke weg en “twijfelde niet aan de belofte van God door het ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God heerlijkheid gaf” (Rom. 4:20).

Abraham bouwt het altaar

“Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout erop” (Gen. 22:9)

Op de berg bouwde Abraham volgens de instructies van God het altaar en schikte het hout. In de grondtekst staat hier voor “altaar” een bepaald lidwoord, waarmee als het ware met een vinger op één ding gewezen wordt. Abraham had daarvoor al altaren gebouwd, maar hier bouwde hij het altaar, waarop hij zijn eigen zoon wilde offeren.

Twee dingen kenmerkten het leven van Abraham: altaar en tent. Vier keer lezen we van hem, dat hij een altaar bouwde (verg. Gen.12:7,8; 13:18; 22:9), en een paar keer wordt zijn tent genoemd (verg. Gen. 12:8; 13:3,18; 18:1,2,6,9,10). De tent wijst op het karakter van vreemdeling, dat zijn leven op aarde liet zien. Hij had geen blijvende en vaste woonplaats en was een vreemdeling en bijwoner in het land, dat God hem als erfdeel had beloofd (verg. Gen. 23:4;. Hebr. 11:9,13). Als iemand zonder vaderland op aarde, was zijn geloof op het hemelse thuis gericht: “… want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is” (Hebr. 11:10,14-16). Tegelijkertijd kende en genoot hij de gemeenschap met God. Hiervan spreekt het altaar. De verborgen gemeenschap met God compenseerde hem meer dan voldoende voor het vermeende gebrek aan de geneugten van deze wereld en gaf hem de kracht om zich van de wereld en haar verlangens verre te houden.

… en legde Izak op het hout

“… bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, boven op het hout” (Gen. 22:9).

In deze verzen wordt Abraham ons gepresenteerd als degene die handelt. Hij bouwde daar een altaar en schikte het hout. Hij bond zijn zoon Izak en legde hem op het hout. Hij deed alles wat nodig was om zijn zoon te offeren.

Zoals Abraham in beeld deed, zo deed ook God de Vader alles om de kwestie van de zonde eens en voor altijd op te lossen en mensen die vroeger verloren waren aan zijn liefhebbend vaderhart te brengen. God Zelf was het die aan het kruis van Golgotha het oordeel over de Heer Jezus bracht, omdat Hij met onze zonden beladen was (verg. Rom. 8:3). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid in Hem” (2 Kor. 5:21).

Uitgerekend Hij, Die zonder zonde was en God gedurende Zijn hele leven verheerlijkt had, moest het oordeel over de zonde verdragen. Maar het geloof weet: juist Hij moest en Hij alleen kon het vereiste Offerlam zijn.

Wordt DV vervolgd.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol