1 jaar geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (05)

Schriftplaatsen: Genesis 22 vers 2-3

Het brandoffer

Genesis 22 vers 2: “en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal”.

De opdracht van God aan Abraham was Izak te offeren als brandoffer. Hoewel God de verordeningen over de verschillende offers pas later gaf (in Leviticus), sprak Hij al op deze plaats over het brandoffer. Had Hij daarbij niet Christus al voor ogen, die eens het ware Brandoffer zou zijn? Als brandoffer heeft de Heer Jezus met het oog op de zonde God oneindig verheerlijkt. Hij heeft verzoening gedaan, doordat Hij volledig aan de heilige eisen van God met betrekking tot de zonde heeft voldaan.

Het brandoffer was, met uitzondering van de huid geheel voor God (Lev. 1:6; 7:8). Het spreekt van wat Christus in Zijn dood voor God was, van de waarde die God aan het offer van Zijn Zoon toekent. Zijn toewijding aan God ging tot in de dood. Hij heeft Zich aan God volledig overgegeven en Hem daardoor oneindig verheerlijkt. We lezen van Hem, dat Hij Zichzelf voor ons overgegeven heeft als offerande en slachtoffer, voor God tot een welriekende reuk (Ef. 5:2). God alleen is in staat om de waarde van de offerdood van Zijn Zoon aan het kruis in al zijn volheid en reikwijdte te meten. Maar ook ons zal dat, wat gebeurd is op Golgotha, alle eeuwigheid met bewondering en aanbidding vervullen. Mocht het vandaag al zo zijn!

De onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van Abraham

Wat zal Abraham wel gedacht hebben toen hij deze woorden hoorde? Wat zal hij hebben gevoeld? We weten het niet. De Schrift zwijgt erover. Maar een ding weten we wel: dat Abraham onvoorwaardelijk zonder te aarzelen gehoorzaamde. Hij probeerde de woorden van God op geen enkele manier af te zwakken, noch te ontwijken. Nee, vroeg in de ochtend stond hij op.

“Toen stond Abraham ’s morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, stond op en ging naar de plaats die God hem genoemd had” (Gen. 22:3).

Abraham stond ’s morgens vroeg op. Het lijkt erop dat hij geen tijd verloren wilde laten gaan om aan de opdracht van God te voldoen. Er was geen aarzeling of vertraging. Vol geloofsenergie zadelde hij zijn ezel. Is deze onvoorwaardelijke gehoorzaamheid niet bewonderenswaardig? Moeten we ons niet verwonderen over zo’n gehoorzaamheid van het geloof? Ja, Abraham stelde geen vragen, uitte ook geen twijfel, maar gehoorzaamde God op de plaats en naar het Woord.

Misschien vragen wij ons af waarom de Heilige Geest alle details noemt, die we in vers 3 vinden. Is het dan zo belangrijk om te weten dat Abraham zijn ezel zadelde, het hout kloofde en dat hij twee van zijn knechten met zich meenam? Zijn dit niet eerder onbelangrijke details die wij – als wij het bericht geschreven hadden – waarschijnlijk onvermeld gelaten zouden hebben? Het antwoord luidt: Nee, want God had groot welgevallen in elk detail dat Abraham deed, omdat hij het uit gehoorzaamheid deed. Daarom liet God dit opschrijven. We kunnen er zeker van zijn dat God vandaag nog steeds kennis neemt van alles, wat uit gehoorzaamheid en liefde voor Hem gebeurt, ook al schijnt het in onze ogen nog zo klein en onbeduidend.

Bij het lezen van het bijbelverhaal krijgt men de indruk, dat Abraham een zorgvuldig man was, die zijn reis goed gepland had. Ondanks de diepe ellende, die hij ongetwijfeld op dat moment doorleefde, was hij in staat om kalm en verstandig te handelen. Het is de rust en beheerstheid van een hart, dat volledig op God vertrouwt. In geloof steunde hij op zijn God en genoot de vrede van God in het hart (zie Fil. 4:6,7).

Het gekloofde hout

Het gekloofde hout was nodig om het brandoffer in brand te steken en te verbranden. Hout is in de Schrift vaak een beeld van de menselijke natuur. In Lukas 23 vers 31 spreekt de Heer Jezus over Zichzelf als het groene hout en over het volk als het dorre hout. Misschien laat ons het gekloofde hout denken aan het feit, dat God de mensen ongeveer 4000 jaar tot de komst van de Heer Jezus door en door beproefd heeft – zonder iets goeds te vinden. Het hout was – om in de beeldspraak te blijven – gekloofd om het innerlijke wezen van de mens te openbaren. Daarbij is aangetoond, dat in de mens geen goed woont en dat hij totaal verdorven is (verg. Rom. 3:10-12; 7:18). Het hout moest verbrand worden. Geheel anders bij onze Heer. Hij was volledig mens, maar zonder zonde. God beproefde Hem en vond niets, dat niet volkomen zou zijn geweest: “U hebt mijn hart beproefd, het ’s nachts doorzocht, U hebt mij getoetst, U vindt niets. Wat ik ook moge denken, het komt mij niet uit de mond” (Ps. 17:3).

Omdat de mens hopeloos verloren en totaal niet in staat is om God te behagen, moest God handelen. Hij heeft in het middel tot redding voorzien, doordat Hij Zijn eigen Zoon tot het offerlam verkozen heeft. Wat de mens niet doen kon, deed God. Geloofd zij Zijn Naam daarvoor!

Wordt DV vervolgd.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol