2 jaar geleden

De grote geloofsdaad van Abraham (04)

Genesis 22 vers 2: “Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga  naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal”.

De Zoon van de Vader

We gaan in gedachten nog eens van Izak naar Christus. Net als Izak de geliefde zoon van Abraham was, zo is ook de Heer Jezus de geliefde Zoon van God. Van eeuwigheid af was Hij Zoon in de schoot van de Vader, en genoot de liefde en het welbehagen van de Vader. Dag aan dag was hij Zijn bron van blijdschap (Spr. 8:30). Dat veranderde ook niet, toen Hij mens werd en naar deze aarde kwam. Als mens op deze aarde deed Hij altijd wat de Vader welbehaaglijk was (Joh. 8:29). Elk woord dat Hij sprak, elke stap die Hij ging, alles wat Hij deed, riep welbehagen en blijdschap op in het hart van de Vader. Tweemaal getuigde God vanuit de hemel, dat Hij welbehagen in Zijn zoon gevonden had (Matth. 3:17; 17:5).

De beschrijving die ons in in dit vers van Izak wordt gegeven, laat ons iets beter begrijpen, hoe groot de liefde van God moet zijn geweest om Zijn Zoon in de hand van Zijn vijanden en in de dood te geven. Het laat ons een glimp opvangen van de waardering van God voor Zijn Zoon. Dit vers herinnert ons aan drie waarheden met betrekking tot de Heer Jezus, die we uit het Nieuwe Testament kennen.

“Neem toch uw zoon”

Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon naar deze aarde (Gal. 4:4). Nadat de mens zo volledig gefaald had en zijn afwijzing van God volledig aangetoond had, nam God Zijn Eigen Zoon en zond Hem als laatste tot hen (Mark. 12:6). Niemand zou ooit het verlossingswerk volbrengen en de kwestie van de zonde in overeenstemming met God regelen kunnen. En geen mens zou ooit in staat zijn geweest om God volmaakt te verheerlijken. Nee, de Zoon Zelf moest komen. God de Zoon moest mens worden en “hier onder zondaars verkeren”. Alleen Hij kon Middelaar tussen God en mensen zijn (1 Tim. 2:5). En alleen Hij had de kennis en het vermogen om de Vader te openbaren. Maar de Zoon werd verworpen en uiteindelijk aan het kruis genageld. Ja, God gaf “de beminde van Zijn ziel” in de handen van Zijn vijanden (Jer. 12:7). De Heer Jezus werd niet gespaard, maar heeft Zichzelf voor ons overgegeven. De eeuwigheid zal niet toereikend zijn ​​om Hem naar behoren daarvoor te danken!

“uw enige”

Drie keer wordt in dit hoofdstuk op gewezen, dat Izak de enige zoon van Abraham was (Gen. 22:2,12,16). Deze herhaling drukt de hele waarde uit die het voor het hart van Abraham had. Het laat zien hoezeer Abraham aan zijn zoon gehecht was. In Hebreeën 11 vers 17 wordt Izak de “eniggeborene” genoemd. De term “eniggeborene” wordt vijf keer in het Nieuwe Testament gebruikt met betrekking tot de Heer Jezus (Joh. 1:14,18; 3:16,18; 1 Joh. 4:9). Hij is de eniggeboren Zoon van de Vader. Het beschrijft Zijn unieke relatie met Zijn Vader en geeft ons een aanwijzing van de innigste relaties binnen de Godheid, die voor ons ondoorgrondelijk blijven. De omvang van de liefde van de Vader kan worden gezien door de grootte van Zijn gave: Hij gaf zijn enige geboren Zoon (Joh. 3:16). “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!” (2 Kor. 9:15).

“die u liefhebt”

Izak was de zoon die Abraham liefhad. Dat laat eraan denken, dat de Heer Jezus altijd het voorwerp van de liefde van de Vader is. Spreuken 8 vers 30 spreekt over de in de Zoon van God gepersonifieerde wijsheid: “… was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind, Ik was dag aan dag Zijn bron van blijdschap, te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht …”. In Mattheüs 12 vers 18 spreekt God van “Mijn geliefde” en in Efeze 1 vers 6 van “de geliefde”. In Kolosse 1 vers 13 wordt hij de “Zoon van Zijn liefde” genoemd. In het evangelie van Johannes lezen we zeven keer van de liefde van God, de Vader, tot Zijn Zoon (Joh. 3:35; 5:20; 10:17; 15:9; 17:23,24,26). Deze liefde van de Vader tot de Zoon is eeuwig, ondoorgrondelijk en leidt tot aanbidding!

De bereidheid van de Zoon om Zijn leven te laten, gaf de Vader nog een verdere, nieuwe motivatie om Hem lief te hebben: “Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat ik Mijn leven afleg” (Joh. 10:17). Wat een wonderbare relatie van liefde tussen God, de Vader, en Zijn Zoon! Onze Heer was en is de Geliefde van Zijn vader. Is Hij ook niet onze liefde en genegenheid waard?

Wordt DV vervolgd.

Daniel Melui, © www.Bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol